Vragen van lezers
● In Openbaring 21:4 wordt gezegd dat er in de nieuwe wereld geen dood meer zal zijn. Betekent dit, dat zelfs dieren dan niet zullen sterven? — M.I., New York.
Deze tekst betekent niet dat de dood geheel zal worden uitgeschakeld. Opstandige menselijke schepselen zullen tijdens Christus’ duizendjarige regering sterven, en degenen die aan het einde van de duizend jaren de zijde van Satan kiezen, zullen omkomen (Jes. 65:17, 20; Openb. 20:7-10). In Openbaring 20:14 wordt weliswaar aangetoond dat de dood wordt vernietigd en vervolgens zegt Openbaring 21:4 dat er geen dood meer zal zijn, maar de dood waarnaar wordt verwezen, is de dood die aan de overerving van Adam is toe te schrijven. De mensen zullen dan niet meer ten gevolge van de overtreding van Adam aftakelen en sterven, maar op elke tijd in de toekomst kan God iedere opzettelijke opstandeling die de vrede van de nieuwe wereld zou willen verstoren, terechtstellen. Derhalve wordt er in Openbaring 21:4 alleen gesproken van de Adamietische dood der mensen, en is deze tekst niet van toepassing op het dierenrijk.
Ten aanzien van de vraag of dieren in de nieuwe wereld zullen sterven, kunnen wij niet dogmatisch zijn. Het blijkt dat mensen ze niet voor voedsel zullen doden, noch dat de dieren op elkander zullen azen. In de nieuwe wereld zal Jehova’s oorspronkelijke voornemen met betrekking tot de voedselvoorziening worden verwezenlijkt, zoals aan Adam en Eva werd medegedeeld: „Zie, ik geef u alle zaaddragende gewassen die op de gansche aarde zijn, en alle boomen waaraan zaadhoudende vruchten zijn; u zullen zij tot spijs dienen. Maar aan al het gedierte des velds, aan al het gevogelte des hemels en aan alwat op de aarde kruipt, aan alwat bezield is, geef ik alle groene gewassen tot spijs” (Gen. 1:29, 30, LV). Wanneer dat bij uitstek vleesetende dier, de leeuw, ’stro zal eten gelijk de os’, dan zullen de andere dieren stellig geen vleeseters zijn (Jes. 11:6-9). Terloops wordt hierdoor aangetoond dat Openbaring 21:4 niet de dood van al het organische leven uitschakelt, want planten zullen sterven opdat ze voor mens en dier als voedsel kunnen dienen.
Maar alleen het feit dat dieren niet meer voor voedsel zullen worden gebruikt, bewijst niet dat ze voor altijd zullen leven. Er is reden te geloven dat ze zullen sterven. De ongehoorzaamheid van de mens in Eden bracht de dood niet over de dieren — gedurende duizenden jaren voor de schepping des mensen hadden ze geleefd en waren gestorven en stierven er vele soorten uit. De nieuwe wereld zal de gevolgen van Adams ongehoorzaamheid wegnemen, doch dit heeft geen betrekking op de dierlijke dood. De staat van de beesten is sinds hun schepping onveranderd gebleven — ze slijten hun leven en sterven. En nooit is de beesten eeuwig leven in het vooruitzicht gesteld.
De positie van de mens is verschillend. Adam werd de hoop op eeuwig leven in het vooruitzicht gesteld, maar die hoop verdween toen hij de beproeving op zijn gehoorzaamheid niet doorstond. Wanneer hij deze beproeving had doorstaan, zou hij ongetwijfeld tenslotte van de „boom des levens” hebben gegeten. Door Adam verloren alle mensen de gelegenheid eeuwig leven te ontvangen, maar door middel van het verlossingswerk van Christus Jezus is deze gunstige gelegenheid hersteld en kunnen mensen van goede wil op eeuwig leven in de nieuwe wereld hopen. Niets hiervan betreft de dieren.
Indien een mens opzettelijk goddeloos is en het rantsoen versmaadt, zal hij nooit eeuwig leven verkrijgen, ook al leeft hij thans een klein aantal jaren. Hij verbeurt de betere positie met gunstige gelegenheden die voor de mensen openstaan en vervalt tot dezelfde positie als die der dieren, een positie die geen gunstige gelegenheden tot eeuwig leven biedt. Over zulke mensen schreef de geïnspireerde apostel Petrus: „Maar deze mensen, die gelijk onredelijke dieren zijn, welke van nature worden geboren om te worden gevangen en gedood, zullen, in datgene waarvan zij onwetend zijn en smalend spreken, juist in hun eigen weg des verderfs worden vernietigd.” — 2 Petr. 2:12, NW.
Indien de dieren de gelegenheid hebben eeuwig leven te verkrijgen, waarom zouden deze mensen, die deze gelegenheid verliezen, dan met hen worden vergeleken? Er schijnt geen Schriftuurlijke grond te zijn waarop wij kunnen beweren dat dieren in de nieuwe wereld voor eeuwig zullen leven, maar veeleer dat ze evenals altijd geboren zullen worden, tot wasdom zullen geraken, nageslacht zullen voortbrengen en zullen sterven. Tegenovergestelde argumenten schijnen grotendeels op gevoelsgronden gebaseerd te zijn.
● Indien Jehova almachtig is en het einde van het begin af weet, dan moet hij hebben geweten dat de overdekkende cherub in Eden in opstand zou komen en Adam en Eva in opstand zou leiden, en aldus leed over de gehele mensheid zou brengen. Wanneer God dit van tevoren wist, waarom schiep hij dan deze schepselen die te kort zouden schieten? — I.C., Pennsylvanië.
Handelingen 15:17, 18 (NW) zegt: „Jehova, die deze dingen doet, welke hij vanouds heeft gekend.” Met andere woorden, Jehova God weet vanouds of van het begin af welke werken hij van plan is te doen, en maakt ze daarom bekend tot onze lering, zoals hij in Genesis 3:15 heeft gedaan. Hij verkiest echter niet altijd zijn voorkennis in te dringen in wat zijn schepselen van plan zijn te doen, doch laat hen als schepselen die een vrije wil bezitten, hun vrije wil gebruiken. Zo handelde God in het geval van Adam en Eva en de overdekkende cherub die door hem werd gezalfd om boven hen te staan. Wanneer God wat hun geval betreft voorkennis had aangewend, zou dit hebben betekend dat hij hen had voorbestemd, want zij zouden dan die voor hen van tevoren bepaalde weg moeten bewandelen, wilde Gods voorkennis juist blijken te zijn. In dit geval zouden Adam en Eva en de overdekkende cherub geen kans hebben gehad de goede weg te bewandelen. Het zou van Gods zijde onrechtvaardig zijn geweest hun in woorden een gelegenheid voor ogen te stellen eeuwig leven in geluk op een rechtvaardige wereld te genieten, terwijl hij al die tijd van tevoren wist en dus van tevoren bepaalde dat zij het nooit zouden verwerven. Hierdoor zouden valse verwachtingen worden opgewekt, die bedrieglijk en verraderlijk zouden zijn.
In hun geval verkoos God dus niet voorkennis aan te wenden en van tevoren te weten wat deze schepselen (personen anders dan hij zelf) zouden doen. Het enige wat hij met betrekking tot hen voorbestemde, was, dat indien zij gehoorzaamden, zij voor altijd zouden leven, doch indien zij in opstand kwamen, zouden zij lijden te verduren hebben en sterven. Hierover lichtte God Adam in en door middel van hem Eva (Gen. 2:16, 17). God werd er derhalve niet verantwoordelijk voor toen een van hen de verkeerde weg opging. Maar nadat zij de verkeerde weg waren opgegaan, stond hij Adam en Eva toe te blijven leven en een gezin te stichten. Indien God niet zo barmhartig was geweest, zoudt gij en de rest van ons nooit zijn geboren en de gelegenheid hebben gehad eeuwig leven in de rechtvaardige nieuwe wereld te verwerven. God wendt thans geen voorkennis aan omtrent ons al of niet slagen als enkelingen, doch hij laat het geheel aan een ieder van ons zelf over. Doch hij bezit wel voorkennis omtrent hetgeen hij zelf van plan is te doen ten einde zijn naam te rechtvaardigen en gehoorzame schepselen te zegenen, en hij heeft ons ingelicht door middel van zijn profetieën, waarvan hij de betekenis thans aan ons openbaart.