Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 1683-1684
  • Wildernis

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Wildernis
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • DE IN HET HEBREEUWS GEBRUIKTE WOORDEN
  • OMSTANDIGHEDEN IN DE WILDERNIS
  • „WILDERNIS” IN DE CHRISTELIJKE GRIEKSE GESCHRIFTEN
  • FIGUURLIJK GEBRUIK
  • Personen
  • De „wildernis van de zee”
  • In de Openbaring
  • Wildernis
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • Woestijn
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • Woestijn
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Wildernis van Juda
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 1683-1684

WILDERNIS.

Wildernisgebieden waren het toneel van heel wat in de bijbel opgetekende gebeurtenissen en worden veelvuldig in figuurlijke zin gebruikt.

Toen de natie Israël uit Egypte trok, werd ze door God in de wildernis geleid die zich langs de Rode Zee uitstrekte, waardoor Farao aannam dat zij daar in verwarring ronddoolden (Ex. 13:18-20; 14:1-3). Aan de overzijde van de Rode Zee trok Israël gedurende het resterende deel van de 40 jaar van de ene wildernisstreek naar de andere en kwam daarbij door de wildernisgebieden van Sur, Sin, Sinaï, Paran en Zin (Ex. 15:22; 16:1; 19:1; Num. 10:12; 20:1). Soms sloegen zij hun legerplaats op in een oase, zoals die te Elim met zijn 12 bronnen en 70 palmbomen (Ex. 15:27) en te Kades-Barnea. — Num. 13:26; Deut. 2:14.

Het Beloofde Land zelf, dat deel uitmaakte van de zogenoemde „Vruchtbare Halvemaan”, was een op een vinger gelijkend goed ontgonnen stuk land dat aan één zijde begrensd werd door de Middellandse Zee en aan twee zijden door uitgestrekte wildernisgebieden — de Syrisch-Arabische Woestijn in het O. en het Sinaï-schiereiland in het Z. (Ex. 23:31). Binnen de grenzen van het land lagen kleinere wildernisachtige streken, de wildernis bij Dothan bijvoorbeeld, even ten Z. van de vlakte van Jizreël, waar Jozef door zijn broers in de waterput werd gegooid (Gen. 37:17, 22); de wildernis van Juda, waartoe bepaalde gebieden in de omgeving van de steden Zif, Maon en En-Gedi behoorden, wildernissen waarin David toevlucht zocht tegen Saul (Recht. 1:16; 1 Sam. 23:14, 24; 24:1); en wildernisgebieden ten O. van de Jordaan, die overgingen in de Syrisch-Arabische Woestijn (Num. 21:13; Deut. 1:1; 4:43). Een groot deel van de Jordaanslenk (thans de „Ghor” genoemd), waar de Jordaan doorheen stroomt, is in feite woestijngebied.

DE IN HET HEBREEUWS GEBRUIKTE WOORDEN

Het Hebreeuwse woord voor wildernis (midh·barʹ) heeft kennelijk een nogal ruime toepassing, maar duidt in het algemeen op een dunbevolkt, niet in cultuur gebracht gebied (Jer. 2:2). Sommige geleerden opperen dat midh·barʹ afgeleid is van een grondwoord (da·varʹ) dat „drijven” betekent, en brengen het in verband met het opdrijven van kleinveekudden, ’s ochtends naar de weidegronden en ’s avonds weer naar huis. De bijbel spreekt over „de weidegronden van de wildernis” (Ps. 65:12; Jer. 23:10), en over het weiden van kudden in zulke gebieden (Gen. 36:24; Ex. 3:1; 1 Sam. 17:28). Soms waren daar regenbakken (2 Kron. 26:10), huizen en zelfs enkele steden te vinden. — 1 Kon. 2:34; Joz. 15:61, 62; Jes. 42:11.

Hoewel het woord midh·barʹ dikwijls eenvoudig een steppelandschap met gras en kreupelhout aanduidt, kan het ook gebruikt worden voor waterloze streken die echte woestijnen genoemd zouden kunnen worden. Om zulke gebieden specifieker aan te duiden, worden andere Hebreeuwse woorden gebruikt, en dikwijls vindt men deze in een dichterlijke parallel met midh·barʹ. — Ps. 78:40; Jer. 50:12.

Het woord jesji·mōnʹ beschrijft een natuurlijke woestenij of een woestijn (Ps. 68:7; Jes. 43:19, 20). Het is kennelijk sterker in uitdrukkingskracht dan midh·barʹ en duidt op grotere dorheid, zoals in de uitdrukking de „eenzame, huilende woestijn [jesji·mōnʹ]” (Deut. 32:10). Met het bepalend lidwoord gebruikt heeft het betrekking op specifieke wildernisgebieden. — Num. 21:20; 1 Sam. 23:19, 24.

‛Ara·vahʹ (waarschijnlijk van ‛a·ravʹ, wat „als door hitte uitgedroogd zijn” betekent) beschrijft dorre en onvruchtbare landstreken, zoals die aan de overzijde van de Jordaan bij Jericho (Num. 22:1). Zulke woestijnvlakten konden het gevolg zijn van ontbossing en het ontbreken van een passend programma voor de instandhouding van de plantengroei of herbebouwing van het land, of konden veroorzaakt zijn door langdurige droogte, omstandigheden waardoor produktief land in onvruchtbaar braakland veranderde (Jes. 33:9; Jer. 51:43). Met het bepalend lidwoord duidt het woord ook een specifiek gedeelte van het Beloofde Land aan. Een ander woord, tsi·jahʹ, beschrijft een willekeurige „waterloze streek” en wordt parallel met de eerder genoemde woorden gebezigd. — Ps. 72:9; 107:35.

Zelfs de streken die in de bijbel als „woestijn” worden aangeduid, waren zelden zandwoestijnen zoals bepaalde delen van de Sahara met hun golvende zandduinen. Gewoonlijk waren het betrekkelijk boomloze, dorre of halfdorre vlakten, rotsplateaus of verlaten waterloze valleien, ingeklemd tussen hoge bergen en kale pieken. — Job 30:3-7; Jer. 17:6; Ezech. 19:13.

OMSTANDIGHEDEN IN DE WILDERNIS

Vermoeide reizigers die langs de veel betreden paden trokken (Jer. 12:12), zochten wellicht schaduw onder de dunne, roedevormige takken van een bremstruik (1 Kon. 19:4, 5), of onder een armetierige dwergjeneverboom (Jer. 48:6) of naast de knoestige stam van een tamarisk met zijn vederachtige lover van altijdgroene blaadjes (Gen. 21:33). Hoog daarboven cirkelden arenden en andere roofvogels aan een wolkeloze hemel (Deut. 32:10, 11), terwijl hoornadders en pijlslangen over rotsen en onder struiken gleden, zandhagedissen rondscharrelden en grote varanen zich op hun korte, sterke poten waggelend voortbewogen (Lev. 11:30; Ps. 140:3; Jes. 34:15). Steenbokken vertoonden zich op uitstekende rotsen (1 Sam. 24:2), wilde ezels, zebra’s, kamelen en struisvogels deden zich te goed aan de schaarse plantengroei, en men kon er zelfs pelikanen en stekelvarkens aantreffen (Job 24:5; 39:5, 6; Jer. 2:24; Klaagl. 4:3; Zef. 2:13, 14). ’s Nachts voegde zich het gekras van uilen of de schrille kreet van de nachtzwaluw bij het gehuil van jakhalzen en wolven, waardoor het gevoel van woestheid en verlatenheid nog werd versterkt (Jes. 34:11-15; Jer. 5:6). Mensen die in een wildernisgebied overnachtten, voelden zich daar gewoonlijk niet erg veilig. — Vergelijk Ezechiël 34:25.

„WILDERNIS” IN DE CHRISTELIJKE GRIEKSE GESCHRIFTEN

Hier komt het Griekse woord e·reʹmos over het algemeen overeen met het Hebreeuwse midh·barʹ (Luk. 15:4). Het dient ter aanduiding van de wildernis waar Johannes de Doper zijn prediking verrichtte (Matth. 3:1), de „woestijnen” waarin voorchristelijke mannen van geloof ronddoolden (Hebr. 11:38) en de eenzame plaatsen waar een zekere door demonen bezeten man in werd gejaagd (Luk. 8:27-29). Nadat Jezus gedoopt was, vastte hij en werd toen door Satan in een wildernisgebied verzocht (Matth. 4:1; vergelijk Leviticus 16:20-22). Jezus zocht tijdens zijn bediening vaak zijn toevlucht in de wildernis om er te bidden (Luk. 5:16). Hij verzekerde zijn discipelen echter dat zijn tegenwoordigheid niet in zo’n eenzame wildernis zou plaatsvinden (Matth. 24:26). In de tijd dat de apostel Paulus zijn zendingsreizen maakte, kende de wildernis nog steeds haar eigen bijzondere gevaren. — 2 Kor. 11:26; vergelijk Handelingen 21:38.

FIGUURLIJK GEBRUIK

Wildernisgebieden, dunbevolkt als ze waren en waaraan door mensen weinig aandacht werd besteed en die ook niet werden bebouwd, werden dikwijls gebruikt om een aanschouwelijke voorstelling te geven van de verwoestende gevolgen van vijandelijke invasies. Wegens Juda’s trouweloosheid zouden de Babylonische legers Juda’s ’heilige steden tot een wildernis maken, Sion zelf tot louter een wildernis en Jeruzalem tot een verlaten woestenij’ (Jes. 64:10), en al zijn boomgaarden en bebouwde akkers zouden het aanzien van een wildernis krijgen (Jer. 4:26; 9:10-12). Zijn vorstelijke heersers, die als de majestueuze ceders van een woud waren, zouden worden geveld (Jer. 22:6, 7; vergelijk Ezechiël 17:1-4, 12, 13). Anderzijds zouden de vijandelijke natiën zoals Babylon, Egypte, Edom en andere als vergelding voor hun haat en tegenstand tegen Gods koninkrijksregeling een soortgelijk lot ondergaan. Vooral Babylon werd ertoe veroordeeld een „waterloze wildernis en een woestijnvlakte” te worden, onbewoond, vergeten in haar verlatenheid. — Jer. 50:12-16; Joël 3:19; Zef. 2:9, 10.

In tegenstelling daarmee zou het herstel van Juda na de 70-jarige ballingschap zijn alsof een wildernisgebied werd veranderd in een Edense tuin, met vruchtbare boomgaarden en produktieve velden, bevloeid door beken en rivieren, met rietplanten, loofrijke bomen en bloeiende bloemen. Dit alles zou de indruk wekken dat het land zich verheugde. — Jes. 35:1, 2; 51:3.

Personen

Uit soortgelijke verwijzingen naar afzonderlijke personen blijkt dat zulke profetieën in de eerste plaats veeleer een geestelijke dan een letterlijke toepassing hebben. Zo wordt de man die op mensen in plaats van op Jehovah vertrouwt, vergeleken met een eenzame boom in een woestijnvlakte, die geen hoop heeft het goede te zien. Maar wie op Jehovah vertrouwt, is als „een boom geplant bij de wateren”, die veel vrucht draagt, welig tiert en zich in zekerheid verheugt (Jer. 17:5-8). Deze tegenstelling is ook een hulp om zich een beeld te vormen van wat een wildernis inhield.

De „wildernis van de zee”

De „wildernis [midh·barʹ] van de zee” in Jesaja 21:1 is door sommige commentators opgevat als een raadselachtige uitdrukking die betrekking heeft op het zuidelijke deel van het oude Babylonië. Ieder jaar als de Eufraat en de Tigris buiten hun oevers traden, werd dit gebied als een ’wilderniszee’. De Griekse Septuaginta-vertaling laat het woord voor „zee” uit deze tekst weg, en de medeklinkertekst in de Dode-Zeerol van Jesaja presenteert een variabele lezing die met „woorden” weergegeven kan worden. Daarom opperen sommigen de volgende vertaling voor Jesaja 21:1: „Woorden als stormwinden die door de Negeb gieren, die uit de woestijn komen, uit een vrees inboezemend land” (The Interpreter’s Bible, Deel V, blz. 286). Indien men deze weergave aanvaardt, zou ermee te kennen gegeven kunnen worden dat de „woorden” van een „hard visioen” (vs. 2) tegen Babylon door de geest van de profeet raasden zoals woestijnstormen over de Negeb.

In de Openbaring

Het begrip „wildernis” wordt in de Openbaring in twee verschillende betekenissen gebruikt: als de eenzame plaats waar de symbolische vrouw die het mannelijke koningskind heeft gebaard een schuilplaats tegen aanvallers vindt (Openb. 12:6, 14), en als het tehuis van wilde dieren waar de symbolische vrouw, „Babylon de Grote”, het zevenkoppige wilde beest berijdt. — Openb. 17:3-6, 12-14.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen