KIND, KINDEREN.
De Schepper, Jehovah, heeft de mens het vermogen geschonken zich te vermenigvuldigen, d.w.z. kinderen voort te brengen, die op hun beurt volwassen en mettertijd zelf ouders zouden worden. De voortplantingsopdracht wordt in Genesis 1:28 onder woorden gebracht. Kinderen te willen hebben is een normaal menselijk verlangen. Voor de Israëlieten uit de oudheid was het voortbrengen van kinderen een belangrijke zaak wegens Gods belofte hen tot een machtige natie te maken en omdat door bemiddeling van hen het zaad van Abraham zou komen, waardoor alle families der aarde gezegend zouden worden (Gen. 28:14). Het hebben van veel kinderen werd als een zegen van God beschouwd (Ps. 127:3-5; 128:3-6). Onvruchtbaarheid werd als een smaad bezien. — Gen. 30:23.
In bijbelse tijden verheugde men zich gewoonlijk meer over de geboorte van een jongen dan van een meisje, ofschoon binnen het gezin de ouders net zo veel van het meisje als van de jongen hielden. De voorkeur voor een jongen was hierin gelegen dat daardoor (1) het voortbestaan van de geslachtslijn en familienaam werd verzekerd, en (2) het familiebezit behouden bleef. De voorrang van het mannelijk geslacht blijkt ook uit het feit dat onder de Wet de reinigingsperiode bij de geboorte van een meisje tweemaal zolang was als bij de geboorte van een jongen (Lev. 12:2-5). De eerstgeboren zoon behoorde Jehovah toe en moest door een offer worden losgekocht. — Ex. 13:12, 13; Num. 18:15.
In de oudheid werd de baby bij de geboorte eerst met water gewassen en vervolgens met zout afgewreven (Ezech. 16:4). Dit deed men om de huid droog, strak en stevig te maken. Daarna werd de baby stevig in doeken gewikkeld of in windsels gebonden (Job 38:9; Luk. 2:12). Twee en een half tot drie jaar, of nog langer, gaf de moeder het kind de borst. Isaäk werd blijkbaar op de leeftijd van ongeveer vijf jaar gespeend. (Vergelijk Genesis 12:4; 21:5; 15:13, 14; Galaten 3:17.) Onder uitzonderlijke omstandigheden, zoals wanneer de moeder stierf of geen melk had, werd van de diensten van een voedster gebruik gemaakt.
Aanvankelijk gaf men kinderen al bij de geboorte een naam; dit werd òf door de vader (Gen. 5:29; 16:15; 21:3; 35:18) òf door de moeder gedaan (Gen. 4:25; 29:32; 1 Sam. 1:20). Later evenwel kregen de jongens in Israël hun naam op de dag van de besnijdenis, d.w.z. op de achtste dag (Luk. 1:59; 2:21). Soms had een jongen dezelfde naam als zijn vader, maar gewoonlijk had de naam te maken met omstandigheden vóór of tijdens de geboorte, of was het een naam die met de naam Jehovah in verband stond. Na verloop van tijd werden bepaalde namen louter traditie en hadden niets meer met de oorspronkelijke betekenis te maken.
De moeders vervoerden hun jonge kinderen op verschillende manieren. Soms werd de kleine op de rug gebonden of op de schouder gedragen. Bij monde van Jesaja spreekt Jehovah over moeders die hun kinderen aan de boezem drukken, ze op de schouders nemen of ze op de zij dragen, net boven de heup (Jes. 49:22; 66:12). Arabische moeders dragen hun kleintjes nog altijd schrijlings op de heup of op de schouder. Mozes spreekt ook over kinderen die aan de boezem worden gedragen. — Num. 11:12.
Jongens werden tot ongeveer hun vijfde levensjaar voornamelijk door de moeder verzorgd. Natuurlijk had in de eerste plaats de vader de verantwoordelijkheid om hen, hierin bijgestaan door de moeder, van kindsbeen af in de Schrift te onderwijzen (Deut. 6:7; Spr. 1:8; Ef. 6:4; 2 Tim. 3:15). Naarmate zij ouder werden, kregen zij van de vader ook praktisch onderricht in de landbouw: zij leerden het akkerland bewerken, de schapen of runderen hoeden of voor de wijngaard zorgen. En had de vader geen agrarisch maar een ander beroep, bijvoorbeeld timmerman of pottenbakker, dan leerde de zoon dit handwerk. Zowel Jozef als David waren in hun jeugd herder. — Gen. 37:2; 1 Sam. 16:11.
De meisjes stonden rechtstreeks onder toezicht van de moeder, maar vanzelfsprekend onder de autoriteit van de vader. Zolang zij thuis waren, leerden zij alles wat er bij een huishouding komt kijken, hetgeen hun in hun latere leven van pas zou komen. Rachel was herderin (Gen. 29:6-9). Jonge vrouwen werkten samen met Ruth op de velden als arenleessters (Ruth 2:5-9), en het Sulammitische meisje zegt dat haar broers haar tot bewaakster van de wijngaarden hadden aangesteld. — Hoogl. 1:6.
Jonge kinderen in Israël wisten zich voor ontspanning uitstekend te vermaken. Jezus sprak over kinderen die op de marktplaats speelden en daarbij volwassenen imiteerden (Matth. 11:16, 17). De Schrift spreekt over kinderen die op de openbare pleinen speelden. — Zach. 8:5.
De goed opgeleide jonge Israëlieten gedachten echter hun Schepper in hun jongelingsdagen. Samuël diende Jehovah als jongen in de tabernakel (1 Sam. 2:11). Jezus had reeds op 12-jarige leeftijd een levendige belangstelling voor het dienen van zijn hemelse Vader en trachtte zoveel mogelijk te leren door met de leraren in de tempel te praten (Luk. 2:41-49). Een klein Hebreeuws meisje met een onwankelbaar geloof en vertrouwen in Jehovah en zijn profeet Elisa bracht Naäman ertoe zich tot Elisa te wenden om van zijn melaatsheid te worden genezen (2 Kon. 5:2, 3). In Psalm 148:12, 13 wordt zowel jongens als meisjes geboden Jehovah te loven. Op grond van hun bijbelse opleiding konden jongens die Jezus in de tempel zagen, uitroepen: „Red toch de Zoon van David!”, en Jezus prees hen daarvoor. — Matth. 21:15, 16.
De ouders waren verantwoordelijk voor de opvoeding en opleiding van hun kinderen, ja, zijzelf moesten hen — niet slechts met de mond maar ook door hun eigen voorbeeld — onderwijzen en leiden. Het opleidingsprogramma zag er als volgt uit: (1) Het kind werd geleerd Jehovah te vrezen (Ps. 34:11; Spr. 9:10). (2) Het werd vermaand zijn vader en moeder te eren (Ex. 20:12; Lev. 19:3; Deut. 27:16). (3) Door discipline of onderricht leerde het kind de Wet met haar geboden en leerstellingen alsmede de daden van Jehovah en de door hem geopenbaarde waarheden kennen doordat deze dingen in de voor indrukken vatbare geest van het jonge nageslacht werden ingescherpt (Deut. 4:5, 9; 6:7-21; Ps. 78:5). (4) Op respect voor ouderen werd de nadruk gelegd (Lev. 19:32). (5) Gehoorzaamheid werd onuitwisbaar in de geest van het kind gegrift (Spr. 4:1; 19:20; 23:22-25). (6) Praktische scholing voor het latere leven kreeg veel aandacht; bij meisjes betrof dat allerlei werkzaamheden in verband met de huishouding, bij jongens lag de nadruk op het leren van een beroep, hetzij dat van de vader of een ander beroep. (7) Er werd onderricht gegeven in lezen en schrijven.
Na de Babylonische ballingschap bevonden zich in de meeste steden synagogen, en in een latere periode werden de jongens daar door leraren onderricht. Daarnaast werd er religieus onderricht gegeven doordat de ouders acht sloegen op Gods uitdrukkelijke gebod hun kinderen mee te nemen naar de bijeenkomsten die werden gehouden ten behoeve van de aanbidding en lofprijzing van Jehovah (Deut. 31:12, 13; Neh. 12:43). Jezus was door zijn ouders meegenomen naar Jeruzalem voor het Pascha. Op de terugweg misten zij hem. Zij vonden hem in de tempel, „waar hij te midden van de leraren zat, naar wie hij luisterde en aan wie hij vragen stelde”. — Luk. 2:41-50.
Als een zoon na herhaalde waarschuwingen en het nodige strenge onderricht weerspannig en absoluut onverbeterlijk bleek te zijn, ging men tot hardere maatregelen over. De zoon werd voor de oudere mannen van de stad gebracht en nadat de ouders hadden getuigd dat hij een verstokt zondaar was, werd hij met de dood door steniging gestraft. Een dergelijke gang van zaken had blijkbaar betrekking op een zoon die niet meer de leeftijd had waarop men gewoonlijk als een jong kind werd beschouwd, want de bijbel beschrijft hem als „een veelvraat en een dronkaard” (Deut. 21:18-21). Wie zijn vader of zijn moeder sloeg of over zijn ouders kwaad afsmeekte, werd ter dood gebracht. Dergelijke strenge maatregelen werden genomen opdat de natie het kwaad uit haar midden zou wegdoen en ’heel Israël het zou horen en werkelijk bevreesd zou worden’. Door zulke boosdoeners te straffen, zou elke in de natie bestaande neiging tot jeugdmisdadigheid of minachting van het ouderlijk gezag krachtig worden tegengegaan. — Ex. 21:15, 17; Matth. 15:4; Mark. 7:10.
OUDERLIJK GEZAG
Het gezag van de ouders, in het bijzonder van de vader in het gezin, was tamelijk verstrekkend. Zolang de vader leefde en in staat was leiding te geven aan het gezin, waren de zoons aan hem onderworpen. Als een zoon echter ten slotte een zelfstandige huishouding opzette, werd hij het hoofd van zijn eigen gezin. Kinderen konden door hun vader, als hij in schulden was geraakt, tijdelijk in slavernij verkocht worden, opdat hij de schulden kon betalen (Ex. 21:7; 2 Kon. 4:1; Matth. 18:25). De autoriteit van de vader over de dochter ging zo ver dat hij een door haar afgelegde gelofte ongeldig kon verklaren. Hij had echter niet de autoriteit zijn dochter te belemmeren in haar aanbidding van Jehovah of haar zover te brengen dat zij in gebreke bleef Jehovah’s geboden te gehoorzamen, aangezien hij als lid van de natie Israël aan God opgedragen was en in alle opzichten aan Gods wet onderworpen was (Num. 30:3-5, 16). Een weduwe of een gescheiden vrouw kon naar haar vaders huis terugkeren en werd dan weer zijn eigendom (Gen. 38:11). Het ouderlijk gezag kwam ook tot uiting bij het huwelijk, daar de ouders voor hun zonen een vrouw kozen of regelingen troffen voor het huwelijk. — Gen. 21:21; Ex. 21:8-11; Recht. 14:1-3.
De erfrechten werden via de vader overgedragen. Dikwijls trachtte een kinderloze echtgenote kinderen te krijgen van haar dienstmaagd door haar als bijvrouw aan haar man te geven. De onvruchtbare echtgenote nam zo’n kind dan als haar eigen kind aan (Gen. 30:1-8). Een onwettig kind kon geen lid zijn van de gemeente Israël (Deut. 23:2). Bij de geboorte van een tweeling werd er heel zorgvuldig op gelet welk kind het eerst ter wereld kwam (Gen. 38:28), aangezien de eerstgeboren zoon twee delen van de erfenis van zijn vader ontving, terwijl de andere zoon slechts één deel ontving (Deut. 21:17; Gen. 25:1-6). Na de dood van de vader nam gewoonlijk de oudste zoon de verantwoordelijkheid op zich om in het levensonderhoud van de vrouwelijke leden van het gezin te voorzien. Wanneer uit een leviraatshuwelijk een zoon werd geboren, werd hij als de zoon van de overledene opgevoed en erfde hij diens bezit. — Deut. 25:6; Ruth 4:10, 17.