Hoop voor de ziel
Hoe lang zult u blijven bestaan? Wat gaat u tegemoet bij de dood? Pijn, verrukking of een niet-bestaan? Dit artikel zal een hulp voor u zijn de bijbelse hoop voor de ziel te leren kennen.
WAAROM richten de mensen standbeelden en monumenten voor zichzelf op? Waarom verdiepen zij zich zo in wat de musea te bieden hebben of in biografieën en historische werken? Een Amerikaanse generaal heeft hierop eens het volgende antwoord gegeven: „De door de natiën opgerichte monumenten vormen alle een protest tegen het niet-zijn na de dood; dit is eveneens het geval met de standbeelden, inscripties en de geschiedenis.” Waarom verkiezen veel stervende mensen ziekte en pijn boven dood? Waarom houden zij, ondanks hun geloof in een hiernamaals en ondanks de pijn die ze lijden de levensdraad zo stevig vast? Omdat zij er niet in kunnen berusten dat zij met hum gevoelens, eigenschappen en aspiraties, zij, de belangrijkste personen in hun wereldje, ophouden te bestaan. Zij hebben liever pijn!
Voor de eerste mens was dit geen probleem. Zijn Schepper had hem toegerust met een gezond lichaam, een scherpzinnige, actieve geest, een vrouw die hem tot hulp zou zijn en een prachtig park om in te leven. Aan de dood dacht hij helemaal niet. Als hij de geboden van zijn Schepper zou blijven opvolgen dan zou die voor hem niet bestaan (Gen. 2:15-25). Hij schoot echter te kort, zondigde en zo kwam de dood de wereld binnen (Rom. 5:12). Toen zij uit de hof van Eden verdreven waren ontdekten deze man en vrouw pas ten volle hoe de verleider tegen de vrouw gelogen had. Hij had de opstandelingen beloofd dat zij als mens zouden blijven leven, maar heel spoedig sprak de Schepper in Eden het doodvonnis over hen uit. Na enige tijd kwamen zij door Abels dood er direct mee in aanraking. Daar lag hij, stil en koud. Het hierdoor veroorzaakte verdriet was nog maar een onderdeel van de vele moeilijkheden welke er nog zouden volgen. Voortdurend zou de vrees voor de dood bij hen blijven. De sterfelijke Adam begreep dat hij alleen maar mensen kon voortbrengen „die uit vrees voor de dood gedurende hun gehele leven aan slavernij onderworpen waren.” — Hebr. 2:15; Gen. 3:1–4:16.
Wat een somber vooruitzicht! Van hun familiehoofd Adam hoorde de mensheid hoe uitzichtloos hun lot was. Ze waren uit het stof der aarde geformeerd en de in hun neusgaten geblazen adem des levens had hen levend gemaakt. Gehoorzaamheid aan hun Schepper zou hun stoffelijke lichamen in stand gehouden hebben en dit alles tot eer van God. Door hun ongehoorzaamheid waren zij het leven niet meer waard. Zij zouden hierdoor terugkeren tot het niets! — Gen. 2:7; 3:19; 5:1.
Niemand ziet graag dat al zijn werken, slechte of goede, ten slotte op niets uitlopen, terwijl hij tot het stof terugkeert, dat zijn naam niet meer door de mensen genoemd wordt en in vergetelheid raakt. Heel velen die niet door goede werken opvallen, zullen zelfs graag verkeerde dingen doen om toch maar naam te maken, om iets te zijn, zodat men lang aan hen zal denken en over hen zal spreken.
Het verlangen om opgemerkt te worden, in de gedachten van de mensen te blijven leven ja, om te blijven bestaan, leidde tot de gedachte dat er voor de mens stellig nog iets anders weggelegd moest zijn. Hij is immers in staat te denken, te redeneren, zich iets voor te stellen, iets uit te vinden ja, zelfs in een bepaalde betekenis iets te „scheppen.” „Kan louter stof dat soms”? Aristoteles gaf hierop ten antwoord: „Datgene in ons wat voelt, denkt, verlangt en ons bezielt, is hemels, goddelijk en daarom onvergankelijk.” Ha, dat was het! De mens kon niet werkelijk sterven! Hij was onsterfelijk!
Hoe was dit echter te rijmen met de voor ieder zichtbare dood? Daar men in zijn dromen lange reizen kan maken onbelemmerd door een bepaalde fysieke toestand en het lichaam terzelfder tijd toch op dezelfde plaats blijft, beschouwde men dit als een bewijs dat men leven in zichzelf bezat, een onsterfelijke ziel had, die het lichaam op gezette tijden kon verlaten. Hierdoor kon men dus aan de verschrikkelijke werkelijkheid, de dood, het niets-zijn, ontkomen.
Het bewijs hiervan wordt ons geleverd door de archeologische vondsten uit oude gebieden. Bij de Ghassoelieten van vóór de vloed vond men gemetselde graven met versierselen en aardewerk, waarin men bij de begrafenis voedsel had gedaan. Voedsel voor de vertrekkende ziel! Op de plaats waar Eridoe heeft gelegen kwam men tot dezelfde ontdekking. Hun dieren waren eveneens onsterfelijk. Een bewijs hiervoor vormt het gemetselde graf van een jongen dat niet alleen de beenderen van hem en zijn hond bevat, maar eveneens een kom voedsel voor de jongen en een bot voor de hond!
DE MENSELIJKE ZIEL
Zo ontstond de leerstelling van de onsterfelijkheid der ziel, de ziel die ontsnapte en bleef bestaan. Deze ziel was de werkelijke mens, het innerlijk van iemand; het lichaam was meer het zichtbare omhulsel dat de ziel huisvestte gedurende zijn aardse reizen en tochten, maar dat afgelegd zou worden — evenals een vlinder zich van zijn cocon ontdoet — als de ziel naar de hemel zou zweven. Deze ziel was iets ondefinieerbaars, iets onstoffelijks.
De toeschouwer zal het vreemd toeschijnen dat het bewijsmateriaal voor dit geloof steeds bij volkeren is gevonden die Jehovah niet aanbaden; namelijk bij de beschaving van voor de vloed die ten onderging en na de vloed onder andere bij de Babyloniërs, de Egyptenaren, Assyriërs, Medo-Perzen, Grieken en de heidense Romeinen.
Nog vreemder is het echter, vooral voor hen die tot de christenheid behoren en aan wie deze leerstelling van de onsterfelijkheid wordt geleerd, welk een zuiver menselijk beeld het Boek der boeken van de ziel geeft. De bijbel zegt dat zielen geboren worden, zoals in het geval van Jakobs vrouw Lea, die ’dezen aan Jakob baarde: zestien zielen.’ — Gen. 46:18.
De bijbel zegt dat Jehovah de eerste mens schiep, en dat deze zich niet geleidelijk aan heeft ontwikkeld. Het is geen onstoffelijk, een niet nader te omschrijven iets in de mens, neen, de ziel wordt duidelijk omschreven als een samenvoeging van het stoffelijke lichaam en de levensadem. Als de mens sterft herhaalt dit proces zich maar nu in omgekeerde volgorde, „dan keert het stof terug tot de aarde evenals het geweest is en de geest [de levenskracht] keert tot De [ware] God, die hem heeft gegeven” (Gen. 2:7; Pred. 12:7). Blijft iemand bewust bestaan door dit ontsnappen van de „ziel”? Of is deze tot God terugkerende „geest” een bewustzijn bezittend iets? Neen, want wanneer men sterft „gaat zijn adem uit, keert hij terug naar zijn grond; op die dag vergaan zijn gedachten.” Hij keert tot het niets terug. — Ps. 146:4, voetnoot.
Tussen de geboorte en de dood verricht de ziel voor een, naar men veronderstelt hemels en goddelijk iets, wonderbaarlijke handelingen. Ze bevat bloed, heeft honger, eet vlees, druiven en honingraat. Ze kan met het zwaard bedreigd en door een leeuw verscheurd worden (Gen. 9:5; Deut. 12:20; 23:24; Spr. 27:7; Ps. 22:20, vs. 21, SV; 7:2, vs. 3, SV). Ja, de ziel is inderdaad menselijk; het menselijke schepsel is de ziel en wanneer hij sterft, sterft de ziel en dus alles. — Ezech. 18:4, 20.
„Maar”, zal iemand opmerken, „het dode lichaam dat er overblijft als iemand sterft, dat levenloze omhulsel, kan onmogelijk het enige zijn wat er van een ziel overblijft. Het leven is verdwenen en eveneens het bewustzijn en het gevoel. Er móet een „ziel” zijn die het dode lichaam verlaat en ergens voortbestaat.” O, maar de Nederlandse Statenvertaling spreekt in Haggaï 2:14 over een „dood lichaam,” maar op een andere plaats wordt hetzelfde Hebreeuwse grondwoord nephesh met „ziel” vertaald. Daarom is het dode lichaam in schriftuurlijke taal een dode ziel, zoals uit Numeri 6:6 blijkt. Vindt u dat een onjuist woordgebruik? Toch is het dat beslist niet! Spreken we niet van een lijk als zijnde een „dood mens,” ofschoon er slechts een gedeelte van datgene wat het tot een mens maakt aanwezig is? Een levende mens is een levende ziel; een dode mens is een dode ziel.
Is het moeilijk aan te nemen dat wanneer iemand komt te sterven er niet iets overblijft wat ergens anders doorleeft? Vraagt u zich nog steeds af, „Waar blijft het leven?” Om u te helpen dit te begrijpen, willen wij de vraag stellen: „Wanneer men water ontbint in de elementen waterstof en zuurstof, waar blijft het water dan?” Een ander geval, als men aan een kaarsvlam zuurstof onttrekt waar blijft die vlam dan? Een ogenblik geleden vond het verbrandingsproces plaats door de kous en de zuurstof met elkaar in contact te brengen en er ontstond een vlam. Waar is die vlam nu gebleven? Het antwoord moet in beide gevallen luiden: „Nergens.” Men heeft zuurstof en waterstof nodig om water te maken; wanneer men deze elementen ontbindt, dan verdwijnt het water. Men heeft iets brandbaars en zuurstof nodig om een vlam te maken; haal echter één van beide weg en de vlam zal eveneens verdwijnen. Er is een lichaam nodig en de adem des levens om een ziel voort te brengen; scheidt men deze, dan zal de ziel ophouden te bestaan.
„Wat heeft het leven dan nog voor zin voor mij?” zult u zich nu ongetwijfeld afvragen. „Ik zal net als iedereen op een goede dag sterven. Als God me dan werkelijk zo heeft gemaakt, wat blijft er dan nog voor mij over? Welke toekomst is er voor mij weggelegd”
WELKE TOEKOMST IS ER VOOR DE ZIEL WEGGELEGD?
Bij de natiën, die Jehovah God en zijn Zoon Christus Jezus verwerpen heeft deze vraag geleid tot het ontstaan van de leerstelling van de onsterfelijke ziel. Zij die de reeds genoemde bijbelse beschrijving van de sterfelijke ziel hebben gegeven hadden echter een zekere hoop. Het staat vast dat de God die zijn eerste menselijke schepping de hoop gaf dat zij bij gebleken gehoorzaamheid eeuwig zouden leven liet deze getrouwe sterfelijke bijbelschrijvers niet zonder enige hoop achter.
De apostel Paulus geeft in hoofdstuk 11 van zijn Hebreeënbrief een overzicht van hen die getrouw waren. Op welsprekende wijze vertelt hij van hun geloofsoverwinningen. Waarom doorstonden zij alles zo getrouw? „Opdat zij een betere opstanding mochten verkrijgen” (Hebr. 11:32-35). Onze hoop ligt niet in onsterfelijkheid maar in de opstanding!
Zal een reeds ontbonden ziel een opstanding krijgen? Hoe dan en wat zal er opgewekt worden? Wat zal er van getrouwe mensen overgebleven zijn die reeds eeuwen dood zijn? De enige benodigde factor voor een opstanding is de herinnering, en wel het grootste in het universum aanwezige herinneringsvermogen: Gods herinnering. De opzettelijke boosdoeners zijn voorgoed verdwenen en vergeten, maar door Jehovah’s geweldige herinneringsvermogen zijn getrouwe mannen als Abraham, Izak en Jakob „vanuit zijn standpunt in leven” (Spr. 10:7; Luk. 20:38). Weliswaar bestaan ze reeds lang niet meer als levende zielen; zij „zijn niet meer,” maar Jehovah is de God „die de doden levend maakt en de dingen die niet zijn, roept alsof ze waren.” — Rom. 4:17.
Getrouw zijn de levenspatronen op een onuitwisbare wijze tot in de kleinste details in de geest van die Ene bewaard, hij die iedereen persoonlijk kent, ook al zijn ze schijnbaar even ontelbaar als de sterren (Ps. 147:4). Of ze nu in hun graf liggen of waar ook maar, al deze getrouwen zijn in Jehovah’s onbeperkte herinnering. Bovendien ’komt het uur, dat allen in de herinneringsgraven zijn stem zullen horen, en zullen uitkomen’ (Joh. 5:28, 29). Hij die door middel van zijn onvergelijkelijke macht de eerste menselijke zielen schiep of vormde, kan eveneens getrouwe menselijke zielen tot het leven terugbrengen. Dat zal de opstanding zijn.
Dat is uiteindelijk dé wens van de mens, de juiste oplossing van zijn jarenlange zoeken, en het antwoord op zijn vraag: „Wanneer een mens sterft, zal hij dan weer leven?” (Job 14:14). „Ja,” antwoordt de bijbel „als hij vanwege zijn getrouwheid in Gods herinnering is bewaard.” Voor sommige mensen in deze kommervolle laatste dagen van deze oude wereld zullen nog grotere zegeningen weggelegd zijn, want hun valt het voorrecht ten deel het einde van deze wereld te overleven en nimmer te sterven, evenals Noach en zijn gezin in hun dagen. Baseer uw geloof en hoop niet op valse, heidense onsterfelijkheidsbeloften maar op de door God gegeven belofte die u door middel van zijn Woord hebt gezien.