VRIEND VAN GOD.
Tot de goddelijke zegeningen waarmee Abraham werd begunstigd, behoorde het voorrecht en de eer „Jehovah’s vriend” genoemd te worden. Deze aanduiding viel hem ten deel wegens zijn buitengewone geloof, dat hij op de grootst mogelijke wijze bewees door zich bereid te tonen zijn zoon Isaäk te offeren. — Jes. 41:8; 2 Kron. 20:7; Jak. 2:21-23.
Dat het door een juist gebruik van „onrechtvaardige rijkdom” mogelijk is vriendschap te sluiten met Jehovah God en zijn Zoon, die iemand in „de eeuwige woonplaatsen” kunnen ontvangen, maakte Jezus Christus duidelijk in zijn illustratie van de onrechtvaardige beheerder (Luk. 16:1-13). Jezus noemde zijn discipelen in feite zijn vrienden, en derhalve waren zij ook de vrienden van zijn Vader (Joh. 15:13-15; 14:21). De vereisten waaraan iemand moet voldoen om als een van Jehovah’s vrienden een gast in zijn tent te mogen zijn, worden in Psalm 15:1-5 uiteengezet. Vriendschap met de wereld betekent daarentegen vijandschap met God (Jak. 4:4; 1 Joh. 2:15-17). De mensheid in het algemeen is van God vervreemd en bevindt zich in vijandschap met hem. Toch is er verzoening mogelijk, maar alleen door Jezus Christus en de bediening van de verzoening die God aan de gezanten van zijn Zoon heeft toevertrouwd. Uiteindelijk zal eeuwig leven het exclusieve bezit van Gods vrienden zijn. — 2 Kor. 5:18-20; Openb. 21:3, 4; Ps. 37:29.