KENIZZIET
(Kenizzi̱e̱t) [Van (behorend tot) Kenaz].
1. Lid van een niet-Israëlitisch volk dat in of in de omgeving van Kanaän woonde. Jehovah had het gebied van de Kenizzieten aan Abrahams zaad beloofd (Ge 15:18, 19). Voordat de Israëlieten het Beloofde Land veroverden, waren de Kenizzieten kennelijk vanuit het ZO naar de Negeb getrokken en hadden zich mogelijk verspreid over een deel van Edom alsook over dat wat later het zuidelijke gebied van Juda werd.
Sommige geleerden brengen de Kenizzieten in verband met de Kenaz die een stamhoofd van Edom was en via Elifaz van Esau afstamde (Ge 36:15, 16), om welke reden men hen als een prominente Edomitische familie beschouwt. Er bestaat echter onzekerheid over de vraag wie nu eigenlijk de voorvader van de Kenizzieten is geweest, want in de bijbel zelf worden daarover geen bijzonderheden verschaft. Het feit dat Jehovah in de tijd van Abraham de Kenizzieten noemde onder degenen die het gebied bewoonden dat in het bezit zou komen van Abrahams zaad (Ge 15:18, 19), pleit niet voor de zienswijze dat de Kenizzieten nakomelingen waren van Esau, die destijds nog niet geboren was.
2. De getrouwe Kaleb wordt „de zoon van Jefunne, de Kenizziet,” genoemd (Nu 32:12; Joz 14:6, 14). Jefunne kan afgestamd zijn van een niet-Israëlitische Kenizziet (Ge 15:18, 19), die zich bij de nakomelingen van Jakob (Israël) aansloot en een Israëlitische vrouw trouwde. Het is echter waarschijnlijker dat de naam Kenizziet in dit geval is afgeleid van een Judese voorvader, een familiehoofd met de naam Kenaz, want ook Kalebs broer heette zo. — Joz 15:17; Re 1:13; 1Kr 4:13.