AZAZJA
(Aza̱zja) [Jehovah heeft zich superieur in sterkte betoond].
1. Een van de zes harpisten in de optocht die de ark van het verbond naar Jeruzalem bracht. — 1Kr 15:21.
2. Vader van Hosea, een vorst van de stam Efraïm in Davids tijd. — 1Kr 27:16, 20, 22.
3. Een leviet, een van de tien gemachtigden die door koning Hizkia waren aangesteld om opzicht te voeren over het brengen van de bijdragen voor Jehovah’s huis. — 2Kr 31:12, 13.