MATTATHA
(Matta̱tha) [waarschijnlijk een verkorte vorm van het Hebr. Mattithjah, wat „Geschenk van Jehovah” betekent].
Een man uit de stam Juda die een zoon van Nathan en een kleinzoon van David was. Volgens het door Lukas opgetekende geslachtsregister van Christus (via moederszijde) was hij een voorvader van Jezus. — Lu 3:23, 31.