Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w50 15/9 blz. 299-301
  • Ezra, ijverig voor de reine aanbidding

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Ezra, ijverig voor de reine aanbidding
  • De Wachttoren en Aankondiger van Jehova’s Koninkrijk 1950
  • Vergelijkbare artikelen
  • Ezra
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Ezra
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • Bijbelboek nummer 15 — Ezra
    „De gehele Schrift is door God geïnspireerd en nuttig”
  • Ezra geeft onderwijs over Gods wet
    Leer van de verhalen uit de Bijbel
Meer weergeven
De Wachttoren en Aankondiger van Jehova’s Koninkrijk 1950
w50 15/9 blz. 299-301

Ezra, ijverig voor de reine aanbidding

EZRA de Levietische schriftgeleerde uit de vijfde eeuw v. Chr., had geloof in God. Hij was niet gelijk de ontelbare menigten van de Christenheid in deze tijd, die door hun handelwijze waarbij zij God en zijn wetten negeren, openbaren dat zij in hun hart hebben gezegd: „Daar is geen God.” Doordat Ezra geloofde dat er een God is, en dat hij diegenen beloont die hem ijverig zoeken, legde hij een brandende ijver voor de reine aanbidding van Jehova aan de dag. God zegende die ijver, evenals hij heden ten dage de ijver van zijn getrouwe dienstknechten zegent.

Het land Palestina had zeventig jaren woest gelegen, zoals dit door Jehova door middel van zijn profeet Jeremia was voorzegd. Aan het einde van die tijd trokken ongeveer vijftig duizend gewijde dienstknechten van Jehova voordeel van het door Kores uitgevaardigde bevel tot vrijlating en keerden onder leiding van Zerubbabel terug om de tempel te herbouwen. Een boosaardige samenzwering die door hun afgunstige naburen werd gesmeed, was er echter de oorzaak van dat dit werk officieel werd verboden. Zo gebeurde het dat er twintig jaren verstreken alvorens de tempel ten slotte werd voltooid.

Nog vijftig jaren gaan voorbij en Ezra verschijnt op het toneel. Hij was een rechtstreekse nakomeling van de hogepriester Aäron en „had zijn hart gericht, om de wet des HEREN [Jehova’s] te zoeken en te doen, en om in Israël te leren [Jehova’s] inzettingen en . . . rechten” (Ezra 7:10). Ezra was geheel anders dan de huichelaars die zich zelf tot zogenaamde leraren van Gods wet hadden aangesteld en die door Jezus werden beschreven als mensen die ’zeggen en niet doen’, die ’lasten [samenbinden], die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op de schouders der mensen; maar zij willen die met hun vinger niet verroeren’ (Matth. 23:3, 4, Luther). Neen, hij trachtte niet alleen Gods wet in Israël te leren kennen en er onderricht uit te geven, maar die wet ook zelf te doen. Hij had een oprechte ijver voor de reine aanbidding.

Met een zuiver geweten vatte Ezra daarom moed een verzoek in te dienen bij koning Arthahsasta ten einde toestemming te verkrijgen naar Palestina terug te keren om daar de reine aanbidding te bevorderen. Dat de koning zijn ijver en oprechtheid opmerkte, blijkt zeer duidelijk uit zijn antwoord op Ezra’s verzoek. Een ieder die uit vrije wil met Ezra wilde terugkeren, verkreeg daar toestemming voor. Te dien einde mocht Ezra bijdragen aannemen, zowel van alle Joden als van iedereen in Babylon, terwijl de koning en zijn zeven raadsheren ook bijdroegen. Indien er, nadat alle dingen waren verkregen die voor het uitoefenen van de ware aanbidding noodzakelijk waren, nog geld overbleef, mochten Ezra en de Joden die met hem waren, het geld gebruiken zoals het hun goeddacht en indien er meer geld nodig was, mocht Ezra het uit het schathuis van de koning verlangen. Aan de regeerders van de provincies aan de overzijde der rivier werd bekendgemaakt dat Ezra van hen mocht vragen „tot honderd talenten zilvers toe, en tot honderd kor tarwe, en tot honderd bath wijns, en tot honderd bath olie, en zout zonder voorschrift”. (Een waarde van bijna één millioen gulden in onze tijd.) „Al wat naar het bevel van den God des hemels is, dat het vlijtiglijk gedaan worde . . . want waartoe zou er grote toorn zijn over het koninkrijk des Konings?”

Verder werd in het bevel van de koning bepaald dat geen cijns, schatting of tol mocht worden geëist van een der priesters of van een der andere tempeldienaren, ongeacht hoe gering de hem toegewezen taak ook was: „En gij, Ezra, naar de wijsheid uws Gods, die in uw hand is, stel regeerders en richters . . . allen, die de wetten uws Gods weten, en die ze niet weet, zult gijlieden die bekend maken.” Ten slotte werd Ezra gemachtigd iedereen die weigerde de wet van zijn God te gehoorzamen, met boete, gevangenzetting, ja zelfs met de dood te straffen.

Geen wonder dat Ezra Jehova loofde, „de God onzer vaderen, die alzulks in het hart des Konings gegeven heeft.” Gesterkt door dit bewijs dat Jehova zijn pogingen om de ware aanbidding in Palestina te bevorderen, zegende, verzamelde hij de hoofden van Israël om met hem terug te keren. — Ezra, hoofdstuk 7.

De repatriërenden verzamelden zich op de oevers van de rivier A’hava, waar Ezra een driedaagse inspectie hield om te zien wie terugkeerden en waar hij er op toezag dat er zich onder hen die terugkeerden, personen bevonden die bekwaam waren om „dienaars voor het huis onzes Gods” te zijn. Daar hij spreekt over de „kinderkens” die bij hen waren, en opsomt dat er 1754 mannen van de verschillende stammen aanwezig waren, is het heel waarschijnlijk dat er wel meer dan 5000 mannen, vrouwen en kinderen optrokken.

Daar Ezra in al zijn wegen altijd Jehova kende, riep hij vervolgens een vasten uit „opdat wij ons verootmoedigden voor het aangezicht onzes Gods, om van Hem te verzoeken een [veilige] weg . . . Want ik schaamde mij van den Koning een heir en ruiters te begeren, om ons te helpen [tegen] den vijand, op den weg; omdat wij tot den Koning hadden gesproken, zeggende: De hand onzes Gods is ten goede over allen, die Hem zoeken, maar Zijn sterkte en Zijn toorn over allen, die Hem verlaten.” — Ezra 8:17, 21, 22, Een Amer. Vert.

Daarna woog en telde Ezra zorgvuldig de schat, ter waarde van ongeveer vijftien millioen gulden, en vertrouwde hem toe aan twaalf van de oversten der priesters, terwijl hij hun daarbij een plechtige opdracht gaf. Na een reis van ongeveer vier maanden kwam Ezra met zijn groep veilig in Jeruzalem aan. Wederom had Jehova Ezra’s ijver voor de reine aanbidding gezegend. Nadat Ezra voor alle twaalf stammen van Israël varren, rammen, lammeren en bokken had geofferd, hoorde hij van de overtreding van het volk in zake het nemen van heidense vrouwen. Bij Ezra, die zo ijverig voor de reine aanbidding was, verwekte dit nieuws dat er overal heidense aanbidders binnendrongen, de grootste ontsteltenis en verbazing. „Ik [scheurde] mijn kleed en mijn mantel; en ik trok van het haar mijns hoofds en mijns baards uit, en zat [ontzet] neder . . . tot aan het avondoffer.”

Daarna, terwijl hij op zijn knieën viel en zijn handen uitspreidde tot Jehova, deed hij een roerende bekentenis in tegenwoordigheid van de verzamelde Israëlieten, „allen, die voor de woorden van den God Israëls beefden.” Terwijl hij de verkeerde handelwijze van zijn volk sedert de dagen van hun vaderen tot de tegenwoordige tijd beleed, somde hij de straffen op die zij wegens die ongehoorzaamheid hadden ontvangen en hij verhaalde uitvoerig hoe God hun wederom barmhartigheid had betoond doordat hij hun toestond, terug te keren. Zij waren gestraft met minder dan zij verdienden, en „zullen wij opnieuw uw geboden verbreken, en huwelijksverbintenissen aangaan met de volken, die deze gruwelijke riten verrichten? Zoudt gij niet woedend op ons zijn totdat gij ons hadt verteerd, totdat er noch overblijfsel noch overlevende was overgebleven?”

Namens het volk begon een zekere Sechanja te spreken en hij gaf de raad dat allen in een plechtig verbond zouden treden, ten einde deze zaak weer in orde te brengen, en hij spoorde Ezra aan, zeggende: „Op! want de zaak rust op u, en wij zijn met u; wees sterk en handel.” Toen liet Ezra het gehele volk zweren dat zij zich in deze zaak aan Jehova’s wil zouden onderwerpen en hun werd te dien einde bevolen binnen drie dagen terug te keren. Allen die weigerden dit te doen, zouden worden verbannen en hun have zou worden verbeurdverklaard. — Ezra 9:3–10:8, Leidse Vert.

Dienovereenkomstig kwam al het volk op de twintigste dag van de negende maand in Jeruzalem tezamen. Dit was dus geen kleine vergadering. „En al het volk zette zich op het plein van het godshuis, bevend vanwege de zaak zelf en vanwege de stortregens.” Het bleek dat de gehele zaak niet op staande voet kon worden onderzocht, omdat er zovelen hadden overtreden, en daarom werden er, nadat Ezra instructies had gegeven, regelingen getroffen om de zaak geleidelijk, op gezette tijden, te onderzoeken. Tegen het einde van de volgende drie maanden waren alle heidense aanbidders verwijderd. — Ezra 10:9-17, Leidse Vert.

Ongetwijfeld bracht dit proces veel lijden over alle betrokkenen, zoals vaak het geval is wanneer overtredingen van Gods wetten te laat worden hersteld. Ook is het allerminst waarschijnlijk dat de heidense omwoners die er bij waren betrokken, de terugkeer van deze weggestuurde weduwen, met de bijgevoegde last van hun kinderen, bijzonder verwelkomden, en evenmin stelden zij het op prijs dat de kwestie van de reine aanbidding er bij was betrokken. Maar de dienstknechten van Jehova moeten beslissen of zij in de eerste plaats Jehova of deze wereld willen behagen. Ezra was vastbesloten Gods wil en wet te ’kennen, te leren en te doen’, ongeacht wat anderen dachten. Zo is het ook met de dienstknechten des Heren in deze tijd. Of de mensen de strijdvraag nu wel of niet inzien in verband met het groeten van de vlag of de militaire dienst, of zij Gods wil in zake bloedtransfusies, enz., nu wel of niet begrijpen, deze dienstknechten kunnen zich daardoor niet laten leiden in hun besluiten. Maar nu terug naar Ezra.

Dertien jaren gaan voorbij, en op de eerste dag van de zevende maand horen wij opnieuw van hem. Ondertussen was Nehemia teruggekeerd, had de muren van Jeruzalem weer opgebouwd en regeerde als landvoogd over het land. Wederom zien wij dat Ezra ijver voor de reine aanbidding aan de dag legt door het volk te onderwijzen in de wet van Jehova. Wij zien hem op een spreekgestoelte staan dat hoog boven het volk uitstak, zodat allen hem konden zien en horen, en na een gebed tot Jehova te hebben gericht, leest hij van ’s morgens vroeg tot 12 uur ’s middags uit de wet voor. Het volk was vroeg opgestaan voor die samenkomst! Daar de wet of het woord van de wet in het Hebreeuws was geschreven en het volk in het algemeen deze taal niet meer verstond maar Aramees sprak, moesten anderen het voorgelezene voor het volk vertolken, daarom „lazen [zij] in het boek, in de wet Gods, duidelijk [dat wil zeggen, zij zetten het vrij in het Aramees over]; en den zin verklarende [door de woorden in te delen overeenkomstig de betekenis], zo maakten zij, dat men het verstond in het lezen [door de traditionele uitspraak der woorden te geven]”. — Neh. 8:9.

Toen het volk de woorden der wet hoorde voorlezen, weenden zij, doch hun werd gezegd, niet te wenen, maar zich te verheugen, en dat dit een tijd was van vreugde en feestvieren, „want de blijdschap des HEREN [Jehova’s], die is uw sterkte.” „Toen ging al het volk henen om te eten, en om te drinken, en om delen te zenden, en om grote blijdschap te maken; want zij hadden de woorden verstaan, die men hun had [verklaard].” De volgende dag verzamelde het volk zich wederom voor onderricht uit de Bijbel, „en dat, om [aandacht te geven aan] de woorden der wet.” Toen zij Gods bevel vernamen om het feest der loofhutten te vieren, gingen zij onmiddellijk naar de bossen, verzamelden takken, maakten zich tenten of hutten en woonden daarin. „En er was zeer grote blijdschap.” Ezra ging door het volk te onderwijzen: „En men las in het wetboek Gods dag bij dag, van den eersten dag tot den laatsten dag. En zij hielden het feest zeven dagen, en op den achtsten dag [was een plechtige bijeenkomst]” (Neh. 8:10-19, Am. Stand. Vert.). Hoe groot ook de vreugde van het volk was, de vreugde van Ezra was zonder twijfel nog groter; want is het niet zaliger de woorden van Gods wet te geven, dan ze te ontvangen?

Behalve dat Ezra het volk mondeling onderwees, toonde hij zijn ijver voor de reine aanbidding nog op andere manieren. Hij schreef zowel het boek dat zijn naam draagt als de twee boeken Kronieken. Verder is er alle reden om te geloven dat Jehova’s geest zijn ijver zo leidde dat Ezra er toe werd aangespoord de canon van de Hebreeuwse Geschriften samen te stellen; hij vergeleek de verschillende boeken van de Hebreeuwse canon toen hij nog in Babylon was, en nadat hij in Palestina was teruggekeerd, bracht hij ze in de definitieve vorm en voegde zijn eigen geschriften er aan toe. De aanwijzingen waarover wij beschikken, bewijzen afdoende dat de Hebreeuwse canon in zijn dagen voltooid was, op misschien het boek Maleachi als enige uitzondering na.

In de tijd van Ezra werden ook vele afschriften van de Hebreeuwse Geschriften gemaakt, opdat de Joden deze afschriften in de wijd en zijd verspreid staande synagogen konden gebruiken. Zonder twijfel was Ezra’s ijver voor de reine aanbidding er de oorzaak van dat hij op het gebied van het vervaardigen van afschriften pionierwerk verrichtte en tevens de leiding over de vervaardiging er van had. Aldus legde Ezra op verschillende manieren zijn ijver voor de reine aanbidding van Jehova aan de dag, en niet alleen hebben de broeders en zusters uit zijn tijd daar voordeel van getrokken, maar alle dienstknechten van Jehova sindsdien hebben geprofiteerd van zijn besluit om Jehova’s wet te kennen, te leren en te doen. En hierin heeft hij ook een goed voorbeeld gegeven aan alle dienstknechten van Jehova in deze tijd.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen