TROTS.
Buitensporige eigendunk; een onredelijke overwaardering van iemands eigen talenten, schoonheid, rijkdom, maatschappelijke positie, enz.; minachting jegens anderen; onbeschaamd of arrogant optreden; een hautaine houding. Trots kan — zij het zeldzamer — in positieve zin ook gerechtvaardigde vreugde of opgetogenheid over een prestatie of een bezit zijn. Synoniemen van trots zijn egotisme, arrogantie en hoogmoed.
Vormen van het Hebreeuwse grondwoord, ga·’ahʹ, kunnen behalve met „trots” ook vertaald worden met „hoogmoed”, „zelfverheffing” en — zowel in positieve als in negatieve zin — met „uitnemendheid”, „uitnemend”, „uitgelaten” en andere Nederlandse uitdrukkingen die overeenkomen met de grondbetekenis van het woord ga·’ahʹ, namelijk „zich verheffen, hoog of verheven zijn”.
Het Griekse woord kau·chaʹo·mai, dat „zich beroemen, roemen, pochen, juichen, zich verheugen” betekent, wordt met inachtneming van de context eveneens zowel in positieve als in negatieve zin gebruikt.
TROTS IS BEDRIEGLIJK EN HEEFT EEN VERWOESTENDE UITWERKING
De trotse persoon is zich misschien niet van zijn trots bewust en zal zijn handelwijze wellicht aan andere oorzaken toeschrijven om niet te hoeven toegeven dat hij trots is. Wie wil vaststellen of hij deze slechte karaktertrek bezit, dient zichzelf en zijn beweegredenen grondig te onderzoeken. De apostel Paulus maakte duidelijk dat de beweegredenen juist moeten zijn en dat men zichzelf in dit opzicht goed moet kennen, toen hij zei: „Al geef ik al mijn bezittingen om anderen te spijzigen, en al geef ik mijn lichaam over om te kunnen roemen [kau·cheʹso·mai], maar heb geen liefde, dan baat het mij in het geheel niet.” — 1 Kor. 13:3.
In het belang van zichzelf dient men trots derhalve uit zijn persoonlijkheid te bannen, en helemaal wanneer men God wil behagen.
Wie zijn trots niet aflegt, zal schade lijden. „Trots komt vóór een ineenstorting, en een hoogmoedige geest vóór struikeling” (Spr. 16:18), en „het huis van wie zich verheffen zal Jehovah neerhalen” (Spr. 15:25). Er zijn talloze voorbeelden waaruit blijkt dat trotse personen, koningsdynastieën en natiën ten val zijn gekomen. — Lev. 26:18, 19; 2 Kron. 26:16; Jes. 13:19; Jer. 13:9; Ezech. 30:6, 18; 32:12; Dan. 5:22, 23, 30.
Trots is bedrieglijk. De apostel Paulus geeft de waarschuwing: „Indien iemand denkt dat hij iets is, terwijl hij niets is, dan bedriegt hij zijn eigen geest” (Gal. 6:3). De trotse persoon schijnt de voor hem nuttigste of voordeligste weg te gaan, maar hij laat God buiten beschouwing. (Vergelijk Jeremia 49:16; Openbaring 3:17.) De bijbel zegt: „Beter is het ootmoedig van geest te zijn met de zachtmoedigen, dan buit te delen met wie zich verheffen.” — Spr. 16:19.
ZICH BEROEMEN
Het Griekse woord kau·chaʹo·mai, „zich beroemen” of „roemen”, wordt veelvuldig in de zin van zelfzuchtige trots gebruikt. De bijbel laat zien dat niemand enige reden heeft om over zichzelf of zijn prestaties te roemen. In de christelijke gemeente te Korinthe bevonden zich enkelen die trots waren op zichzelf of op anderen en aldus verdeeldheid in de gemeente veroorzaakten. Zij dachten vleselijk en zagen naar mensen op in plaats van naar Christus (1 Kor. 1:10-13; 3:3, 4). Zij hadden geen belangstelling voor het geestelijk welzijn van de gemeente, maar wilden over de uiterlijke verschijning roemen en waren in feite niet bereid hun medechristenen te helpen een goed hart voor het aangezicht van God te ontwikkelen (2 Kor. 5:12). De apostel Paulus wees de gemeente dan ook streng terecht en vermaande hen in niemand anders te roemen dan in Jehovah God en in datgene wat hij voor hen had gedaan (1 Kor. 1:28, 29; 4:6, 7). De regel luidde: „Wie roemt, roeme in Jehovah.” — 1 Kor. 1:31; 2 Kor. 10:17.
Jezus’ halfbroer Jakobus ging nog een stap verder en veroordeelde zelfs personen die roemden over bepaalde wereldse plannen die zij wilden uitvoeren, door tot hen te zeggen: „Gij [gaat] prat op uw aanmatigend gesnoef. Al zulk pochen is goddeloos.” — Jak. 4:13-16; vergelijk Spreuken 27:1.
GERECHTVAARDIGDE TROTS
Het Hebreeuwse woord ga·’ahʹ en het Griekse woord kau·chaʹo·mai kunnen, in positieve zin, ook betrekking hebben op een gerechtvaardigde trots die voortspruit uit de vreugde over een prestatie of over iets wat men bezit. De psalmist sprak over Israël als „de trots van Jakob, die hij [Jehovah] heeft liefgehad” (Ps. 47:4). In een herstellingsprofetie zei Jesaja dat de vrucht van het land „iets [zou] zijn om trots op te zijn” (Jes. 4:2). De apostel Paulus maakte in zijn brief aan de Thessalonicenzen melding van hun geloof, hun liefde en hun volharding en schreef: „Vandaar dat wijzelf trots op u zijn onder de gemeenten van God” (2 Thess. 1:3, 4). Christenen zijn er trots op dat Jehovah hun God is, dat zij hem hebben leren kennen en dat hij hen erkent. Zij volgen het beginsel: „Wie zich beroemt, die beroeme zich wel hierop, dat hij inzicht heeft en kennis van mij, dat ik Jehovah ben, die liefderijke goedheid, gerechtigheid en rechtvaardigheid oefent op aarde.” — Jer. 9:24; vergelijk Lukas 10:20.