BRANDMERKEN
[Grieks: stigʹma·ta, ingebrande merktekens, brandmerken, tatoeëringen].
Onder sommige heidense volkeren bestond de gewoonte om merktekens in verschillende patronen in het vlees van slaven te branden of te graveren om te voorkomen dat zij wegliepen. Paulus maakt in 1 Timotheüs 4:2 (SV) melding van een brandijzer. Afgodenaanbidders droegen af en toe de naam, het symbool of de beeltenis van hun afgod op hun lichaam om te laten zien dat zij deze afgod toegewijd waren. Onder de Mozaïsche wet was het verboden het vlees opzettelijk te misvormen (Lev. 19:28). Volgens de Wet mocht aan een slaaf geen ander kenteken worden toegebracht dan hem het oor te doorboren wanneer hij vrijwillig vroeg zijn meester „tot onbepaalde tijd” als slaaf te mogen dienen. — Deut. 15:16, 17.
Paulus schreef aan de Galaten: „Ik draag op mijn lichaam de brandmerken van een slaaf van Jezus” (Gal. 6:17). Paulus werd wegens zijn christelijke dienst vaak lichamelijk mishandeld, waarvan hij ongetwijfeld littekens overhield, ter staving van zijn bewering dat hij een getrouwe slaaf van Jezus Christus was (2 Kor. 11:23-27). Misschien waren dit de door Paulus genoemde brandmerken. Hij kan echter ook verwezen hebben naar het leven dat hij als christen onder de invloed van de heilige geest leidde, doordat hij ’zijn lichaam beukte en het als een slaaf leidde’, de vrucht van de geest voortbracht en zich van zijn christelijke bediening kweet. — 1 Kor. 9:27.