JAFIA
(Jafi̱a).
[1, 2: Moge (God) in lichtglans verschijnen; (God) is in lichtglans verschenen]
1. De koning van Lachis, die zich met zijn leger bij de strijdkrachten van vier andere koningen der Amorieten aansloot om Gibeon te straffen daar het vrede met Israël had gesloten (Joz 10:3-5). Op Gibeons hulpgeroep trok Jozua met zijn strijdkrachten van Gilgal op om de Gibeonieten te hulp te komen. In de daaropvolgende strijd sloten de Israëlieten Jafia en de met hem verbonden koningen in een grot bij Makkeda in. Later werden hij en de andere koningen terechtgesteld en hun lichamen tot zonsondergang aan palen gehangen. Daarna wierp men hen in de grot waarin zij toevlucht hadden gezocht. — Joz 10:6-27.
2. Een zoon van David die in Jeruzalem werd geboren. — 2Sa 5:14, 15; 1Kr 3:7; 14:6.
3. Een grensplaats van Zebulon (Joz 19:10, 12). Ze wordt geïdentificeerd met het hedendaagse Yafa (Yafia), nog geen 3 km ten ZW van Nazareth.