Vragen van lezers
● In Exodus 6:2 3 vertelde God aan Mozes dat hij aan Abraham niet bekend was met de naam Jehovah, hoewel God zich in Genesis 15:7, 8 aan Abraham identificeert als Jehovah en Abraham hem bij die naam noemt. Hoe is dit te verklaren? — J.M., Engeland.
De Hebreeuwse uitdrukking in Exodus 6:2 3, waarover de vraag handelt, kan op twee manieren worden weergegeven, namelijk, als een verklaring of als een vraag. Gewoonlijk wordt ze als een verklaring weergegeven zoals dit in de Van der Palm-vertaling is gedaan: „Bij mijnen naam JEHOVA ben Ik hun niet bekend geweest.” Berry’s interlineaire vertaling geeft de uitdrukking weer als een vraag: „Maakte ik mij niet met mijn naam Jehovah aan hen bekend?” De weergave in de voetnoot van de New World Translation erkent deze mogelijkheid door te zeggen: „Wat mijn naam Jehovah betreft, heb ik mij niet aan hen bekendgemaakt?” Deze weergave in de vragende vorm ruimt natuurlijk onmiddellijk alle moeilijkheden uit de weg. Het is echter eerder de uitzonderlijke dan de gewoonlijke weergave, en in de tekst zelf houdt de New World Translation vast aan de algemeen aanvaarde vorm. Het zal nuttig zijn Exodus 6:1-8 (NW) te lezen (in de Statenvertaling hoofdstuk 5:24 en 6:1-7):
„Daarom zeide Jehovah tot Mozes: ’Nu zult gij zien wat ik Farao zal doen, want wegens een sterke hand zal hij hen wegzenden en wegens een sterke hand zal hij hen uit zijn land drijven!’ En God ging voort tot Mozes te spreken en zeide tot hem: ’Ik ben Jehovah. En ik placht aan Abraham, Izak en Jakob te verschijnen als God Almachtig, maar wat mijn naam Jehovah betreft, ik heb mij niet aan hen bekendgemaakt. En ik richtte met hen ook mijn verbond op om hen het land Kanaän te geven, het land van hun tijdelijke woonplaats waar zij tijdelijk hebben gewoond. En ik, ja ik, heb het zuchten van de zonen van Israël gehoord, die door de Egyptenaren in slavernij werden gehouden, en ik ga er toe over mijn verbond te gedenken. Zeg daarom tot de zonen van Israël: „Ik ben Jehovah, en ik zal u stellig onder de lasten der Egyptenaren vandaan halen en u van hun slavernij bevrijden, en ik zal u inderdaad met een uitgestrekte arm en met grote oordelen opeisen. En ik zal u stellig als een volk tot mij nemen en ik zal werkelijk bewijzen dat ik God voor u ben en gij zult stellig weten dat ik Jehovah ben, uw God, die u onder de lasten van Egypte vandaan haal. En ik zal u stellig in het land brengen waarover ik mijn hand als een eed heb opgeheven het aan Abraham, Izak en Jakob te geven, en ik zal het inderdaad aan u geven als iets om te bezitten. Ik ben Jehovah.”’”
De naam „Jehovah” is de oorzakelijke vorm van de derde persoon enkelvoud van het werkwoord „zijn” en betekent letterlijk „Hij veroorzaakt te zijn” of „Hij doet zijn.” Hij „veroorzaakt te zijn” of „doet zijn” overeenkomstig zijn voornemen. Het was zeer passend dat bij deze gelegenheid de naam duidelijk onder de aandacht van Mozes werd gebracht, want Jehovah begon zijn voornemen met betrekking tot zijn volk in Egypte, in vervulling te doen gaan. Vierhonderd en dertig jaren tevoren had hij Abraham beloofd dat hij van hem een grote natie zou maken (Gen. 12:2). Daarna vertelde God aan Abraham dat zijn zaad als slaven in een vreemd land onderdrukt zou worden maar dat zij bevrijd zouden worden en in het beloofde land Kanaän gevestigd zouden worden (Gen. 15:7, 13-16). Deze beloften werden overgebracht op Izak en Jakob, maar bij geen van hen deed Jehovah de beloften verwezenlijkt worden. Zij kenden de letterlijke naam Jehovah en gebruikten hem, maar zij kwamen niet tot de kennis of ondervinding dat hij de Ene is die deze beloften in vervulling deed gaan.
In de tijd van Mozes nu leden de Israëlieten daarginds in Egypte, en in hun bezoeking hebben de Hebreeërs wellicht uitgeroepen: ’Waar is Jehovah, de God van onze voorvaders Abraham, Izak en Jakob? Zie naar onze treurige toestand. Wat heeft hij gedaan? Waarom maakt hij zich niet aan ons bekend? Waarom heeft hij deze beloften en verbonden van hem geen werkelijkheid doen worden?’ Welnu, gedurende vierhonderd en dertig jaren waren deze beloften hangende geweest, en het was de tijd waarin ze in vervulling zouden beginnen te gaan. Daarom herinnerde God Mozes aan de naam Jehovah, en herinnerde hem er aan dat hij Israël nu de toepassing van zijn naam, „Hij veroorzaakt te zijn” of „Hij doet zijn,” zou tonen. Hij zou demonstreren dat hij getrouw is aan de betekenis van zijn naam. Hij zou overeenkomstig de betekenis er van leven door de beloften die hij aan Abraham, Izak en Jakob had gedaan, in vervulling te doen gaan. De Hebreeërs zouden Jehovah kennen op een wijze zoals hun voorvaders hem niet hadden gekend, dat wil zeggen, door een werkelijke demonstratie in overeenstemming met de betekenis van de naam. Hij zou hen als natie uit Egypte bevrijden, waardoor hij aldus zijn belofte uit de oudheid in vervulling zou doen gaan. Hoewel Israël zich wellicht in de steek gelaten heeft gevoeld en God vrijwel had opgehouden te zijn, werd Mozes gezegd hun te vertellen dat hij was gezonden door „IK ZAL BEWIJZEN TE ZIJN.” En door zijn machtige werken en bevrijdingen bewees Jehovah de Bevrijder te zijn en degene die zijn voornemens ten aanzien van zijn volk Israël, in vervulling deed gaan. — Ex. 3:14, NW; 2 Sam. 7:23, AS.
Evenals de Hebreeërs in Egypte Jehovah leerden kennen op een wijze zoals hij nog nooit aan hun voorvaders bekend was geweest, leerden Farao en de Egyptenaren hem kennen. Stellig moeten zij de letterlijke naam van de God der Hebreeërs hebben gekend, die gedurende tweehonderd en vijftien jaren in hun midden was geweest. Niettegenstaande dat was Farao woedend en zeide: „Wie is Jehovah, zodat ik zijn stem zou gehoorzamen om Israël weg te zenden? Ik ken Jehovah in het geheel niet en bovendien zal ik Israël niet wegzenden” (Ex. 5:2, NW). Later zeide God: „De Egyptenaren zullen stellig weten dat ik Jehovah ben als ik mijn hand tegen Egypte uitstrek” (Ex. 7:5, NW). Ofschoon Farao en de Egyptenaren zijn naam kenden, kenden zij Jehovah niet als een God van actie, en erkenden hem niet als iemand die werkelijk machtig of van enig belang was en met wie zij rekening dienden te houden. Maar toen hij handelend optrad tegen hen, kenden zij hem op een wijze waarop hij hun vóór die tijd onbekend was geweest, evenals de Hebreeërs hem leerden kennen op een wijze waarop hun voorvaders Abraham, Izak en Jakob hem niet hadden gekend of meegemaakt. Tegenwoordig kennen de trotse heersers van deze wereld de letterlijke naam Jehovah, maar evenals Farao en de Egyptenaren van vroeger, weigeren zij hem te erkennen als iemand die van enig belang is. Te Armageddon zullen zij echter weten dat hij Jehovah is. Meer dan zestig keren vertelde Ezechiël het afvallige Israël en andere natiën, dat zij Jehovah zouden kennen. Zij kenden stellig de letterlijke naam. Ezechiëls toenmalige waarschuwing heeft betrekking op de Christenheid en de andere natiën van tegenwoordig. Toen Jezus op aarde was, zeide hij tot Jehovah: „Ik heb uw naam geopenbaard aan de mensen die gij mij uit de wereld hebt gegeven.” Dit was gelijk de zending van Mozes, toen hij Gods naam, Jehovah, ging bekendmaken aan de onderdrukte Hebreeërs in Egypte. Wanneer Christus te Armageddon toeslaat, zal hij Jehovah’s naam wederom bekendmaken, op een wijze die allen er van zal overtuigen dat Jehovah een God is die „veroorzaakt te zijn” of „doet zijn” in overeenstemming met zijn voornemens. — Ezech. 6:7, 10, 13, 14; Joh. 17:6, NW.
Beschouw tot besluit een menselijke illustratie. Een man kan als een strijder bekendstaan. Hij kan zelfs een strijder worden genoemd. Toch kan hij u erg vreedzaam toeschijnen. Gij hebt hem niet zien strijden. Dan jaren later ziet gij dat hij tot toorn wordt verwekt door een kwade daad en hij komt in actie, strijdend voor recht. Evenals anderen rondom u, hebt gij hem voordien wellicht een strijder genoemd, maar nu ziet gij hem werkelijk voor de eerste keer op een machtige wijze als een strijder. Gij ziet dat hij deze naam op zichzelf van toepassing brengt, die naam demonstreert en overeenkomstig die naam leeft. Nu kent gij hem op een wijze waarop gij hem voordien nog nooit hadt gekend. Zo heeft Jehovah God vele hoedanigheden welke door titels te kennen worden gegeven en deze hoedanigheden werden aan Abraham, Izak en Jakob gedemonstreerd. Zij kenden eveneens de naam Jehovah, maar zij hebben de diepe betekenis er van nooit zo gedemonstreerd gezien als hun nakomelingen dit hebben gezien toen hij Israël uit Egypte bevrijdde als een vervulling van het beloofde voornemen met betrekking tot hun nakomelingen. De bevrijde natie kende Jehovah werkelijk als een God die „veroorzaakt te zijn” of „doet zijn.”