Jehovah’s naam een sterke toren
IN VERBAND met de naam „Jehovah” valt de gehele mensheid ongeveer in drie groepen uiteen. De overgrote meerderheid weet niet dat Jehovah de naam is van de God van de bijbel, de Schepper van hemel en aarde. Dan zijn er van degenen die dit wel weten, maar betrekkelijk weinigen die beseffen hoe belangrijk de naam Jehovah of Jahwe is en dat die naam een plaats van veiligheid is: „Een sterke toren is Jahwe’s naam; de rechtschapene loopt er heen en is veilig.” Vraagt u zich af, hoe een naam een sterke toren kan zijn? — Spr. 18:10, LV.
Vanwege hetgeen Jehovah zich voorneemt te doen in verband met zijn naam. Wat dan wel? Hij is voornemens zijn naam voor het oog van de gehele schepping te rechtvaardigen door allen die deze naam tegenstaan en onteren, te verdelgen. Voor degenen die die naam thans eren en bekendmaken, zal die een sterke toren zijn, want Jehovah zal hen beschermen voor de gramschap hunner vijanden en hen beschutten wanneer hij zijn toorn jegens zijn vijanden tot uitdrukking brengt.
Dit wordt geïllustreerd door de wijze waarop Jehovah met Farao en de natie Israël handelde. Toen Mozes Farao zei de Israëlieten naar de woestijn te laten trekken om daar voor Jehovah een feest te vieren, smaalde die trotse monarch verachtelijk: „Wie is Jehovah, zodat ik zijn stem zou gehoorzamen om Israël weg te zenden?” Jehovah had Farao en zijn natie natuurlijk terstond kunnen verdelgen, maar dat verkoos hij niet. Waarom niet? Omdat, zoals hij Mozes Farao liet zeggen: „Hiertoe heb ik u juist laten bestaan, om u mijn macht te tonen en ten einde mijn naam op de gehele aarde te laten bekendmaken.” Tien plagen waren niet voldoende om Farao er van te overtuigen wie Jehovah was en daarom was Jehovah genoodzaakt Farao en zijn leger in de Rode Zee te vernietigen. Dat Jehovah’s voornemen hiermee gediend was, blijkt er wel uit dat jaren later de inwoners van Jericho en Gibeon, en zelfs eeuwen later in de dagen van richter Samuël de Filistijnen, weet hadden van Jehovah’s machtige daden tegen de Egyptenaren. — Ex. 5:2; 9:16, NW.
Die naam, welke vernietiging voor Farao en zijn leger betekende, hield redding in voor de Israëlieten. Wij lezen hierover: „Hij verloste hen om zijns naams wil, om zijn kracht bekend te maken.” In de allereerste plaats zei Jehovah dus tot hen: „Ik heb verkondigd, en Ik heb verlost, en Ik heb het doen horen, en geen vreemd god was onder ulieden; en gij zijt Mijn getuigen, spreekt de HERE [Jehovah], dat Ik God ben.” — Ps. 106:8, NBG; Jes. 43:12.
Evenmin was de naam Jehovah voor de Israëlieten slechts een sterke toren toen zij uit Egypte togen, maar zoals uit de Schrift duidelijk blijkt, ook nog vele malen daarna. Om zijns naams wil verdelgde Jehovah de Israëlieten niet om hun afgoderij en opstandigheid in de woestijn, gaf hij hun de overwinning op hun vijanden in het land Kanaän, gaf hij David de overwinning op Goliath, bevrijdde hij Hizkia en zijn volk van Sanheribs leger. Herhaaldelijk vraagt de psalmist om vergeving of bevrijding of gaf hij uitdrukking aan zijn vertrouwen op grond van Jehovah’s naam. Daarom bevrijdde Jehovah zijn volk uit de Babylonische gevangenschap.
Jehovah handelt thans evenzo met Christus’ volgelingen, de geestelijke Israëlieten en hun metgezellen. Evenzo wordt door de wijze waarop Jehovah toen met zijn vijanden afrekende, voorschaduwt hoe hij in de hedendaagse tijd de rekening met zijn vijanden zal vereffenen, en dat wel in de zeer nabije toekomst. Altijd deed en doet hij het om zijns naams wil.
Ja, men ziet meestal over het hoofd dat christenen getuigen van Jehovah moeten zijn; toch kon de Schrift niet in duidelijker bewoordingen hierover spreken. Gaf Jezus zijns Vaders naam niet de eerste plaats in zijn modelgebed: „Onze Vader in de hemelen, uw naam worde geheiligd”? Ja, dat deed hij. Maakte hij de naam van zijn Vader niet aan zijn volgelingen bekend? Ja, dat deed hij ook, want op de avond dat hij verraden zou worden, bad hij: „Ik heb u op de aarde verheerlijkt, aangezien ik het werk heb voleindigd dat gij mij hebt opgedragen. Ik heb uw naam geopenbaard aan de mensen die gij mij uit de wereld hebt gegeven. . . . Ik heb hun uw naam bekendgemaakt en zal hem bekendmaken.” — Matth. 6:9; Joh. 17:4, 6, 26, NW.
Christenen zijn als volgelingen van Christus eveneens verplicht Jehovah’s naam bekend te maken. Dáárom zijn zij juist christenen, zoals Jakobus, de discipel en halfbroer van Jezus aantoonde: „Simeon heeft nauwgezet verhaald hoe God voor de eerste maal zijn aandacht tot de natiën heeft gericht ten einde uit hen een volk voor zijn naam te nemen.” Vandaar dat de woorden van de profeet ook op hen van toepassing zijn: „Gij zijt Mijn getuigen, spreekt de HERE [Jehovah], dat Ik God ben.” — Hand. 15:14, NW; Jes. 43:12.
De hedendaagse wereldleiders op religieus en politiek terrein leggen dezelfde houding aan de dag als Farao uit vroeger tijden. Zij weigeren Jehovah als de rechtmatige universele Soeverein, Jezus Christus als de rechtmatige Koning der wereld en zijn koninkrijk als de enige hoop voor de mensheid te erkennen. In uitdaging aan Jehovah smeden zij hun eigen plannen en zij onderdrukken Jehovah’s volk dat zijn naam draagt. Daarom zal Jehovah wederom zijn vijanden om zijns naams wil in het stof doen bijten. — Psalm 2; Openb. 16:14, 16, NW.
Jehovah heeft thans wederom zijn getuigen die zijn naam en voornemens openbaar maken. Hierdoor wordt de vijand aangekondigd zich te bekeren of anders de vernietiging onder ogen te zien. Terzelfder tijd roepen zijn getuigen allen die rechtvaardigheid liefhebben, toe: „Zoekt Jahweh, gij nederigen der aarde, gij allen, die zijn wil volbrengt; zoekt gerechtigheid, zoekt nederigheid: misschien zijt gij veilig op de Dag van de gramschap van Jahweh.” Dat houdt dus in, dat wij Gods Woord moeten bestuderen met behulp van de door hem verschafte hulpmiddelen om er inzicht in te krijgen; tevens betekent het, overeenkomstig de verworven kennis te handelen, door geloof te oefenen, zich aan het doen van Jehovah’s wil op te dragen en daarna tot rijpheid voort te gaan. — Zef. 2:3, PC.
Allen die Jehovah’s naam aanvaarden, eren en aan anderen bekendmaken en er naar leven door zich juist te gedragen, zullen bescherming en redding verkrijgen. Werkelijk, „de naam van Jehovah is een sterke toren; de rechtvaardige snelt er in en is veilig.” — Spr. 18:10, AS.