OVERSTE
[Hebreeuws: na·si’ʹ].
Een man in een leidinggevende positie, zoals bijv. het door erfopvolging bestemde hoofd van een stam of vaderlijk huis. Het Hebreeuwse woord wordt in bijbelvertalingen afwisselend met „vorst”, „leider”, „overste” weergegeven. De hoofden van de 12 vaderlijke huizen of stammen van Israël werden „oversten” genoemd (Num. 1:16; Joz. 22:14). De uitdrukking wordt bovendien toegepast op de hoofden van de 12 clans die van Ismaël afstamden (Gen. 17:20; 25:16). De titel „overste” werd ook voor regeerders als koning Salomo en koning Zedekia gebruikt (1 Kon. 11:34; Ezech. 21:25). Dat Abraham, het familiehoofd, bij God in hoog aanzien stond, bleek uit het feit dat de Hethieten hem een „overste van God” noemden. — Gen. 23:6.
De Israëlieten waren verplicht een overste met gepast respect te bejegenen en mochten hem nooit beschimpen (Ex. 22:28). Toen de apostel Paulus voor het Sanhedrin terechtstond, beval de hogepriester Ananias degenen die bij Paulus stonden, hem op de mond te slaan. Daarop zei Paulus tot hem: „God zal u slaan, gij witgekalkte muur”, niet wetend dat degene tot wie hij sprak de hogepriester was. Toen hem dit onder de aandacht werd gebracht, zei hij: „Ik wist niet, broeders, dat hij hogepriester was. Want er staat geschreven: ’Gij moogt niet nadelig spreken over een regeerder van uw volk.’” — Hand. 23:1-5.
Alhoewel oversten met respect bejegend moesten worden, dienden ook zij de wet van God te gehoorzamen. Wanneer zij tegen de Wet zondigden, moesten zij aan de in de Wet voorgeschreven bepalingen betreffende zulke zonden voldoen. Vanwege hun verantwoordelijke positie en de uitwerking die hun gedrag, hun voorbeeld op grond van hun invloed op anderen zou hebben, werd er bij de zondeoffers die zij persoonlijk brachten wanneer zij onopzettelijk een gebod van God hadden overtreden, een onderscheid gemaakt. De hogepriester moest een jonge stier offeren, een overste een geitebokje en iemand van het overige volk hetzij een geitje of een ooilam. — Lev. 4:3, 22, 23, 27, 28, 32.