Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 482
  • Getrouwe en beleidvolle slaaf

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Getrouwe en beleidvolle slaaf
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Vergelijkbare artikelen
  • Getrouwe en beleidvolle slaaf
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • De „slaaf” die nog leefde toen het „teken” te zien was
    Gods duizendjarige koninkrijk is nabij gekomen
  • „Wie is werkelijk de getrouwe en beleidvolle slaaf?”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2013
  • De getrouwe beheerder en het Besturende Lichaam
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2009
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 482

GETROUWE EN BELEIDVOLLE SLAAF.

In het antwoord dat Jezus Christus de apostelen gaf op hun vraag omtrent zijn toekomstige tegenwoordigheid en het besluit van het bestaande samenstel van dingen, vertelde hij onder andere een gelijkenis of illustratie die handelde over een „getrouwe en beleidvolle slaaf” en een „boze slaaf”. De getrouwe slaaf werd door zijn meester aangesteld over diens huisknechten om ervoor te zorgen dat zij hun voedsel kregen. Indien de slaaf bij de komst van zijn meester (die kennelijk terugkwam van de een of andere reis) werd goedgekeurd, zou hij als beloning over alle bezittingen van de meester worden aangesteld. — Matth. 24:3, 45-51.

In de parallelle illustratie in Lukas 12:42-48 wordt de slaaf een „beheerder” genoemd, d.w.z. een huismeester of -bestuurder, iemand die over dienstknechten is aangesteld, alhoewel hij zelf eveneens een dienstknecht is. In de oudheid nam een getrouwe slaaf dikwijls die positie in. (Vergelijk Genesis 24:2; ook het geval van Jozef in Genesis 39:1-6.) In Jezus’ illustratie krijgt de beheerder eerst slechts tot taak het toezicht uit te oefenen op de voedselbenodigdheden en er zorg voor te dragen dat dit voedsel op de juiste tijd aan het lichaam van bedienden of dienstknechten van de meester wordt uitgedeeld. Omdat hij zich op getrouwe en beleidvolle wijze van deze bediening kwijt, wordt zijn toewijzing later uitgebreid en krijgt hij het toezicht over alle bezittingen van de meester. Het is duidelijk wie de hier genoemde „meester” (Grieks: kuʹri·os, ook weergegeven met „heer”) is, want Jezus had reeds aangetoond dat hijzelf die positie ten aanzien van zijn discipelen innam, en soms spraken zij hem ook zo aan (Matth. 10:24, 25; 18:21; 24:42; Joh. 13:6, 13). Nu rest nog de vraag wie of wat wij onder de figuur van de getrouwe en beleidvolle slaaf of beheerder moeten verstaan en wat er door zijn uitdelen van voedsel aan de huisknechten wordt afgebeeld.

Commentators zien hierin dikwijls een algemene vermaning die gericht wordt tot allen, zonder uitzondering, die een individuele positie van verantwoordelijkheid in de christelijke gemeente bekleden. Het is duidelijk dat het beginsel om zich getrouw en beleidvol van verantwoordelijkheid te kwijten, op al zulke personen van toepassing is. (Vergelijk Mattheüs 25:14-30; Titus 1:7-9.) Niettemin ligt het voor de hand dat elk van deze personen op zich onmogelijk op hetzelfde tijdstip, namelijk bij de aankomst van de meester, over „al” diens bezittingen aangesteld kan worden. Dit betekent echter niet noodzakelijkerwijs dat de „slaaf” slechts één bepaalde persoon afbeeldt die zo’n voorrecht zou krijgen. De Schrift bevat voorbeelden waaruit blijkt dat een enkelvoudig zelfstandig naamwoord wordt gebruikt om een collectieve groep aan te duiden. Zo richt Jehovah zich bijvoorbeeld tot de natie Israël als collectieve groep en zegt dan tot hen: „Gij zijt mijn getuigen [meervoud], . . . ja, mijn knecht [enkelvoud] die ik verkozen heb” (Jes. 43:10). Evenzo zou de figuur van de ontrouwe „boze slaaf” van toepassing kunnen zijn op een collectieve groep, net zoals de „antichrist” een groep of klasse blijkt te zijn die uit individuele antichristen bestaat. — 1 Joh. 2:18; 2 Joh. 7.

Degenen die de christelijke gemeente vormen, worden door de apostel Paulus als „leden van het huisgezin van God” aangeduid (Ef. 2:19; 1 Tim. 3:15), en dezelfde apostel toont aan dat het ’getrouwe beheer’ onder zulke huisgenoten het uitdelen van geestelijke waarheden omvatte waarmee degenen die gelovigen werden, zich konden ’voeden’ (1 Kor. 3:2, 5; 4:1, 2; vergelijk Mattheüs 4:4). Alhoewel dit in de eerste plaats de verantwoordelijkheid LL,was van degenen die als ’herders’ van de kudde waren aangesteld (1 Petr. 5:1-3), toont de apostel Petrus aan dat een dergelijk beheer van de goddelijke waarheden in werkelijkheid aan alle ’uitverkorenen’ van de christelijke gemeente was toevertrouwd (1 Petr. 1:1, 2; 4:10, 11). Derhalve moet de gehele christelijke gemeente zich eensgezind van dit beheer kwijten door die waarheden uit te delen. Terzelfder tijd zouden de individuele leden waaruit dit samengestelde lichaam bestond, ofte wel de „huisknechten” die het „huis” van God vormen (Hebr. 3:6; Ef. 2:19), ook de ontvangers van het uitgedeelde „voedsel” zijn (Hebr. 5:11-14; vergelijk 1 Korinthiërs 12:12, 19-27). Het handhaven van getrouwheid tot aan de beloofde „aankomst” van de meester zou met uitgebreidere verantwoordelijkheid worden beloond. — Matth. 24:46, 47; Luk. 12:43, 44.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen