VOETKETTINKJE, VOETRING.
Enkelbanden of sierringen die boven de enkel om het been werden gedragen, werden in de oudheid in het Midden-Oosten algemeen gebruikt. Ze waren vervaardigd van materialen als koper, goud, zilver, ijzer, glas en ivoor. Op Egyptische monumenten staan zowel mannen als vrouwen ermee afgebeeld, en in Egypte werden voetringen en armbanden vaak als bij elkaar passende setjes gemaakt. Archeologen hebben overal in Palestina veel voetringen gevonden, waaronder bronzen voetringen die in doorsnede van 6-11 cm variëren. Opgravingen in Beth-Semes hebben een paar ijzeren voetringen opgeleverd die wellicht in de tijd van David zijn gemaakt.
Zware voetringen konden, als ze bij het lopen tegen elkaar sloegen, een rinkelend geluid maken. Soms werden echter kiezelsteentjes in holle voetringen of enkelbanden gedaan teneinde geluid te maken, en in meer recente tijd droegen Arabische meisjes bij gelegenheid ook voetringen met kleine belletjes eraan. Soms waren aan de voetringen die een vrouw droeg ook enkelkettinkjes vastgemaakt, die deze sieraden met elkaar verbonden. De kettinkjes maakten bij het lopen een rinkelend geluid en trokken natuurlijk net als de voetringen de aandacht. Enkelkettinkjes of voetkettinkjes verhinderden een vrouw ook grote stappen te nemen, zodat zij met trippelende pasjes liep, wat waarschijnlijk als een gracieuze of statige vrouwelijke tred werd beschouwd. — Jes. 3:16-20.