Verzoekschrift aan generalissimus Trujillo
Baltimore, Maryland, Verenigde Staten van Amerika,
zaterdag, 24 augustus 1957
AAN ZIJNE EXCELLENTIE GENERALISSIMUS RAFAEL LEONIDAS TRUJILLO,
WIJ, 33.091 afgevaardigden die hier in Baltimore, Maryland, V.S., in het Baltimore’s Herdenkingsstadion zijn bijeengekomen, grijpen op deze vierde dag van deze vijfdaagse door Jehovah’s getuigen belegde districtsvergadering met als thema „Levengevende wijsheid,” de speciale gelegenheid aan welke voor de gehele wereld van belang is, om ons tot Uwe Excellentie te richten. Wij vragen uw officiële aandacht voor een aangelegenheid die voor u en voor de natie welke u vertegenwoordigt, van groot belang is en waar wij als christenen uit vele delen der Verenigde Staten van Amerika alhier, eveneens bij geïnteresseerd zijn.
Onlangs hebben wij in vele steden in onze nieuwsbladen gelezen en ook van verslagen over de televisie gehoord, dat uw regering op zaterdagmiddag, 3 augustus 1957, tien (10) Amerikaanse burgers uit de Dominicaanse Republiek heeft gedeporteerd en hen per vliegtuig van Ciudad Trujillo naar Puerto Rico heeft gezonden. Wij waren verbaasd over dit optreden van uw regering en er door getroffen toen al deze gepubliceerde berichten onthulden dat deze tien Amerikaanse burgers christelijke zendelingen zijn die een religieuze organisatie vertegenwoordigen welke hier in de Verenigde Staten van Amerika een zeer vooraanstaande positie inneemt en groot respect heeft gewonnen van de autoriteiten en het gewone volk wegens het grote onderwijzingswerk dat ze verricht met Gods geschreven Woord, de Heilige Schrift, en zij verrichten hun werk niet alleen in dit uitgestrekte land maar eveneens in meer dan honderdzestig andere landen der aarde. Het optreden van uw regering in deze aangelegenheid is daarom de belangstelling en aandacht van de gehele wereld gaan trekken.
Behalve al deze publiciteit welke reeds aan het optreden van uw regering is gegeven en die wij in de nieuwsbladen hebben gelezen en ons via de radio en de televisie ter ore is gekomen, hebben wij het voorrecht uit de eerste hand berichten te horen van hen die rechtstreeks bij dit deportatieproces zijn betrokken. Wij hebben onder de afgevaardigden op deze door Jehovah’s getuigen belegde districtsvergadering namelijk acht van deze Amerikaanse burgers die tot voor kort als zendelingen in uw land werkzaam waren. Behalve dat zij in deze stad op de televisie zijn verschenen, hebben zij ons op deze vergadering vanaf het podium een mondeling verslag gegeven van de gedragslijn welke uw regering ten opzichte van hen en van alle andere getuigen van Jehovah in de Dominicaanse Republiek heeft gevolgd. De berichten uit hun eigen mond waren een bevestiging van hetgeen wij reeds in vele nieuwsbladen hadden gelezen. De zaak is zo helder en realistisch voor ons geworden en heeft ons zodanig onder de indruk gebracht, dat wij ons er toe aangezet voelen deze verklaring van feiten op te stellen en dit Verzoekschrift ten behoeve van onze christelijke broeders en zusters, onze medegetuigen van Jehovah, in uw land tot u te richten.
FEITENVERKLARING
Uw regering weet zeer wel dat Jehovah’s getuigen nu reeds vele jaren in uw land actief werkzaam zijn. Ook weet uw regering dat deze oprechte, nederige christenen een mate van vrijheid is verleend. Zendelingen, afgestudeerden van de welbekende Wachttoren Bijbelschool Gilead, werden in uw land toegelaten en genoten eens het voorrecht aldaar een christelijk onderwijzingswerk te verrichten, hetgeen voor honderden van uw landgenoten grote geestelijke zegeningen heeft afgeworpen.
Zoals uw officiële berichten wellicht aantonen, werden in 1945 de eerste getuigen van Jehovah naar de stad Ciudad Trujillo gezonden om in de Dominicaanse Republiek hun bijbelse onderwijzingswerk te beginnen. Vele Dominicaanse bewoners reageerden gunstig op hun prediking in het openbaar en van huis tot huis over het goede nieuws van Gods koninkrijk, daar zij het verlangen hadden hun kennis van Gods Woord te vermeerderen en zich voor te bereiden op de voorzegde Dag waarop het door Christus Jezus geregeerde koninkrijk van Jehovah God over de gehele aarde zal regeren en zegeningen zal uitstorten op alle mensen van goede wil, welke nationaliteit zij op het ogenblik ook mogen bezitten. Velen die aldus waren onderwezen, zagen in welke verantwoordelijkheid er nu op hen rustte en gaven dienovereenkomstig gehoor aan Jezus’ profetische bevel: „Dit goede nieuws van het koninkrijk zal op de gehele bewoonde aarde worden gepredikt met het doel een getuigenis aan alle natiën te geven, en dan zal het volbrachte einde komen.” (Aangehaald uit het evangelie van Mattheüs, hoofdstuk 24, vers 14.) Tegen het jaar 1950 waren vijfentwintig afgestudeerde zendelingen van de Wachttoren Bijbelschool Gilead naar uw mooie land gezonden. De reactie der nederige, rechtvaardig-gezinde Dominicaanse bewoners was goed merkbaar en dit bijbelse onderwijs verbreidde zich naar vele delen van het land.
In juni 1950 veranderde de situatie voor hen. Uw regering vaardigde een besluit uit, inhoudende dat deze religieuze groep christenen onwettig was en dat alle vergaderingen en propaganda als tegen de politieke staat werden beschouwd. Door de openlijke en wijd en zijd bekend zijnde bewijzen is echter verraden dat dit besluit op aandrijven van de vertegenwoordigers der Rooms-Katholieke Hiërarchie in uw land werd ontworpen en uitgevaardigd omdat zij misnoegd waren over de verbreiding van het door Jehovah’s getuigen verrichte bijbelse onderwijzingswerk. Gedurende de zes daaropvolgende jaren moesten de Amerikaanse zendelingen óf Santo Domingo verlaten óf met hun zendingswerk ophouden en werelds werk ter hand nemen om in het land te blijven. De Dominicaanse getuigen van Jehovah bleven echter vasthouden aan hun op de bijbel gebaseerde christelijke geloof en zij zetten hun bediening voort al was het dan ook zonder de vrijheid welke zij tot op deze in 1950 uitgevaardigde verbodsbepaling hadden genoten. Zij volgden het door Christus gegeven voorbeeld van de apostel Petrus en diens mede-apostelen. Toen het hooggerechtshof van Jeruzalem hen arresteerde en gebood niet langer het goede nieuws omtrent Christus en Gods koninkrijk te prediken, antwoordden Petrus en de andere apostelen het hof: „Wij moeten God als regeerder meer gehoorzamen dan mensen.” Toen de apostelen derhalve werden losgelaten, nadat zij waren geslagen en het hof hen nogmaals had gedreigd niet meer te spreken, verlieten zij de rechtszaal, maar bleven God als regeerder gehoorzamen door voort te gaan elke dag in de tempel en in elk huis Jezus Christus te leren en te prediken (De handelingen der apostelen, hoofdstuk 5, de verzen 29-42, New World Translation). Door deze apostolische handelwijze te volgen, waren de Dominicaanse getuigen niet omverwerpend ten aanzien van de politieke regering maar gehoorzaam aan de Allerhoogste God Jehovah en Hij heeft hen hiervoor gezegend want het aantal getuigen van Jehovah in Santo Domingo bleef toenemen. Hierdoor werd bewezen dat het de goedkeuring en zegen van Jehovah God niet heeft wanneer een regering Zijn getuigen een verbodsbepaling oplegt, maar hij schenkt zijn getrouwe, gehoorzame dienstknechten en getuigen voorspoed en doet hen geestelijk voorspoedig zijn. In dit verzoekschrift geven wij echter geen uitvoerige beschrijving van het fysieke en geestelijke lijden dat Jehovah’s getuigen gedurende die periode van deze verbodsbepaling te verduren hebben gehad.
In augustus 1956 werd door uw regering, die heel goed wist dat er nog steeds getuigen van Jehovah in Santo Domingo waren en dat zij hun geloof beoefenden, om redenen welke ze zelf het beste zal weten, de verbodsbepaling plotseling opgeheven, doordat er in de openbare pers een kleine aankondiging werd gepubliceerd dat alle beperkingen die de organisatie en het werk van Jehovah’s getuigen waren opgelegd, waren opgeheven en zij al hun religieuze werkzaamheden in het openbaar en zonder inmenging van regeringswege konden hervatten. Dit aanbevelenswaardige optreden door uw nationale regering heeft Jehovah’s getuigen over de gehele aarde tot grote vreugde gestemd. Deze opheffing van het verbod had natuurlijk een gunstige uitwerking op de christelijke organisatie en het werk van Jehovah’s getuigen in Santo Domingo. Gedurende de zes lange jaren dat de verbodsbepaling van kracht was, hadden zij het speciale bewijs geleverd dat de nationale regering hen niet in het minst had te vrezen, maar dat zij vredelievende christenen waren, die zich niet met andere religieuze elementen in de politiek van het land mengen maar zich in het bijzonder toeleggen op de bediening van Gods Woord in christelijke gehoorzaamheid aan God.
Vervolgens ontketende op 30 juni 1957 een rooms-katholieke priester een openlijke aanval op Jehovah’s getuigen. Nieuwsbladen, de radio en geluidswagens werden alle gemobiliseerd voor de aanval. De Rooms-Katholieke Hiërarchie oefende wederom religieuze druk uit op de politici en leiders der regering om hen er toe te dwingen een eind te maken aan het onderwijzingswerk van Jehovah’s getuigen. De Dominicaanse inwoners weten dat er in de tijd van 2 tot 25 juli van dit jaar in de plaatselijke nieuwsbladen ruim 1620 cm ruimte, in dubbele kolommen, is besteed om de gemoederen van het volk tegen Jehovah’s getuigen te keren. Een nader onderzoek van al deze nieuwsbladpubliciteit onthult dat deze christelijke getuigen van Jehovah, ondanks dat zij in de gehele wereld hun standpunt tegen het goddeloze communisme hebben ingenomen, werden gebrandmerkt als voorlopers van het communisme, opruiers, wetschenders en personen die de vlag, het volkslied en instellingen van de nationale staat beledigen. In minachting voor de heilige naam van de Allerhoogste God werden zij Jehovieten genoemd en wat de verklaringen betreft die werden gedrukt, het deed er niet toe hoe leugenachtig en belachelijk ze bleken te zijn. Al zulke valse verklaringen en beschuldigingen werden door de van regeringswege gesteunde radiostations opgenomen en met extra-commentaar herhaald.
In tegenwoordigheid van een vertegenwoordigende zendeling van Jehovah’s getuigen zei uw generaal-majoor Espaillat in een telefoongesprek met de dienstdoende Amerikaanse ambassadeur in Ciudad Trujillo: „Wat er in de nieuwsbladen en over de radio over deze mensen wordt gezegd, dwingt ons er toe maatregelen tegen hen te nemen. Wij zullen daarom een wet aannemen waardoor hun werk in het land wordt verboden.” Dit was toen de dienstdoende Amerikaanse ambassadeur een beroep deed op de generaal-majoor om Jehovah’s getuigen niet te streng te bejegenen. Zelfs voordat de verbodsbepaling hun wederom werd opgelegd, begon er een gewelddadige vervolging tegen Jehovah’s getuigen. In afgelegen stadjes en op het platteland werden plaatselijke getuigen dag en nacht door overheidspersonen omsingeld en dezen begonnen hen te slaan en te mishandelen. De politie en legerautoriteiten spoorden zulke geen weerstand kunnen biedende, godvrezende mannen en vrouwen, ja, zelfs kinderen, op. In één sector werden hele gezinnen naar de gevangenis gebracht en de mannen werden voor de ogen van hun vrouw en kinderen bewusteloos geslagen.
RELIGIEUZE VERVOLGING
In de streek welke bekend staat als Salcedo, waar de getuigen werden geslagen, kwamen drie militaire politiemannen omstreeks 5 uur n.m. met een groep van ongeveer vijfentwintig andere getuigen naar het huis van een getuige om haar en de overigen naar de militaire gevangenis in Salcedo te brengen. Zij moesten te voet een afstand van ongeveer negentien kilometer afleggen en kwamen in de gevangenis aan omstreeks 8 uur n.m. Op de binnenplaats van de gevangenis werden de mannen en vrouwen opgesteld. Hun werd gevraagd of zij een verklaring wilden tekenen waarin zij Jehovah’s getuigen verloochenden en beloofden zich weer bij de Rooms-Katholieke Kerk te zullen aansluiten. Allen weigerden te tekenen. Nu traden er twee soldaten naar voren die de armen van de mannen vasthielden terwijl een derde soldaat de getuigen van Jehovah met zijn vuisten sloeg. Bovendien schopten zij deze getuigen en sloegen hen met de kolf van hun geweer totdat zij bloedden. Toen werden deze getuigen een voor een zo geslagen dat ze uitgeput in elkaar zakten. Vervolgens werden zij in een cel gestopt en hun christelijke zusters in een andere cel. De gehele nacht konden deze vrouwen de mannen horen kreunen wegens de wrede manier waarop zij waren geslagen. De volgende ochtend omstreeks acht uur werden vijf officiële dienaren van Jehovah’s getuigen, die in een andere cel waren opgesloten, een voor een naar een kantoor gebracht. De eerste was de ongeveer vijfenzestig-jarige gemeentedienaar van Los Cacaos, Negro Jiménez. Een half uur later werd hij door twee soldaten ten aanschouwen van de andere gevangenen aan de voeten naar buiten gesleurd en lieten ze hem bewusteloos op de grond in de patio liggen. Er stroomde bloed uit zijn oren, neus en mond. Hij zag er uit alsof hij dood was.
Vervolgens werd de ongeveer vijfendertig-jarige Pedro German, gemeentedienaar te El Jobo, het kantoor binnengebracht. Hij werd later ondersteund door twee soldaten naar buiten gebracht en zowel zijn gezicht als zijn lichaam vertoonden de tekenen van zware mishandeling. Zijn wang was opengereten en er kwam bloed uit. Hij werd via de patio teruggebracht naar de cel waar de andere gemeentedienaren waren. Vervolgens werd een andere getuige, Angel Angel, een man van zestig jaar oud, hetzelfde kantoor binnengebracht. Hij werd later bewusteloos naar buiten gebracht, terwijl er bloed uit zijn mond en neus stroomde, hetgeen er aan te wijten was dat hij wreed in het gezicht was geslagen. Ongeveer op dit zelfde ogenblik gooiden soldaten drie of vier emmers water over de bewusteloze getuige, Negro Jiménez. Alleen toen hij naar adem snakte, wisten zij dat hij levend was. Op dit teken van leven sleurden zij hem in de cel bij Pedro German.
Hierna werden er twee anderen binnengebracht, de ongeveer zestig-jarige Pedro Gonzalez, en zijn zoon Porfirio Gonzalez, die ongeveer vijfentwintig jaar oud was. Toen deze twee naar buiten werden gebracht, was het gezicht van de bejaarde Pedro opgezwollen op de plaatsen waar hij was geslagen; zijn zoon Porfirio was bewusteloos en werd daarom aan zijn voeten naar buiten gesleurd. Er kwam bloed uit zijn oren en neus en later kwam men er achter dat zijn trommelvlies was gescheurd. Ongeveer een uur lang bleef hij bewusteloos. Het slaan duurde ongeveer vier á vijf uur, waarna zij allemaal wederom in de cel werden opgesloten.
Nu werden de andere gevangenen naar buiten gebracht en er werd gevraagd of zij de verklaring wilden tekenen waarin stond dat zij niet langer een van Jehovah’s getuigen zouden zijn. Volgens de openbare pers hebben ongeveer zevenentwintig van deze gevangenen de verklaring ondertekend. Alles bij elkaar waren er ongeveer honderd of meer in de gevangenis. Velen van hen die de verklaring ondertekenden, waren eigenlijk nog geen Jehovah’s getuigen maar slechts mensen van goede wil die enkele vergaderingen van Jehovah’s getuigen hadden bezocht, en velen waren minderjarigen, kleine kinderen. Ook konden velen de verklaring niet eens lezen. Het ondertekenen geschiedde op het kantoor van de provinciale regering in tegenwoordigheid van de gouverneur en andere politieke ambtenaren. Zij die hadden getekend, werden in een overvalwagen ongeveer 8 kilometer in de richting van hun huis gebracht en toen vrijgelaten.
Volgens de nieuwsbladen werd een andere groep van achtentwintig personen, die de verklaring eveneens hadden ondertekend, gedwongen in een grote militaire truck te stappen en naar een rooms-katholieke kerk gereden. Daar aangekomen brachten soldaten met geweren en bajonetten hen in de kerk om naar een mis te luisteren. Hierna werden zij in de truck gezet, naar hun huis gereden en vrijgelaten.
In andere plaatsen waar inlandse speciale pionierverkondigers van Gods koninkrijk waren, die dus zelf in de Dominicaanse Republiek zijn geboren, werden de broeders naar het bureau van het hoofd van de politie of het regeringsbureau geroepen en er werd hun gezegd dat zij hun werk moesten stopzetten. Sommigen van hen moesten ’s nachts vertrekken en lieten hun bezittingen, meubelen en kleding achter om arrestatie te vermijden. In grotere plaatsen gingen rooms-katholieke priesters bij bedrijven langs om te informeren of zij ook Jehovah’s getuigen in dienst hadden, en zo ja, dat zij hen dan onmiddellijk moesten opzeggen. Een getuige die in een suikerfabriek werkte, kreeg twee minuten de tijd om het kantoor te verlaten en drie uur om met zijn gezin het stadje te verlaten. Vier andere getuigen werden opgepakt en een week lang achter slot en grendel gezet voordat er enige beschuldigingen tegen hen werden ingebracht. Daarna werden zij beschuldigd van opruiende activiteit tegen de regering.
In uw hoofdstad, Ciudad Trujillo, werd een getuige opgepakt en drie dagen zonder voedsel in de gevangenis opgesloten. Hij had iets meer dan een gulden in zijn zak waarvoor hij snoep kocht. Dat was al het voedsel dat hij die drie dagen kreeg. Hij werd van oneerbiedigheid ten opzichte van de vlag beschuldigd. Tijdens het vijf-minuten-durende verhoor zei de politieagent die hem had binnengebracht: „Deze man heeft geen blijk van oneerbiedigheid ten opzichte van de vlag gegeven. Ik ken hem en hij heeft de vlag altijd gerespecteerd.” Niettemin veroordeelde de rechter hem tot een jaar gevangenisstraf en een geldboete van ongeveer 1000 gulden.
Wij vestigen nogmaals eerbiedig uw aandacht op de ophitsing van de zijde der rooms-katholieke geestelijkheid die achter al deze religieuze vervolging schuilt. Op 30 juni hield de jezuïtische priester Vázquez Sanz over de radio een lezing om de haatcampagne tegen Jehovah’s getuigen te beginnen. De nieuwsbladen publiceerden deze lezing, waarin deze jezuïet Jehovah’s getuigen communisten noemde, haters van alle orde en oneerbiedig tegenover de wetten van de Dominicaanse Republiek, en nog vele andere valse dingen over hen zei. Behalve de nieuwsbladen schreven andere vooraanstaande mensen in Santo Domingo eveneens soortgelijke artikelen, totdat er ten slotte, tegen 29 juli honderden centimeters ruimte was gebruikt voor artikelen tegen Jehovah’s getuigen. Van nog een rooms-katholieke priester, Robles Toledano, zijn berichten voorhanden dat hij een lezing heeft gehouden. Hierin zei hij dat Jehovah’s getuigen een kankergezwel waren en uit de Dominicaanse Republiek uitgeroeid moesten worden.
VERDRIJVING DER AMERIKAANSE ZENDELINGEN
Reeds op 8 juli werden de Amerikaanse zendelingen voor het eerst op het bureau van de Veiligheidspolitie geroepen en door uw regeringsambtenaar Arturo Espaillat ondervraagd. In het kort werd hun verteld dat zij hun spullen bij elkaar moesten pakken en het land zo spoedig mogelijk moesten verlaten met het oog op datgene wat in de openbare pers en over de radio was gezegd. Later gaf de Veiligheidspolitie blijk van ongeduld omdat deze zendelingen nog geen stappen hadden gedaan het land te verlaten. Nadat uw functionaris Espaillat ter ore was gekomen dat zij de meeste van hun bezittingen reeds hadden verkocht, zei hij de zendelingen dat zij tot het einde van juli konden blijven, op welke tijd zij het land moesten verlaten. Op 30 juli bezochten de zendelingen de Amerikaanse ambassadeur, de heer Spalding, en deelden hem mee dat zij het land onder geen andere omstandigheid dan deportatie zouden verlaten. De heer Spalding kon het voor hen regelen dat zij een onderhoud hadden met de heer Baez, secretaris der Buitenlandse betrekkingen. De heer Baez herhaalde dat zij het land zouden moeten verlaten, maar wanneer zij een verklaring ondertekenden waarin zij zich bereid verklaarden de wetten van het land te gehoorzamen, het volkslied en de vlag te respecteren en geen verdere connecties met de Watch Tower Bible and Tract Society te hebben, zijn bureau zou zien of de zendelingen konden blijven. Enige dagen later deden zij de Amerikaanse ambassade een verklaring toekomen waarin werd te kennen gegeven dat zij alle geldige wetten van de Dominicaanse regering zouden gehoorzamen, welke niet in strijd waren met de in de Heilige Schrift neergelegde wet Gods. Zij zouden evenals voorheen het volkslied en de vlag respecteren. De daaropvolgende dag liet Espaillats bureau hun weten dat de verklaring der zendelingen te zwak was, omdat, zo zei hij, alle wetten der Dominicaanse Republiek in overeenstemming met Gods wet waren, daar de president ze ondertekend had en de Nationale senaat ze had aangenomen.
Er was een artikel in een Puerto Ricaans nieuwsblad verschenen, waarin stond hoe de Dominicaanse soldaten onze medechristenen, Jehovah’s getuigen, hadden geslagen en mishandeld. Toen u de heer Espaillat in uw kantoor riep, gaf u hem een exemplaar van dit nieuwsblad waarin het vervolgingsartikel rood omlijnd was. Toen de heer Espaillat weer naar buiten kwam, gooide hij dit nieuwsblad op zijn bureau. „Dit doet de deur dicht,” zei hij. „Nu zullen wij u deporteren. Hoe zijn deze inlichtingen het land uitgekomen” Nadat hij zich enkele ogenblikken met de zendelingen had onderhouden, zei uw heer Espaillat: „Wanneer u martelaren wilt zijn, ga dan zo voort, maar bedenk dat dit duizend jaar geleden uit de mode is geraakt. Wij zullen een ambtenaar naar uw verblijf sturen en u deporteren, wanneer u daar op staat.” Hij raadde hen aan om 4.30 uur n.m. gereed te staan om met het toestel van de Pan-American Airways te vertrekken. Om 1 uur n.m. kwam de ambtenaar bij het zendingshuis en zei dat zij om 1.30 uur n.m. moesten vertrekken. Er reden tegelijkertijd drie taxi’s voor. De zendelingen werden met hun bagage naar het vliegveld gebracht, waar het Delta-vliegtuig een half uur vertraging kreeg. Uw regering betaalde de taxi’s en kocht de vliegbewijzen voor de vlucht van de zendelingen naar Puerto Rico. Er werd bevel gegeven dat elke Dominicaan die poogde de zendelingen op het vliegveld goedendag te zwaaien, gearresteerd of neergeschoten moest worden.
VERZOEKSCHRIFT EN SLOT
Op aanzetten van de rooms-katholieke geestelijken en hun ondersteuners is de regering van Uwe Excellentie er toe overgegaan zodanig op te treden dat er onze christelijke broeders, Jehovah’s getuigen, in uw land groot onrecht is aangedaan. Snel verbreidt het nieuwsbericht van wat uw regering heeft gedaan, zich over de gehele wereld en vormt een getuigenis tegen u, waardoor in twijfel wordt getrokken of u wel de Verklaring van de rechten van de mens, welke door de Verenigde Naties werd opgesteld, van welke internationale organisatie uw land lid is, onderschrijft.
Wij hebben u het voorgaande gedeeltelijke overzicht van wat er is gebeurd, toegezonden, daar wij er op vertrouwen dat de regering van Uwe Excellentie een beter oordeel kan vellen en open staat voor een beroep om deze onrechtvaardige situatie recht te zetten. Nu wij hier met duizenden vergaderd zijn op een districtsvergadering, doen wij derhalve een beroep op Uwe Excellentie deze aangelegenheid aan een onderzoek te onderwerpen en de nodige stappen te doen om dit verbod, dat uw regering op 24 juli over Jehovah’s getuigen heeft uitgevaardigd, in te trekken en uw ambtenaren bevel te geven op te houden met het mishandelen van deze onschuldige christenen. Stellig pleit het niet voor uw regering dat ze zich nu in dezelfde klasse heeft geplaatst als communistisch Rusland en haar communistische satellieten, die Jehovah’s getuigen vervolgen en trachten te vernietigen, louter omdat zij God volgens de voorschriften van Zijn Heilig Woord aanbidden en aan de gehele wereld bekendmaken dat Gods koninkrijk onder Christus de enige hoop voor de mensheid is. Evenmin zult u het prettig vinden dat uw regering zich groepeert onder de klasse van hen die tegen de Allerhoogste Jehovah God strijden, doordat zij zijn getuigen bestrijden. Wij doen een beroep op u, acht te slaan op de waarschuwing welke de religieuze vervolgers van Petrus en zijn mede-apostelen werd gegeven: „Houdt af van deze mensen, en laat hen gaan; want indien deze raad, of dit werk uit mensen is, zo zal het gebroken worden. Maar indien het uit God is, zo kunt gij dat niet breken; opdat gij niet misschien bevonden wordt ook TEGEN GOD TE STRIJDEN” (Handelingen der apostelen, hoofdstuk 5, de verzen 38 en 39). In Jehovah’s Heilige Woord worden wij gewaarschuwd, dat tegen God te strijden, betekent dat wij vernietigd zullen worden, zonder te kunnen hopen op een opstanding uit de doden.
Uw regering weet onmiskenbaar uit eigen ervaring tot nu toe dat ze niets van Jehovah’s getuigen te vrezen heeft. Volgens het bericht in de Baltimore Afro-American van gisteren, 24 augustus 1957, heeft de heer Manuel de Moya, uw ambassadeur in de Verenigde Staten, het bericht dat uw land de tien Amerikaanse zendelingen op 3 augustus heeft gedeporteerd, bevestigd, en hij zei dat dit geschiedde „omdat zij er van verdacht werden een complot gesmeed te hebben tot omverwerping van de regering van president Hector Trujillo.” Deze beschuldiging is zo ongerijmd, dat ze belachelijk is, en ze moet zelfs wel een glimlach ontlokken bij de ambtenaren van andere verantwoordelijke regeringen der wereld, die bekend zijn met Jehovah’s getuigen. Het is over de gehele aarde bekend dat deze christenen geen politieke ambities hebben en zich in geen enkele mate in de politiek mengen. Zij zien er naar uit dat Gods koninkrijk der hemelen het bestuur over deze aarde geheel zal overnemen, en wel in de nabije universele oorlog van Armageddon, waarbij zijn getuigen op aarde zelfs hun pink nog niet zullen uitsteken naar de regeringen van deze oude wereld. Jehovah vertelt zijn getuigen in zijn Woord: „De strijd is niet uwe, maar Gods” (2 Kronieken 20:15). Jehovah’s getuigen waarschuwen de mensen daarom nu rechtvaardigheid en vrede te zoeken en hun standpunt voor Gods naderbijkomende koninkrijk in te nemen, opdat zij niet vernietigd zullen worden met hen die in de strijd van Armageddon tegen Hem zullen strijden.
Wij doen een beroep op Uwe Excellentie de consequenties van uw kortelingse actie tegen de getuigen van Jehovah God in uw land voor Hem onder de ogen te zien. Wanneer u er in volhardt deze volgelingen van Jezus Christus te vervolgen, zult u bemerken dat u hen om hen in uw land tot zwijgen te brengen en op non-actief te stellen, allen zult moeten doden. Evenals Jezus Christus, hun Leider, werd gedood omdat hij Jehovah als God aanbad en Zijn koninkrijk predikte, maar door God werd beloond met een opstanding uit de doden, zijn Jehovah’s getuigen in de Dominicaanse Republiek niet bang de dood in te gaan, terdege wetend dat de Almachtige God heeft beloofd hen om hun getrouwheid tot in de dood, uit de doden op te wekken, tot eeuwig leven in Zijn nieuwe wereld. Wij vertrouwen er echter op dat u er van zult afzien deze verloren strijd tegen Jehovah God te gaan beginnen, en dat wij zo spoedig mogelijk in staat zullen zijn de wereld door alle moderne hulpmiddelen bekend te maken dat de Dominicaanse regering van Uwe Excellentie het verbod van 24 juli heeft opgeheven en zich in ere heeft hersteld door deze christelijke getuigen van Jehovah de religieuze vrijheid toe te staan welke zij in andere niet-communistische landen der wereld genieten. Door middel van deze Resolutie hebben wij voldoende aandacht van uw regering gevraagd. Op u rust nu voor de Allerhoogste God, Jehovah, de verantwoordelijkheid. Wij wachten op uw antwoord, niet slechts door het geschreven woord, maar doordat uw regering tot actie overgaat voor Gods oordeelstroon.
Met verschuldigde hoogachting,
JEHOVAH’S GETUIGEN
Voorstel om deze resolutie te aanvaarden, afkomstig van de voorzitter van de districtsvergadering te Baltimore:
Malcolm S. Allen
Vergaderingsvoorzitter
De resolutie werd ondersteund door de leider van genoemde vergadering:
John O. Groh
Vergaderingsleider
EENSTEMMIG AANGENOMEN DOOR DE „LEVENGEVENDE WIJSHEID”-DISTRICTSVERGADERING VAN JEHOVAH’S GETUIGEN IN DE MIDDAG VAN DEZE VIERENTWINTIGSTE DAG VAN AUGUSTUS 1957.
[Het oorspronkelijk exemplaar, ondertekend en wettelijk notarieel verzorgd, werd die zelfde zaterdagavond, 24 augustus 1957, nog per aangetekende luchtpost verzonden naar generalissimus Trujillo. Een exemplaar dat eveneens getekend en notarieel behandeld was, werd maandag, 26 augustus 1957, door een speciale boodschapper aan de Dominicaanse ambassadeur in de Verenigde Staten van Amerika, te Washington, D.C., aangeboden.]
Wie zal ons scheiden van de liefde van de Christus? Verdrukking, ellende, vervolging, honger, naaktheid, gevaar of het zwaard? Evenals er geschreven staat: „Om uwentwil worden wij de gehele dag ter dood gebracht, zijn wij gerekend als schapen welke ter slachting worden geleid.” Integendeel, in dit alles komen wij volledig als overwinnaars uit de strijd te voorschijn door hem die ons heeft liefgehad. — Rom. 8:35-37, NW.