TACHPANES
(Tachpanes), Tachpanches (Tachpanches), Techafneches (Techafneches) [misschien: ambtswoning van de Nubiër].
Een stad in Egypte die vaak samen met andere steden van Noord- of Neder-Egypte werd genoemd, zoals Nof (Memphis), On (Heliopolis) en Pi-Bezeth (Boebastis).
De Griekse Septuaginta-vertaling geeft Tachpanches met Tafʹnas weer, en men neemt algemeen aan dat deze naam overeenkomt met die van een belangrijke vestingstad aan de oostgrens van Egypte, die door de klassieke Griekse schrijvers Daphne werd genoemd. De meeste geografen identificeren Tachpanches dan ook met Tell Defne, een kleine 50 km ten Z.Z.W. van Port Said en ongeveer 35 km ten Z.W. van Pelusium, de plek waar Sin gelegen zou hebben.
Gedurende de laatste jaren van het koninkrijk Juda waarschuwde de profeet Jeremia voortdurend geen politieke bondgenootschappen met Egypte aan te gaan of zich vanwege de opkomende macht Babylon voor hulp op Egypte te verlaten. Over Nof (Memphis), de Egyptische hoofdstad, en Tachpanches wordt gezegd dat ze wegens de afvalligheid der joden Juda en Jeruzalem „de schedel [bleven] afweiden”. De vorsten van Juda moesten elke steun van Egypte ongetwijfeld duur betalen; maar zij zouden over Egypte beschaamd worden, zoals zij ook over Assyrië beschaamd waren geworden. — Jer. 2:1, 2, 14-19, 36.
Na de verovering van Juda door Babylon in 607 v.G.T., en de daaropvolgende moord op Gedalja, trok het joodse overblijfsel naar Egypte en nam de profeet Jeremia mee. De eerstgenoemde plaats in Egypte waar zij aankwamen (of zich vestigden), was Tachpanches (Jer. 43:5-7). Dit duidt erop dat Tachpanches kennelijk in het oostelijke deltagebied lag, d.w.z. in de noordoosthoek van NederEgypte. Enkele van de vluchtelingen vestigden zich in Tachpanches (Jer. 44:1, 7, 8). Na zijn aankomst in Tachpanches voerde Jeremia op aanwijzing van Jehovah een profetisch tafereel op, waarbij hij in aanwezigheid van de andere joden stenen legde in de mortel van „het tichelterras dat bij de ingang van het huis van Farao in Tachpanches is”. Vervolgens maakte hij bekend dat Nebukadnezar zou komen en zijn troon boven op deze stenen zou zetten en zijn staatsietent erover zou uitspreiden. — Jer. 43:8-13; vergelijk 46:13, 14.
In het ver weg gelegen Babylon voorzei de profeet Ezechiël (in het 27ste jaar van de eerste deportatie, namelijk 591 v.G.T.) eveneens dat Nebukadnezar Egypte zou veroveren en dat „in Techafneches . . . de dag werkelijk donker [zou] worden”, omdat Jehovah daar de jukhouten en de trots van Egyptes sterkte zou verbreken. Deze verklaring en het feit dat Ezechiël over de „onderhorige plaatsen” van Tachpanches spreekt, geeft te kennen dat het een belangrijke en grote stad was. — Ezech. 29:19; 30:1, 2, 10-18.