Wereldlijke vooruitgang en geestelijke traagheid
DE ZADEN van geestelijke traagheid hebben de neiging te woekeren in het zonlicht van wereldlijke vooruitgang. Geen wonder dan dat deze huidige wereld technische kennis verward met wijsheid. Ze doet het voorkomen alsof wereldlijke vooruitgang of vorderingen op werelds gebied automatisch de intellectuele en geestelijke maatstaven hoger stellen. Het tegendeel is gewoonlijk waar. Wereldlijke vooruitgang heeft de woekergroei bevorderd van intellectuele onrijpheid en geestelijke traagheid, van een gebrek aan ware wijsheid en een vacuüm in geestelijke vitaliteit. Wereldlijke vooruitgang heeft de mensen misleidend doen geloven dat geluk en leven het gevolg zijn van de dingen welke zij bezitten. Terzelfder tijd heeft wereldlijke vooruitgang de mensen verblind voor de alomverbreide geestelijke traagheid, welke op haar beurt leidt tot gevaren die verreikende gevolgen met zich brengen.
Een van die gevaren werd kortgeleden beschreven door Dr. Arthur Clinton, directeur van het bureau tot wering van schoolverzuim van de stad New York, die verklaarde dat de luxe welke de wereldlijke vooruitgang met zich brengt, de ouders zo geheel in beslag neemt, dat zij de neiging hebben het geestelijke leven van hun kinderen te verwaarlozen, hetwelk tot een noodlottig gevolg leidt: jeugd-criminaliteit. Dit komt omdat een in geestelijk opzicht traag tehuis, aldus Dr. Clinton, een even grote voedingsbodem voor misdadigheid is als een tehuis dat in letterlijk opzicht verscheurd is door echtscheiding.
Het hoofd van de Federale Recherche der Verenigde Staten, J. Edgar Hoover, is het hiermede eens. Uit een dertigjarige ervaring sprekend, zeide hij: „Analyseert men de redenen tot criminele daden dan vallen zekere feiten onveranderlijk in het oog, naakt en onverbloemd — het geloof onzer vaderen, de liefde voor God en het nakomen van Zijn Geboden zijn óf overboord geworpen óf ze hebben nimmer in het hart van de overtreder bestaan. Wil onze natie stand houden, dan moet de wereldse wijze van denken plaats maken voor de geestelijke. Wat wij in dit land het meest behoeven, zijn de dingen die men niet kan zien . . . geestelijke ontwikkeling, morele kracht.”
In de Altoona (Pennsylvanië) Tribune van 25 maart 1955 werden die woorden van het F.B.I.-hoofd Hoover geciteerd, waarna het hoofdartikel van het nieuwsblad vervolgde: „Kortom, als volk zijn wij eenvoudig onwetend in aangelegenheden die de geest betreffen. Wij zijn daarin niet bekwaam. Wij weten niet hoe wij ze moeten aanpakken! Wij erkennen dat het geestelijke van levensbelang is, getuige het grote en toenemende ledental der kerken in dit land. Oppervlakkig aanvaarden wij misschien bepaalde religieuze voorschriften en brengen ze in praktijk. Maar hoe erbarmelijk is het geheel van onze geestelijke kennis en ontwikkeling vergeleken met onze wereldlijke vooruitgang!”
Wanneer geestelijke traagheid, gevoed en gecamoufleerd door wereldlijke vooruitgang, gevaarlijk is voor kinderen, is ze dodelijk voor volwassenen. Toch is thans het hoogste doel in het leven van tienduizenden mensen het bereiken van financiële zekerheid. Anderen maken van hun leven een vergeefse jacht naar het geluk dat komt met het hebben van bezittingen. Wanneer in een natie vele materiële goederen worden voortgebracht, zijn er slechts enkelen die zich kunnen verheffen boven de geestelijk lege toestand van een natie van koopzieke mensen. Sluwe reclame doet de moderne mens geloven dat de hoogste deugden het nastreven van genoegens en materiële bezittingen zijn. De reclame schept een land van belofte dat verkregen kan worden door op zijn qui vive te zijn bij het doen van inkopen en prompt te voldoen bij het kopen op afbetaling. En aldus spoedt de moderne mens zich met genoegen voort naar zijn doel, een hersenschimmig Utopia van gestroomlijnde plastic-schoonheid waarin de mens zich niet meer behoeft in te spannen, behalve de krachtsinspanningen die noodzakelijk zijn om gebruik te kunnen maken van de schitterende nieuwe mechanische volmaaktheden.
Een begoocheling is het, dit geloof dat bezittingen en de zegen van financiële zekerheid meer dan genoeg compensatie geven voor de geestelijke verliezen. Vele personen laten de begoocheling uitgroeien tot een Frankensteins monster dat geheel het geestelijk leven vernietigt; anderen laten hun leven er door beheersen, totdat zij zo ver zijn dat zij denken dat echt leven betekent dat men gelijke tred moet houden met zijn naasten wat het hebben van bezittingen betreft, en dat de ouders de plicht hebben hun kinderen te beschermen, niet voor het gevaar van geestelijke traagheid, maar voor het minderwaardigheidsgevoel dat stellig zal optreden wanneer hun zelfzuchtig de nieuwste bromfiets wordt onthouden. Een dodelijke begoocheling is het. Velen zullen dit pas ontdekken wanneer het al te laat is.
De Stichter van het christendom onderwees volstrekt niet dat bezittingen geestelijke verrijking, geluk of leven brachten. Hij onderwees veeleer dat, tenzij men Gods koninkrijk op de eerste plaats stelt, bezittingen tot verlies van het leven kunnen leiden, dat men er de hoop op eeuwig leven in Gods nieuwe wereld door verspeelt. Jezus’ waarschuwing is dus met beschermende kracht op deze tijd van toepassing, nu wereldlijke vooruitgang de groei van geestelijke traagheid aanmoedigt: „Wacht u en weest op uw hoede voor elke soort van begerigheid, want ook al heeft een persoon in overvloed, zijn leven spruit niet voort uit datgene wat hij bezit.” — Luk. 12:15, NW.