GARNIZOEN.
Het Hebreeuwse woord netsivʹ kan duiden op een tamelijk permanent contingent soldaten dat op een militaire basis gestationeerd is. Het verwante Hebreeuwse woord mats·tsavʹ heeft een soortgelijke betekenis. — 1 Sam. 13:23; 14:1, 4, 6, 11, 12, 15; 2 Sam. 23:14.
De Filistijnen hadden onder de regering van Saul en van David garnizoenen op Israëlitisch grondgebied (1 Sam. 10:5; 13:3, 4; 1 Kron. 11:16). Nadat David Syrië en Edom had verslagen, hield hij op hun grondgebied garnizoenen in stand om rebellie te voorkomen (2 Sam. 8:6, 14; 1 Kron. 18:13). Teneinde de vrede en zekerheid in het land te waarborgen, stationeerde Josafat garnizoenen in Juda en in de steden van Efraïm die Asa ingenomen had (2 Kron. 17:1, 2). De aanwezigheid van zo’n legerafdeling droeg er veel toe bij om in gebieden waar de kans bestond dat de inheemse bevolking in opstand zou komen, de orde te handhaven en de belangen van de koning te beschermen.
In de 1ste eeuw G.T. was in Jeruzalem een Romeins garnizoen gestationeerd. Het was ondergebracht in de hooggelegen Burcht Antonia, die aan het tempelterrein grensde. Toen een schare joden Paulus de tempel uit sleepte en poogde hem te doden, konden soldaten van het garnizoen hem snel genoeg te hulp komen (Hand. 21:31, 32). Tijdens de joodse feesttijden werd dit garnizoen door extra troepen versterkt.