Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w53 15/4 blz. 115-117
  • Uw beslissing nemen

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Uw beslissing nemen
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1953
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • DE BESLISSING IN VROEGERE TIJDEN
  • TEGENWOORDIG ONZE BESLISSING NEMEN
  • Een volk met een voornemen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1954
  • Het doel van uw getuigenisgeven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1954
  • De verzekering gevende geschiedenis van het zich opdragen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1955
  • „Dit goede nieuws van het koninkrijk”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1955
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1953
w53 15/4 blz. 115-117

Uw beslissing nemen

TELKENS weer hebben religieuze mensen die het goed bedoelen, het er over dat God „tracht de wereld te bekeren”. Om God hierbij te helpen, interesseren zij zich onder andere voor zending in eigen gebied en in vreemde gebieden. Wanneer wij echter oordelen naar de vorderingen die in de afgelopen eeuw zijn gemaakt, wordt het duidelijk dat hun doel de wereld te bekeren, nimmer zal worden verwezenlijkt, want niet alleen dat de zogenaamde „niet-Christelijke” bevolking zich in die tijd heeft verdubbeld, maar zelfs wat beweert Christelijk te zijn, is verder dan ooit van het werkelijk Christelijk zijn verwijderd. Het is duidelijk dat er ergens een fout moet schuilen.

Laten wij in de eerste plaats opmerken dat God niet iets tracht te doen. Hij gebiedt en het wordt gedaan. Hij zeide: „Er zij licht; en er was licht” (Gen. 1:3, NBG). Wat hij zich ook voorneemt, volbrengt hij: „Ik heb het gesproken, en ik zal het doen geschieden; ik heb het mij voorgenomen, en ik zal het doen” (Jes. 46:11, AT). Het is dus zeer duidelijk dat Gods voornemen niet inhoudt dat zijn dienstknechten de wereld bekeren want anders zou dat doel niet steeds verder van de verwezenlijking er van af geraken.

Maar heeft Jezus zijn volgelingen niet geboden discipelen uit alle natiën te maken en heeft hij het niet voorzegd dat het goede nieuws van het Koninkrijk in de gehele wereld zou worden gepredikt? Dat is zo, maar merk op dat hij niet heeft geboden alle natiën te bekeren maar dat hij gebood ’discipelen te maken van mensen uit alle natiën’. Ook luidde het gebod het goede nieuws van het Koninkrijk in alle natiën „tot een getuigenis” te prediken, niet met het doel hen alle te bekeren. De feiten tonen dat deze geboden worden vervuld; uit alle natiën worden discipelen gemaakt en het getuigenis wordt in de gehele wereld gegeven. — Matth. 24:14; 28:19, 20, NW.

Dat Jezus niet verwachtte dat zijn discipelen de wereld zouden bekeren, blijkt duidelijk uit zijn eigen woorden zoals ze in Lukas 18:8 (NW) staan opgetekend: „Wanneer de Zoon des mensen komt, zal hij dan werkelijk dit geloof op aarde vinden?” Merk eveneens zijn profetie op: „Evenals de dagen van Noach waren, zo zal de tegenwoordigheid van de Zoon des mensen zijn.” Stellig werd de wereld in Noachs tijd niet tot God bekeerd in weerwil van de wonderbaarlijke tentoonspreiding van geloof van de zijde van Noach doordat hij de ark bouwde en voor de zondvloed waarschuwde. — Matth. 24:37; Hebr. 11:7; 2 Petr. 2:5, NW.

De misvatting als zou God trachten de wereld te bekeren, is gebaseerd op het feit dat men in gebreke blijft te beseffen dat Jehovah’s voornaamste doel is zijn oppermacht en naam te rechtvaardigen en dat de redding van schepselen hoogstens op de tweede plaats komt. Jehovah bevrijdde de Israëlieten uit Egypte, zo vertelt hij ons, om voor zichzelf een naam te maken; om dezelfde reden bevrijdde hij hen uit Babylon en herstelde hij hen in Palestina: „Zo zegt de Heer Jehovah: Ik doe dit niet om uwentwil, o huis Israëls, maar ter wille van mijn heilige naam.” — 2 Sam. 7:23; Ezech. 36:22, AS.

Jehovah God heeft de nietige mens niet nodig voor het ten uitvoer brengen van zijn voornemens. Het is beneden zijn waardigheid en positie om enig schepsel door vleien of door dwang er toe te brengen hem te aanbidden. Hij neemt noch zijn toevlucht tot dreigementen met kwelling na de dood noch tot lichamelijk leed in dit leven; dit niettegenstaande de leringen van de Islam, de Rooms-Katholieke Hiërarchie en vele anderen, die precies het tegenovergestelde leren. Hij is een God van liefde en doet daarom een beroep op liefde in zijn schepselen (Jer. 19:5; Rom. 2:4, NW). Hij schenkt hun zijn zegeningen en stelt hen er dan van in kennis op welke voorwaarden zij deze kunnen behouden en zelfs meer zegeningen kunnen verkrijgen. Op hun schouders rust dan de verantwoordelijkheid een beslissing te nemen, namelijk, Gods gunstbewijzen op zijn voorwaarden te aanvaarden of deze te verwerpen en alle gunst te verliezen.

DE BESLISSING IN VROEGERE TIJDEN

Beschouw onze eerste ouders eens. Zij verheugden zich in het bezit van leven, het recht daarop en vele andere zegeningen en vooruitzichten. Om hun waardering op de proef te stellen, maakte God het genieten van deze zegeningen afhankelijk van gehoorzaamheid aan een eenvoudig gebod: enkel niet te eten van de vruchten van een bepaalde boom. Indien God alleen belangstelling zou hebben gehad voor de redding van schepselen, indien hij een God zou zijn geweest die zou „trachten de wereld te bekeren”, dan zou hij niet hebben toegelaten dat Eva werd verzocht. Maar hij liet het wel toe. En toen de misleider in de gedaante van een slang Eva verzocht, moest zij een beslissing nemen — òf God gehoorzamen òf op het voorstel van de misleider ingaan. Wegens gebrek aan waardering, gebrek aan liefde en gebrek aan geloof nam Eva de verkeerde beslissing. En toen zij Adam de vrucht aanbood, moest ook hij een beslissing nemen, te eten of niet te eten. Hij deed eveneens de verkeerde keus, en derhalve keerden beiden ten slotte naar de grond terug waaruit zij waren genomen. De gehele mensheid heeft nu ongeveer zes duizend jaren lang de gevolgen van die verkeerde beslissing gevoeld (Gen. 3:19; Rom. 5:12). Sedertdien heeft God het steeds aan de mens overgelaten, te kiezen tussen de twee wegen, de juiste weg en de verkeerde weg. — Matth. 7:13, 14.

Jehovah’s betrekkingen met de kinderen Israëls hebben herhaaldelijk deze wijze van handelen met zijn schepselen aangetoond. Nadat de Israëlieten bij de berg Sinaï uit vrije wil openlijk hadden verklaard Jehovah te willen dienen, kwamen zij telkens en telkens weer in opstand en werden derhalve in de woestijn neergeveld (Ex. 19:5-8; 1 Kor. 10:5, NW). Toen Gods tijd aanbrak dat zij het Beloofde Land zouden binnentreden, was er een nieuwe generatie opgegroeid en daarom sprak Mozes er met hen over dat zij een beslissing moesten nemen: „Ik roep heden de hemel en de aarde tegen u tot getuigen dat ik u het leven en de dood heb voorgesteld, de zegen en de vloek; kies daarom het leven, opdat gij en uw afstammelingen mogen leven, door de HERE, uw God, lief te hebben, door zijn bevelen ter harte te nemen, en door hem aan te hangen; want dat zal leven voor u betekenen.” — Deut. 30:19, 20, AT.

Op deze aangelegenheid van het nemen van een beslissing werd ongeveer twintig jaar nadat de Israëlieten het land Kanaän waren binnengegaan, door Jozua in het bijzonder de nadruk gelegd. Daar hij wist dat hij spoedig zou sterven, riep hij alle stammen Israëls bij elkaar en vroeg hun ronduit wie zij wilden dienen. Nadat Jozua had verhaald over de wijze waarop Jehovah met Abraham en zijn nakomelingen tot op hun tijd had gehandeld, zeide hij vervolgens:

„Vreest dan den HERE [Jehovah] en dient Hem oprecht en getrouw; doet weg de goden die uw vaderen gediend hebben aan de overzijde der Rivier en in Egypte, en dient den HERE [Jehovah]. Maar indien het kwaad is in uw ogen, den HERE [Jehovah] te dienen, kiest dan heden, wien gij dienen zult: òf de goden die uw vaderen aan de overzijde der Rivier gediend hebben, òf de goden der Amorieten, in wier land gij woont. Maar ik en mijn huis, wij zullen den HERE [Jehovah] dienen!” Nadat het volk een verslag had gehoord van de wijze waarop Jehovah met hen en hun vaderen had gehandeld, en zij Jozua’s krachtige besluit hadden gehoord Jehovah te dienen, antwoordde het volk: „Het zij verre van ons, den HERE [Jehovah] te verlaten en andere goden te dienen. Want de HERE [Jehovah] is onze God. Hij is het, die ons en onze vaderen uit het land Egypte heeft gevoerd, uit het diensthuis en die voor onze eigen ogen deze grote tekenen gedaan heeft, en ons behoed heeft op heel den weg dien wij gingen, en onder alle volken door wier midden wij trokken. De HERE [Jehovah] dreef alle volken . . . voor ons uit. Ook wij zullen den HERE [Jehovah] dienen, want Hij is onze God.”

Maar Jozua beproefde hen om te zien of zij het werkelijk meenden, en zeide: „Gij zult niet in staat zijn den HERE [Jehovah] te dienen, want Hij is een heilig God. Hij is een naijverig God. Hij zal uw overtreding en uw zonden niet vergeven. Wanneer gij den HERE [Jehovah] verlaat en vreemde goden dient, dan zal Hij Zich omwenden, u kwaad doen en verdelgen, nadat Hij u heeft welgedaan.” Maar het volk bleef bij zijn beslissing: „Neen, maar den HERE [Jehovah] zullen wij dienen. Daarop zeide Jozua tot het volk: Gij zijt getuigen tegen uzelf, dat gij u den HERE [Jehovah] verkoren hebt, om Hem te dienen. Toen zeiden zij: Wij zijn getuigen!” — Joz. 24:14-22, NBG.

Toen Christus Jezus voor Pilatus terechtstond, moesten de Israëlieten wederom een beslissing nemen, tussen de Duivel, die werd vertegenwoordigd door Caesar, en Jehovah God, die door zijn Zoon werd vertegenwoordigd. Zij namen bij die gelegenheid de verkeerde beslissing en schreeuwden: „Wij hebben geen koning dan Caesar” (Joh. 19:15, NW). Zij ondergingen de vreselijke gevolgen van die verkeerde beslissing toen zij in 70 n. Chr. door Caesar volledig werden vernietigd.

TEGENWOORDIG ONZE BESLISSING NEMEN

Bijbelprofetieën tonen aan dat Christus voor de tweede maal tegenwoordig is, dat hij op zijn troon is geplaatst en dat hij thans temidden van zijn vijanden heerst (Ps. 110:1-3; Mattheüs, hoofdstuk 24; Openb. 11:15-18). Door middel van de prediking van het goede nieuws van het Koninkrijk en de bekendmaking van de naam van Jehovah, wordt de strijdvraag wederom ondubbelzinnig onder de aandacht van de mensen gebracht en wederom moeten zij hun beslissing nemen: hetzij voor Jehovah’s koninkrijk onder Christus Jezus of voor de regeringen van deze oude wereld onder de heerschappij van Satan de Duivel (Matth. 4:8, 9; 2 Kor. 4:4, NW). „Nu dan, gij koningen, weest verstandig, laat u gezeggen [wordt onderricht], gij richters der aarde. Dient den HERE [Jehovah] met vreze en verheugt u met beving. Kust den zoon, opdat hij niet toorne en gij onderweg niet te gronde gaat, . . . Welzalig [Gezegend] allen die bij Hem schuilen!” — Ps. 2:10-12, NBG; AS.

De verstandigen zullen zich gewillig laten onderrichten. Zij aanvaarden het getuigenis der rede: zij zien een wonderbaarlijk ordelijk universum om zich heen, hetwelk een welsprekend getuigenis aflegt dat God werkelijk bestaat (Rom. 1:20, NW). Zij onderzoeken de Bijbel en leren dat het getuigenis er van overvloedig wordt bevestigd door het bewijsmateriaal van de geologie en de archeologie. Zij bemerken dat de Bijbel vol staat met profetieën, waarvan er vele met opmerkelijke nauwkeurigheid in vervulling zijn gegaan. Alleen God zou dit kunnen doen. — Jes. 41:22, 23.

Uit de Bijbel leren zij dat Gods oorspronkelijke voornemen voor de mens en de aarde was, een paradijs te hebben dat zou zijn gevuld met volmaakte menselijke schepselen die met elkander in harmonie zouden leven en hun Schepper zouden aanbidden en dat, aangezien Jehovah God alvermogend is, dat voornemen verwezenlijkt zal worden (Gen. 1:26-28; Jes. 55:11). Ook komen zij te weten dat het thans een oordeelsdag is en dat iedereen een merkteken ontvangt, òf het merkteken van het beest òf het merkteken dat Jehovah’s dienstknechten plaatsen op hen die zuchten en uitroepen over de gruwelen die zij in het land zien bedrijven. — Ezech. 9:4; Openb. 13:15-17; 14:9, 10.

Gij als enkeling kunt er niet aan ontkomen, te worden gekentekend. Gij kunt het niet vermijden een beslissing te moeten nemen. „Hij die niet aan mijn zijde staat, is tegen mij, en hij die niet met mij vergadert, verstrooit” (Luk. 11:23, NW). Welke weg zult gij beslissen te bewandelen? Zult gij kiezen Jehovah God te dienen en op de rechte, verstandige, gehoorzame, liefdevolle weg te wandelen, de weg van waardering en dankbaarheid, welke ofschoon hij thans smal is en een nauwe poort heeft, naar het leven leidt, of wilt gij de weg van de minste weerstand bewandelen, de zelfzuchtige, gemakkelijke brede weg die naar de vernietiging leidt?

Gij kent de feiten; gij kunt, ja, gij moet aan de hand van deze feiten redeneren en dan tot een gevolgtrekking komen. En wat dan? Indien gij een verstandige keuze hebt gedaan, moet gij uw beslissing kracht bijzetten door een consequente handelwijze. „Geloof, indien het geen werken heeft, [is] in zichzelf dood” (Jak. 2:17, NW). Wat voor werken? De werken die in Gods Woord worden uiteengezet en in het bijzonder zoals ze door Jezus’ woorden en voorbeeld werden getoond. Dit betekent zichzelf aan God op te dragen net zoals Jezus heeft gedaan aan de Jordaan toen hij zeide: „Zie! hier ben ik (in de rol des boeks staat over mij geschreven) om uw wil te doen, o God.” — Hebr. 10:7, NW.

En wanneer gij u zelf hebt opgedragen, is een van de eerste dingen die gij zult moeten doen, in het openbaar uitdrukking geven aan die opdracht door te worden gedoopt zoals Jezus zijn discipelen gebood: „Gaat daarom en maakt discipelen van mensen uit alle natiën, hen dopende” (Matth. 28:19, NW). Maar zegt gij dat gij als kind werdt gedoopt? Maar werdt gij dat werkelijk? Het woord dopen komt van een overeenkomstig Grieks woord hetwelk in werkelijkheid betekent onderdompelen of onder het water dompelen, en daarom zien wij dat zowel Johannes de Doper als Jezus’ discipelen hen die geloofden, volledig onderdompelden. — Joh. 3:23.

In water ondergedompeld worden illustreert dat wij zijn gestorven wat betreft het doen van onze eigen wil en levend zijn gemaakt met betrekking tot het doen van Gods wil. Wanneer wij ons zelf aan het doen van Gods wil hebben opgedragen, is het zeer passend dat wij voor getuigen een openbare bekendmaking doen van dit feit. Kleine kinderen zouden dit niet voor zichzelf kunnen doen. Wanneer wij ondergedompeld zijn, worden wij er ook levendig aan herinnerd dat wij ons zelf hebben opgedragen, hetgeen ons zal helpen overeenkomstig onze geloften te leven.

Gods wil voor Christenen bestaat hoofdzakelijk uit het doen van drie onderscheiden dingen. Het eerste van alles betekent het een studie van Gods Woord en van de Bijbelse hulpmiddelen die ons helpen dat Woord te begrijpen opdat wij steeds meer bekend worden met God en zijn voornemens zodat wij verstandelijk met hem kunnen samenwerken (2 Kor. 6:1). Ten tweede betekent het onze lippen te gebruiken ten einde Jehovah God te eren en mensen van goede wil te vertroosten, want, wij als Christenen moeten hetzelfde levensdoel hebben als Christus Jezus, en hij zeide betreffende zijn eigen voornemen: „Hiertoe ben ik geboren en hiertoe ben ik in de wereld gekomen, dat ik van de waarheid getuigenis zou afleggen.” — Joh. 18:37; 2 Kor. 1:4; Hebr. 13:15; 1 Petr. 2:9, NW.

En ten derde moeten wij vorderingen maken op de weg der rechtvaardigheid. Wij moeten consequent zijn; wij moeten niet alleen liefde hebben voor Jehovah God, waarheid en rechtvaardigheid, en voor onze naaste, maar eveneens haten wat goddeloos en zelfzuchtig is. Wij moeten ons rein bewaren van de goddeloze wereld en haar praktijken. — Jes. 52:11; Hebr. 1:9; Jak. 1:27, NW.

Wij zien dus dat God, verre van te trachten de wereld te bekeren, zijn schepselen de gelegenheid geeft te kiezen en daarna de consequenties te aanvaarden. Wanneer wij de juiste beslissing hebben genomen, moeten wij er, indien wij in Gods voornemen voor de aarde en de mens een aandeel willen hebben, een consequente handelwijze op doen volgen.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen