BECHER
(Be̱cher) [Jonge kameelhengst].
1. De als tweede genoemde zoon van Benjamin in de lijst van Jakobs nakomelingen in Genesis hoofdstuk 46. (Zie Ge 46:21; 1Kr 7:6.) Becher wordt in de geslachtsregisters in Numeri 26:38 en 1 Kronieken 8:1, 2 weggelaten. Zijn nakomelingen via zijn negen zonen als familiehoofden telden volgens het in 1 Kronieken 7:8, 9 opgetekende verslag 20.200 „dappere, sterke mannen”.
2. Familiehoofd van de Bachrieten (Becherieten, Lu; SV) uit de stam Efraïm. — Nu 26:35.