Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w51 1/5 blz. 140
  • Gods dienstknechten zijn anders

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Gods dienstknechten zijn anders
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehova’s koninkrijk 1951
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • OOK ANDERS DAN DE TEGENWOORDIGE WERELD
  • DIENSTKNECHTEN DOOR DE STAAT TEGENGESTAAN
  • HET EDELSTE VOORBEELD
  • Een volk met een voornemen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1954
  • De dag voor redding
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1954
  • Zullen de stenen het moeten uitroepen?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehova’s koninkrijk 1951
  • Jehovah’s dienstknechten zijn anders
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1970
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehova’s koninkrijk 1951
w51 1/5 blz. 140

Gods dienstknechten zijn anders

HET is geen geheim. Sedert het begin van de geschiedenis des mensen, sedert de tijd van Adams zoon Abel en na hem door alle eeuwen heen, zijn degenen die de waarachtige en levende God, wiens naam alleen Jehova is, hebben aanbeden en gediend, een afgescheiden, ongewoon en onderscheiden volk geweest, anders dan alle anderen die op de oppervlakte der aarde wonen. De in geschrifte gebrachte geschiedenis bewijst het. Welbekende feiten in deze tijd getuigen er van. Alle ingelichte personen geven het toe.

De man Abel staat bovenaan de lange lijst van Gods getrouwe dienstknechten. „Door geloof heeft Abel aan God een slachtoffer van grotere waarde gebracht dan Kaïn, door welk geloof ten aanzien van hem getuigenis was afgelegd dat hij rechtvaardig was” (Hebr. 11:4, NW). Omdat Abel rechtvaardig was en rein was in zijn aanbidding, stierf hij de marteldood. Martelaar betekent „getuige” en Abel was dus de eerste getuige van Jehova. Henoch, de vader van Methusalach, was niet zoals de anderen van zijn geslacht en hij was niet bevreesd vrijuit te spreken en getuigenis af te leggen over Jehova’s oordelen tegen de goddeloze zondaren, waaruit de volksmenigte in zijn tijd bestond. — Gen. 5:22-24; Hebr. 11:5, 6; Judas 14, 15.

Noach was nog iemand in die wereld van voor de Vloed die op een in het oog vallende wijze van anderen verschilde; dit kwam omdat hij ’met God wandelde’. Hij had niet alleen een ongewoon geloof in Jehova, maar zette zijn geloof ook kracht bij door werken. Gehoorzaam en in overeenstemming met het hem gegeven bevel werkte hij aan datgene wat de spotters in zijn tijd niets meer toescheen dan iets wat door een krankzinnige op touw was gezet, iets fantastisch en zonderlings. Zie eens hoe hij daar op een hoog boven de zeespiegel liggend en kilometers van de zee verwijderd stuk grond werkt aan het bouwen van een reusachtige boot, waarin toevlucht kan worden gezocht voor iets wat niemand tot op die tijd had gezien — regen! Terwijl Noach bouwde, predikte hij ook bekering en hij drong er bij zijn medeschepselen op aan Gods gunst te zoeken zolang er nog gelegenheid was. Vreemd dat slechts zeven anderen van die gehele menigte hem geloofden! Maar al het gelach en gehoon, al de smaad en bespotting, en ongetwijfeld de gewelddadige vervolging die Noach onderging van de zijde der tirannen en snoevers (Nephilim en machtige mannen, Gen. 6:4, AS), konden hem niet afwenden van het werk dat hem door God was toegewezen. Wij zijn ook erg dankbaar dat Noach anders was dan de dwaze, argeloze en onwetende mensen van zijn tijd, want indien hij evenals die mensen was geweest, zouden wij tegenwoordig hier niet zijn. — Gen. 6:5-22; Matth. 24:27-39; Hebr. 11:7; 2 Petr. 2:5.

Gelijk Abel uit de oudheid brengen Jehova’s getuigen uit deze tijd, die een overeenkomstig geloof hebben, God een aanvaardbare offerande, ’de vrucht der lippen’ ook al worden zij door hen die voorgeven hun broeders te zijn, gemarteld of ook al doen dezen hen de marteldood sterven (Hebr. 13:15). Gelijk Henoch stellen deze tegenwoordige getuigen dit schaamteloze geslacht onbevreesd in kennis van Jehova’s vurige toorn er tegen. Jezus zeide dat de toestanden tegenwoordig precies zo zouden zijn als in de tijd van Noach, maar vóór het volledige einde van deze tegenwoordige goddeloze wereld zou in de gehele bewoonde aarde eerst een gelijksoortige waarschuwingsboodschap tot een getuigenis worden bekendgemaakt. Daarom is het niet verwonderlijk te zien dat Jehova’s getuigen, evenals Noach, hard bezig zijn met prediken en bouwen, ook al worden zij door de verheven en machtige tirannieke heersers der aarde uitgelachen, bespot en boosaardig vervolgd. — Matth. 24:3, 4, 14, 37-39; 2 Petr. 3:3-13.

OOK ANDERS DAN DE TEGENWOORDIGE WERELD

De dienstknechten die de Allerhoogste God na de Vloed had, waren evenals de dienstknechten vóór de Vloed — mannen en vrouwen die wat geloof, onkreukbaarheid en toewijding aan rechtvaardigheid betreft, volkomen van de anderen verschilden. Het moet de Chaldeeërs, die gemeenschappen bouwden, vreemd hebben geschenen dat mannen gelijk Abraham en Lot de veiligheid en welvaart welke door hun stad Ur werd verschaft, verlieten, en in gehoorzaamheid aan Gods bevel naar een woest en onbekend land trokken (Gen. 12:1-5). Maar zij „[verwachtten] de stad [de theocratische regering] die werkelijke fundamenten heeft en waarvan God de bouwer en schepper is”. Zij zagen deze kostbare beloften „in de verte en begroetten ze en maakten in het openbaar bekend dat zij vreemdelingen en tijdelijke inwoners in het land waren” (Hebr. 11:8-14, NW). Hoe anders dan de Sodomieten, die gek waren van geslachtsdrift en krankzinnig van zingenot, was Lot! Die rechtvaardige man „[werd] hevig . . . gekweld doordat de zich tegen de wet kantende mensen zich aan losbandigheid overgaven”. — 2 Petr. 2:6-8, NW.

Dienovereenkomstig streven Jehova’s dienstknechten van tegenwoordig er altijd naar reine, oprechte en fatsoenlijke mensen te zijn, en zij walgen van de afschuwlijke dingen die zij om zich heen zien in de Christenheid. Zij stellen hun vertrouwen en hoop in Jehova’s beloofde koninkrijk, want zij zien dat de tijd waarin dit koninkrijk ook over de aarde heerschappij zal voeren, veel dichterbij is dan in de tijd van Abraham. Dus in plaats dat deze mensen van God met deze van zingenot krankzinnige, op sexualiteit beluste oude wereld, meegaan, haar plannen en ideeën ondersteunen en voor haar toren van Babel, het verwarring stichtende bouwwerk der Verenigde Natiën, werken en deze toren opbouwen, houden zij zich afgescheiden van de wereld, gelijk „gasten en vreemdelingen”, terwijl zij, evenals de Rechabieten, leven als mensen die een tijdelijke woonplaats hebben. Jonadab was zo iemand (Hebr. 11:13; Jer. 35:5-19). Daarom ondersteunen zij de politiek, de handel en de georganiseerde religie dezer wereld niet. — Jes. 52:11; 2 Kor. 6:14-18; Jak. 4:4; Openb. 18:2-5.

DIENSTKNECHTEN DOOR DE STAAT TEGENGESTAAN

Jeremia werd tot Jehova’s profeet geordineerd en hij werd tot een opstandig volk gezonden opdat hij een impopulaire boodschap zou bekendmaken. Wat moest hij doen? Weigeren te spreken omdat sommigen aanstoot namen? Kalm aan doen, een compromis sluiten, of er mee uitscheiden en zich als een „patente kerel” bij de overigen voegen? Dit doen, zou zijn vernietiging tezamen met alle anderen hebben betekend. Jeremia was Gods getrouwe dienstknecht. Hij was in het bezit van een belangrijke van God afkomstige waarschuwingsboodschap en al wie er acht op zou slaan, zou aan vernietiging ontkomen. De boodschap was om het bestwil van de mensen en ze moest bekendgemaakt worden, ook al werden er door koningen, vorsten, priesters en de mensen over het algemeen, bezwaren tegen ingebracht, en Jeremia kweet zich er van deze bekendmaking te doen. — Jer. 1:4-19.

Ten gevolge hiervan ondervond Jeremia de ergste soort van religieuze onverdraagzaamheid, geestdrijverij en vervolging. De geestelijken en politici werden door Gods vurige aanklachten geprikkeld en daarom hitsten zij het gepeupel op tot het vormen van benden die Gods profeet trachtten te doden. Hij werd gearresteerd en voor het gerecht gesleept, terwijl hij er valselijk van werd beschuldigd dat hij een ondermijner van het moreel was, dat hij iemand was die tegen de oorlogsinspanningen was, een opruier, en derhalve de dood waardig. Deze profeet des Heren was echter geen opruier of anarchist, en zelfs al werd hij dus in de gevangenis en in de modder van een kuil geworpen, toch bleef hij de waarschuwing uitbazuinen (Jer. 23:1-40; 25:34-36; 26:1-24; 32:2-6, 26-44; 38:1-6). Wanneer men dit bericht leest, wordt men telkens weer krachtig doordrongen van de grote overeenkomst tussen het werk dat door Jeremia werd verricht en de behandeling die hij onderging, en het werk dat door Jehova’s getuigen in deze tijd tot stand wordt gebracht onder soortgelijke omstandigheden.

Nog meer redenen waarom Jehova’s getuigen de Christenheid blijven waarschuwen, ook al weigert ze de waarschuwing ter harte te nemen, treft men aan in de bevelen welke de Heer gaf aan Ezechiël, een tijdgenoot van Jeremia, die getuigenis gaf aan de gevangenen in Babylon. Ezechiël had te maken met een troep opstandelingen die hard van aangezicht, halsstarrig en stijf van hart waren, maar de Here zeide hem dat indien hij hen niet bleef waarschuwen, hun bloed op zijn hoofd zou zijn. Ezechiël gehoorzaamde. Jehova’s getuigen gehoorzamen eveneens. — Ezech. 2:3-7; 3:4-11, 16-21; 33:1-20.

Dan was er het geval van Daniël. Omdat hij zijn vertrouwenspositie als eerste minister over het uitgestrekte Medo-Perzische rijk op eerlijke en getrouwe wijze bekleedde, trachtten Daniëls vijanden zich van hem te ontdoen door op gezag der wet onheil te stichten, Toen Daniël Jehova bleef aanbidden, waardoor hij de goddeloze wet overtrad, werd hij gegrepen, ten onrechte van opruiing beschuldigd, en in een kuil geworpen als voedsel voor de leeuwen. Gelukkig voor hem echter dat hij de enige waarachtige en levende God aanbad, want alleen Hij kan Zijn dienstknechten uit een leeuwenkuil bevrijden (Dan. 6:1-28). Bij een andere gelegenheid, toen Jehova’s getrouwe dienstknechten Sadrach, Mesach en Abed-Nego weigerden zich bij wijze van groet voor het vergulde beeld van Nebukadnezar neer te buigen, door welke daad zij Jehova’s opperste wet zouden hebben overtreden, werden zij in een loeiende oven gesmeten, doch het enige resultaat was dat zij er door de engel des Heren levend uit werden bevrijd en zonder dat zij enig letsel hadden opgelopen. Terloops zij vermeld dat degenen die Gods dienstknechten in het vuur hadden geworpen, zelf werden verteerd (Dan. 3:1-30). Laten de superpatriotten in deze tijd, die hun hielen tegen elkaar klikken en in paradepas rondlopen en die Gods getrouwe dienstknechten trachten te dwingen mee te doen aan hun afgoderij die in het toewuiven van banieren bestaat, dit als een waarschuwing ter harte nemen!

Deze zelfde strijdvraag rees opnieuw gedurende de regering van Ahasveros, toen een goddeloze man, Haman geheten, allen trachtte te vernietigen die Jehova dienden en aanbaden. God keerde de rollen echter om, en Hamans levenloze lichaam bungelde aan de 25 meter hoge galg, die hij voor Gods dienstknecht Mordechai had opgericht. — Zie het boek Esther.

HET EDELSTE VOORBEELD

Christus Jezus, de grootste Onderwijzer en Prediker die ooit op deze aarde heeft gewandeld, wierp de orthodoxe methoden der schriftgeleerden en Farizeeërs overboord en trok van huis tot huis, van dorp tot dorp, en bewerkte telkens opnieuw het gebied, terwijl hij bekendmaakte dat Jehova’s koninkrijk de enige hoop der wereld is. Hij verbrak conventionele gedragslijnen en traditionele gewoonten, gebruiken, theorieën en taboe’s die destijds bestonden. „Nimmer heeft een andere man zo gesproken” (Joh. 7:46, NW). Een open marktplaats, een berghelling of de oever van een zee waren voor hem even geschikte plaatsen als de tempel, mits er mensen aanwezig waren die konden luisteren. Soms gaf hij tijdens het etensuur in een particuliere woning onderricht uit de Schriften.

Jezus hield zich bezig met het spreken over de waarheid ook al werden de leugens der overlevering er door aan de kaak gesteld. Hij had geen deel in de politiek, want zijn koninkrijk is niet van deze wereld, maar toch betaalde hij zijn belastingen en spoorde anderen er toe aan insgelijks aan Caesar terug te betalen wat de staat toebehoorde, en daarbij natuurlijk niet te vergeten Jehova God te geven wat Hem rechtens toekomt. En omdat Jezus zulk een rechtvaardige loopbaan volgde, werd hij nagezet en vervolgd en tenslotte aan een martelpaal gedood ter bevrediging van de sterke hartstochten der geestelijken, die door hem als een troep huichelaars aan de kaak werden gesteld. — Joh. 18:37; Matth. 17:24-27; 22:15-21; 15:1-9; 23:1-39; Joh. 19:6, 15.

In dit alles heeft Christus een schitterend voorbeeld nagelaten dat door Jehova’s Christelijke getuigen sindsdien kan worden gevolgd, en God komt de eer toe dat zij dit hebben gedaan! En hoewel zij ter wille van de gerechtigheid worden vervolgd, verduren zij alles uit liefde voor God en de medemens.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen