DOORNSTRUIK
[Hebreeuws: ’a·tadhʹ].
Er bestaan verschillende meningen omtrent de vraag welke plant met het Hebreeuwse woord bedoeld wordt. Het verwante Arabische woord wordt soms toegepast op de wegedoorn (soortnaam voor allerlei doornige planten die met de botanische naam Rhamnus worden aangeduid), en deze identificatie wordt door de weergave van het Hebreeuwse woord in de Griekse Septuaginta en de Latijnse Vulgaat ondersteund. De wegedoorn van Palestina is een woekerende struik, die 60 cm tot 1,80 m hoog wordt. Zijn takken zijn met scherpe, sterke stekels bekleed. Hoewel hij veelvuldig in de lagere, warmere streken van het land voorkomt, is hij ook in de bergstreken te vinden, bijvoorbeeld in Jeruzalem. Anderen vermoeden dat het hier gaat om de Rubus sanctus of Palestijnse braamstruik. Als derde plant komt de boksdoorn of Lycium europaeum in aanmerking, een doornige struik die 90 cm tot 1,80 m hoog wordt, kleine lila bloemen heeft en kleine, ronde, eetbare rode bessen draagt.
Het bekendste bijbelgedeelte waarin de doornstruik voorkomt, is Rechters 9:8-15, waarin de olijfboom, de vijgeboom en de wijnstok tegenover de lage doornstruik worden geplaatst. Zoals later uit het hoofdstuk blijkt, stellen de waardevolle planten achtenswaardige personen voor, zoals bijvoorbeeld Gideons 70 zonen, die niet trachtten het koningschap over hun mede-Israëlieten te verkrijgen, terwijl de doornstruik, die alleen maar geschikt was als brandstof, een afbeelding is van het koningschap van Abimelech, die alle zonen van Gideon, zijn broers, op één na had vermoord (Recht. 9:1-6, 16-20). Jothams opmerking dat de andere symbolische „bomen” toevlucht zouden zoeken in de schaduw van de doornstruik, was ongetwijfeld ironisch bedoeld, want natuurlijk kon de lage doornstruik geen schaduw bieden aan bomen, vooral niet aan de genoemde statige ceders.
Jotham waarschuwde dat er vuur van de doornstruik zou kunnen uitgaan en „de ceders van de Libanon [zou kunnen] verteren”. Hierdoor werd mogelijkerwijs gezinspeeld op het gemak waarmee de droge en bladloze plant in de hete zomermaanden vlam kon vatten. Uit Psalm 58:9 blijkt eveneens dat de doornstruik als brandstof diende, en ook nu nog gebruiken de Arabieren hem voor dit doel.