Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w53 15/1 blz. 19-20
  • Pogingen om de Bijbel te ondermijnen

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Pogingen om de Bijbel te ondermijnen
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1953
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • DE ARCHEOLOGIE LOOCHENT EVOLUTIE
  • Meningsverschillen over evolutie — Waarom?
    Leven — Hoe is het ontstaan? Door evolutie of door schepping?
  • Waarom aanvaarden velen evolutie?
    Leven — Hoe is het ontstaan? Door evolutie of door schepping?
  • Ben ik verplicht in evolutie te geloven?
    Ontwaakt! 1975
  • Gelooft u in evolutie of in schepping?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1971
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1953
w53 15/1 blz. 19-20

Pogingen om de Bijbel te ondermijnen

„Een ieder die deze woorden van mij hoort en ze doet, zal . . . worden vergeleken met een beleidvol mens, die zijn huis op de rotsmassa heeft gebouwd. En de regen stroomde neer en de stortvloeden kwamen en de winden woeien en beukten tegen dat huis, maar het stortte niet in, want het was op de rotsmassa gegrondvest.” — Matth. 7:24, 25, NW.

DE SNELSTE manier waarop men een gebouw kan vernietigen, is het fundament er onder weg te slaan. De zwaartekracht zal de rest wel doen. De snelste manier waarop men het Christelijke geloof kan vernietigen, is het fundament er onder weg te slaan. Twijfel en scepticisme zullen de ondergang voltooien. Het fundament van ons geloof is een boek. Dat boek is de Bijbel. Heden ten dage is er een groot aantal personen die trachten dat fundament van onder het Christendom weg te slaan. In het verleden werden de schrijvers van de Bijbel gedood, werden de personen die in de Bijbel geloofden, gemarteld, werden de Bijbelvertalers op de brandstapel verbrand, en werden exemplaren van de Bijbel tot een prooi der vlammen gemaakt. Toch leeft het boek in deze tijd nog. Het wordt nog steeds aangevallen, maar er is een grotere verscheidenheid in de aanvallen, ze zijn sluwer. Deze aanvallen waarvan de Bijbel het brandpunt is, worden van vele hoeken uit gedaan: van de wetenschap, van het atheïsme en, verbazingwekkend genoeg, van hen die zich als zijn vrienden voordoen, de geestelijken der Christenheid.

2 Hebt gij geloof in de Bijbel? Is uw geloof op feiten gegrond? Hoort gij de woorden uit de Bijbel en slaat gij er ook acht op, of blijkt uw geloof dood te zijn daar het niet gepaard gaat met werken die er mede in overeenstemming zijn? Velen bouwen een Christelijk geloof niet op een rotsachtig fundament, maar baseren hun religieuze leven op het zand van bijgeloof en overlevering, op lichtgelovigheid en vormendienst. Geloofsrichtingen die op zulke valse fundamenten zijn gebaseerd, zullen stormachtige aanvallen niet overleven, maar het ware geloof dat op kennis van en gehoorzaamheid aan Gods Woord is gegrondvest, zal standhouden gelijk een huis op een rotsmassa. Evenmin zullen aanvallen van de zijde van mensen die het trachten te ondermijnen, het in ernstige mate ondermijnen, noch zullen oordelen van God waardoor het wordt gewogen, het te licht bevinden. Zowel het geloof dat het uithoudt als het soort dat ineenstort, is opgenomen in Jezus’ illustratie: „Een ieder die deze woorden van mij hoort en ze doet, zal . . . worden vergeleken met een beleidvol mens, die zijn huis op de rotsmassa heeft gebouwd. En de regen stroomde neer en de stortvloeden kwamen en de winden woeien en beukten tegen dat huis, maar het stortte niet in, want het was op de rotsmassa gegrondvest. Bovendien zal een ieder die deze woorden van mij hoort en ze niet doet, worden vergeleken met een dwaas mens, die zijn huis op het zand heeft gebouwd. En de regen stroomde neer en de stortvloeden kwamen en de winden woeien en sloegen tegen dat huis en het stortte in, en zijn ineenstorting was groot.” — Matth. 7:24-27, NW.

3 De wetenschap heeft getracht de Bijbel te doen ineenstorten, en ze heeft het scheppingsverslag tot haar voornaamste doelwit gemaakt en de evolutietheorieën tot haar vlammende pijlen. Deze brandende projectielen hebben het ongegronde geloof van zeer velen in de as gelegd, maar ze hebben het schild van het waarachtige geloof niet doorboord (Ef. 6:16). Ja, de toenemende wetenschappelijke kennis blust de vurige pijlen der evolutie juist uit! De evolutionisten hielden er eens vreemde ideeën op na over de spontane generatie van het leven, maar nieuw opgedane kennis dwong hen zulke theorieën prijs te geven. Zij beweerden dat door de omgeving verworven eigenschappen aan de nakomelingen werden doorgegeven, maar zij moesten deze aantrekkelijke theorie loslaten toen de moderne genetica bewees dat zulke eigenschappen niet erfelijk waren. Toen Darwin een betoog hield voor het overleven van de geschiksten, kon hij niet het ontstaan van de geschiksten verklaren, wat het voornaamste probleem is. Hugo de Vries verklaarde het ontstaan van kleine, erfelijke veranderingen in levensvormen door middel van mutaties, maar de wetenschap ontdekt nu tot haar droefheid dat deze zeldzame mutaties schadelijk zijn in plaats van nuttig, en mogelijk de verklaring kunnen zijn voor een degeneratie of verwording, een nederwaartse devolutie, maar niet een opwaartse evolutie. Indien de wetenschap zich echter van deze in het verleden gedane beweringen zou laten beroven, dan zou haar evolutietheorie geruïneerd worden, en voor zulk een staat van ruïnering zal ze niet eerlijk uitkomen. Daarom zetten de propaganda-makende evolutionisten het lichtgelovige en niet ingelichte publiek deze leugens nog steeds als voeder voor.

4 Gedurende juni van het afgelopen jaar werd er in de stad New York een Internationaal Symposion over Anthropologie gehouden, en toen de New York Times van 12 juni 1952 over een der zittingen verslag uitbracht, kondigde deze courant hun conclusie aan met de kop: „Men verklaart dat de evolutie van het lichaam ten einde is.” Dit komt overeen met de mening van Lucien Cuénot, een van Frankrijks vooraanstaande biologen, die toen hij de evolutionaire stamboom besprak; in zijn boek L’adaptation zeide: „Het evolutionaire levenssap circuleert niet meer.” Terloops zij opgemerkt, dat Cuénot, voordat hij in het jaar 1951 stierf, tot grote consternatie van zijn wetenschappelijke collega’s van de evolutietheorie afstapte als zijnde onhoudbaar. Het is voor de evolutionisten erg gemakkelijk te verklaren dat de evolutie is geëindigd; zij behoeven dan niet aan te tonen dat ze zich thans nog voordoet. Zij worden door hun onbekwaamheid om aan te tonen dat de evolutie nu nog werkzaam is, niet in verlegenheid gebracht.

5 Er werd nog een belangwekkend punt op deze vergadering van anthropologen in de stad New York aan het licht gebracht. De New York Times van 10 juni 1952 bracht onder het opschrift „De ouderdom van de holenmens met 35.000 jaren verminderd”, verslag uit van hun geloof „dat de voorouders van de hedendaagse mens in Europa misschien 35.000 jaar jonger zijn dan voorheen is geloofd”, dat „nieuwe studie er op duidt dat de holenmens tegen het jaar 13.000 v. Chr. in Europa was uitgestorven” Deze sterke vermindering van de ouderdom van de holenmens, van 50.000 jaar tot 15.000 jaar, moest noodgedwongen worden gedaan op grond van de pasontwikkelde radioactieve koolstof-tijdmeter. De komst van deze tijdmeter deed de Chicago Sun-Times van 27 mei 1951 berichten dat de evolutionisten de ouderdom van de hedendaagse mens van 1.000.000 jaar tot 50.000 jaar hadden verminderd. De wetenschap schaaft het cijfer steeds verder af naar het Bijbelse getal van 6000 jaar voor de ouderdom van de mens. Dat de tegenwoordige cijfers van de radioactieve koolstof-tijdmeter nog niet definitief behoeven te zijn, werd door het symposion erkend, want de Times berichtte: „Er werd de aandacht op gevestigd dat de techniek van het aangeven van data door de koolstof-tijdmeter later misschien herzien zou moeten worden wanneer er verschillen in de natuurlijke snelheidsgraad van vorming van het radioactieve isotoop kunnen worden ontdekt of wanneer er onregelmatigheden in de snelheidsgraad van koolstofgebruik door groeiende stoffen worden ontdekt.”

DE ARCHEOLOGIE LOOCHENT EVOLUTIE

6 De wetenschap der archeologie spreekt de evolutie tegen in plaats van haar te ondersteunen. Merk het volgende op: „Met het oog op de eisen der consequentie die een onafscheidelijk deel vormen van de evolutionaire school is het vreemd genoeg dat wij in het land Egypte geen bewijs van menselijke evolutie vinden. Nog sterker, de leerstellingen dat de mens met een dierlijk intellect is begonnen en geleidelijk zijn hoogstaande en bijzondere cultuur heeft ontwikkeld, wordt door de bewijsstukken uit dit land weerlegd. Opvallend genoeg is in feite juist het tegenovergestelde het geval. In plaats van een evolutieproces te bewijzen, is de geschiedenis van de mens zoals die in de archeologie van Egypte wordt gevonden, een consequent bericht van degeneratie. De eminente Sayce, een van de bekwaamste archeologen in de gehele geschiedenis van die voorname wetenschap, sprak zijn verwondering en verbazing uit over de hoge trap van cultuur die in de allereerste berichten over het Egyptische volk wordt aangetroffen. Andere autoriteiten, zoals Baikie, hebben boekdelen vol geschreven over dit onderwerp. Men koesterde de hoop, dat wanneer de opgravers ten slotte de onverstoorde graven van de eerste dynastie zouden hebben bereikt, zij zich in de dageraad van de Egyptische cultuur zouden bevinden. . . . Door middel van de eerste graven slaan wij een terugblik in een oudere voorafgaande cultuur die het menselijk verstand verbijsterd en verbaasd doet zijn. In plaats van de dageraad van een zich ontwikkelende mensheid te vinden, zien wij dat de mensheid zich al in het zenith van culturele werken bevindt. . . . Egypte toont ons, evenals elders, geen vaag, dierlijk begin, maar een volk dat op verrassende wijze te voorschijn is getreden als een volk hetwelk op een hoge trap van beschaving stond. . . . Er moet niet worden verondersteld dat deze toestand in Egypte uniek is, of slechts iets bijzonders is voor een ras of land. Deze zelfde vreemde tegenstrijdigheid tussen de bedrieglijke theorieën van de philosophie der organische evolutie en de feiten van de menselijke geschiedenis, wordt overal waar de archeologie in staat is de toorts van ontdekkingen in een bepaald gebied omhoog te houden, opgemerkt.” — Bladzijden 41, 42, 49, 50, Dead Men Tell Tales, door H. Rimmer.

7 Niettegenstaande de voortdurende rechtvaardiging van de Bijbel door de voortschrijdende kennis, staan enkele geestelijken van de Christenheid de Bijbel tegen en scharen zich aan de zijde der wetenschap. Op 3 mei 1952 berichtte de Morning Call van Allentown, Pennsylvanië, dat de „Eerwaarde” Joseph B. Mohr had gezegd: „Het is te betreuren dat de leerstelling van de onfeilbaarheid van de Bijbel door velen is uitgelegd als zou ze betekenen dat de Schrift in al haar delen, zelfs haar voor-wetenschappelijke delen, voor ons in deze tijd van gelijke waarde is en gelijkelijk bindend.” Wat deze geestelijke tracht te zeggen in zijn niet rechtstreekse flankaanval op de Bijbel, is, dat Gods Woord niet betrouwbaar is; dat indien de mannen die het hebben geschreven, van de wetenschap hadden af geweten, zij het anders opgetekend zouden hebben; dat indien God die dit schrijven heeft geïnspireerd, had geweten wat de hedendaagse geleerden weten, hij gemaakt zou hebben dat het anders zou zijn opgetekend, en dat wanneer wij tussen de wetenschap en de Bijbel moeten kiezen, wij de wetenschap dienen te kiezen. Dit is alleen maar typerend voor zo vele geestelijken van de hedendaagse Christenheid. Zij bouwen op het drijfzand der wetenschap, niet op de onbeweeglijke rots van Gods Woord.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen