Het morele peil van kerklidmaten en niet-lidmaten
TOEN er in de tweede Wereldoorlog nazi-bommen en -raketten op Engeland begonnen te vallen, konden de Engelsen zich terecht afvragen hoe het met het morele peil van de Duitse kerklidmaten die deze bommen lieten vallen en deze raketten afvuurden, was gesteld. Hetzelfde kon van de inwoners der Duitse steden worden gezegd. Zij konden zich afvragen wat de kerklidmaten der geallieerden die hun steden verwoestten en hun mannen, vrouwen en kinderen doodden, wel voor een moraal moesten bezitten.
Vele personen schijnen kerklidmaten — als klasse — als de personificatie van beschaving en een hoogstaande moraal te beschouwen. Op iemand die niet lid is van een kerk wordt soms neergekeken als op iemand die immoreel en onbeschaafd is. Dit blijkt wel uit de woorden van dr. G.W. Crane toen hij zei: „Wij ervaren de paradox dat er 100.000.000 moderne mensen met een hoge moraal met 70.000.000 personen uit het stenen tijdperk in dezelfde steden wonen. Voor 60% van onze medemensen behoeven wij zelfs in het donker niet te vrezen. De andere 40% kunnen wij echter overdag zelfs niet eens vertrouwen”. Met deze 40% van de Amerikaanse bevolking worden de niet-lidmaten bedoeld.
Dr. Crane voerde verder aan dat wanneer iedereen tot een der joodse, katholieke of protestantse religieuze sekten zou behoren, er geen misdaad zou bestaan. Hoe kan dit echter met het oog op wat kerklidmaten gedurende de tweede Wereldoorlog hebben gedaan en wat velen van hen thans nog doen, worden gezegd?
De massale afslachting van joden en afgescheidenen gedurende de donkere middeleeuwen vormt geen aanbeveling voor de moraal van kerklidmaten. Evenmin kunnen deze en andere door kerklidmaten op aandringen van hun religieuze leiders gedurende de inquisitie bedreven misdaden als moreel verantwoord worden aangemerkt. De tussen protestantse en katholieke kerklidmaten ten tijde van de hervorming geleverde strijd kan ook niet onder de moreel verantwoorde daden worden gerekend. Laten zij die denken dat lidmaatschap van een kerk een waarborg tegen misdaad is, deze geschiedkundige feiten maar eens aan een onderzoek onderwerpen.
Laten zij eveneens eens bedenken hoe het komt dat de gevangenissen met religieuze misdadigers zijn gevuld. Amerikaanse gevangenisautoriteiten hebben bekendgemaakt dat, terwijl 60% van de bewoners der Verenigde Staten de een of andere godsdienst belijdt, 85% van de veroordeelde misdadigers tot de een of andere religie zegt te behoren.
In The Christian Century van 4 september 1957 werd over één jeugdgevangenis reeds gezegd: „Na een statistisch onderzoek van de gevangenen, berichtte de psycholoog A. Tenario dat 85% van de in die jeugdgevangenis opgesloten jongens van Spaansamerikaanse afkomst en 71% van hen rooms-katholiek is.”
In de dagen van George Washington beweerde slechts 5 percent van het Amerikaanse volk tot de een of andere kerk te behoren. Thans is dit tot 60% opgelopen. Stellig zou niemand durven volhouden dat de Amerikanen thans 12 maal moreler en beschaafder zijn dan in de tijd van president Washington. Het omgekeerde is dichter bij de waarheid. Sedert de dagen van deze eerste Amerikaanse president is het morele peil belangrijk achteruit gegaan.
Religieuze leiders beklagen er zich op het ogenblik vaak over dat de misdaad gelijk met het kerkbezoek blijft toenemen. Elke keer wanneer het religieuze lidmaatschap met één percent is gestegen, stijgt de nationale misdaad met 8 percent. Zou dit zijn oorzaak kunnen vinden in het feit dat de kerk heeft gefaald haar lidmaten christelijke beginselen in te scherpen?
Met het oog op het verslag van immorele handelingen door kerklidmaten, is het verkeerd te beweren dat niemand die tot een kerk behoort, een misdaad zal bedrijven. Het is eveneens onjuist vol te houden dat kerklidmaten vertrouwd kunnen worden en niet-kerklidmaten niet. Het lidmaatschap van een kerk betekent niet noodzakelijkerwijs dat iemand volgens een hoogstaande moraal leeft. Het is gemakkelijker de schijn aan te nemen dat men een goede moraal in acht neemt, dan werkelijk in overeenstemming hiermee te handelen.
De kerklidmaten der christenheid zijn in vele opzichten gelijk de religieuze lieden in Jezus’ tijd. Zij waren ijverig voor hun religieuze overleveringen en bezaten een schijn van rechtvaardigheid; wanneer het er echter op aan kwam de hoge morele beginselen van de Schrift in de praktijk te brengen, lieten zij verstek gaan. Jezus citeerde terecht Gods woorden: „Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij. Tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen leren, die geboden van mensen zijn”. — Matth. 15:8, 9.
Zij bezaten een schijn van godvruchtige toewijding, maar hun daden van het vervolgen en uiteindelijk van het doden van Christus toonden aan dat hun toewijding niet uit hun hart voortsproot. Wat bij deze joodse kerklidmaten waar was, geldt ook voor vele kerklidmaten der christenheid. Hun toewijding spruit niet uit hun hart voort. Indien dit het geval was, zouden zij Gods rechtvaardige wetten en beginselen wel respecteren. Dan zouden zij geen personen van een ander ras of een andere nationaliteit haten; zij zouden niet liegen, bedriegen en stelen, en zij zouden elkaar niet beschieten of bombarderen.
Wat de apostel Paulus tot de joden in zijn tijd zei, kan ook tot de kerklidmaten der christenheid worden gezegd: „Want niet de hoorders der wet zijn rechtvaardig bij God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden. Hoe nu, gij, die een ander onderwijst, onderwijst gij uzelf niet? Gij, die predikt, dat men niet stelen mag, steelt gij? Die overspel verbiedt, doet gij overspel? Die gruwt van de afgoden, pleegt gij tempelroof? Die u op de wet beroemt, onteert gij God door uw overtreden van de wet? Want de naam Gods wordt om u gelasterd onder de heidenen”. — Rom. 2:13, 21-24.
Dat sommige kerklidmaten tegen niet-kerklidmaten een „heiliger dan gij”-houding aannemen, wil nog niet zeggen dat zij moreel hoger staan en beschaafder zijn. Zij zijn evenals de Farizeeën niet wat zij beweren te zijn, en daarom zijn zij in Gods ogen in werkelijkheid veel laakbaarder. Niet het lidmaatschap van een kerk maakt iemand beschaafd en moreel hoogstaand, maar veeleer het toepassen van de beginselen uit Gods Woord.