ADJUDANT
[Hebreeuws: sja·lisjʹ, derde man, verwijst naar de derde krijgsman in een strijdwagen].
Het woord sja·lisjʹ wordt in verschillende bijbelvertalingen weergegeven met „hoofdman”, „aanvoerder”, „ridder”, „krijgsman”, „officier”, „bevelvoerder”, „adjudant”, enz.
Op sommige gedenktekens waarop „Hethitische” en Assyrische strijdwagens worden afgebeeld, ziet men drie mannen: de wagenmenner, de strijder met zwaard, speer of boog, en de schilddrager. Alhoewel er geen gedenktekens zijn gevonden die Egyptische wagens met een bezetting van drie man tonen, wordt deze uitdrukking wel in Exodus 14:7 in het Hebreeuws met betrekking tot Farao’s wagenmenners gebruikt. De derde krijgsman op de wagen, gewoonlijk degene die het schild droeg, was een helper van de bevelhebber in de strijdwagen, een adjudant. Het woord „adjudant” betekent letterlijk „iemand die helpt: assistent”.
Na te hebben vermeld dat Salomo niemand van de zonen van Israël tot slaaf maakte, zegt 1 Koningen 9:22: „Want zij waren de krijgslieden en zijn knechten en zijn vorsten en zijn adjudanten en de oversten van zijn wagenmenners en van zijn ruiters.” C. F. Keil zegt in Biblical Commentary on the Old Testament dat de uitdrukking sja·li·sjimʹ (meervoud), die in deze passage wordt gebruikt, opgevat kan worden als „koninklijke adjudanten, hoofdmannen van de koninklijke strijdwagens en cavalerie”.