SIMEONIETEN
(Simeoni̱e̱ten) [Van (behorend tot) Simeon].
De nakomelingen van Jakobs tweede zoon Simeon. Na de ongeveer veertig jaar durende omzwerving in de wildernis waren er onder de Simeonieten slechts 22.200 mannen van twintig jaar oud en daarboven die geschikt waren voor militaire dienst, waarmee de Simeonieten de kleinste van de twaalf stammen vormden. Zij waren verdeeld in vijf hoofdfamilies — de Nemuëlieten, de Jaminieten, de Jachinieten, de Zarhieten en de Saulieten (Nu 25:14; 26:1, 2, 12-14; Joz 21:4; 1Kr 27:16). Zo er al nakomelingen waren van een zesde zoon, Ohad, dan waren die toen deze tweede volkstelling werd gehouden waarschijnlijk te klein in aantal om als een afzonderlijke familie genoemd te worden. — Ge 46:10; Ex 6:15.