NAÄMA
(Na̱äma) [Aangenaam].
1. Nakomelinge van Kaïn; zuster van Tubal-Kaïn en dochter van Lamech en Zilla. — Ge 4:17-19, 22.
2. Ammonitische vrouw van Salomo en moeder van Rehabeam. — 1Kon 14:21; 2Kr 12:13.
3. Een Judese stad in de Sjefela (Joz 15:20, 33, 41). De precieze ligging ervan is onzeker.