HINDERLAAG
Een verborgen plaats waarin men op de loer ligt om onverhoeds aan te vallen. Drie Hebreeuwse woorden voor „hinderlaag” (ʼeʹrev, ʼoʹrev en ma·ʼaravʹ) zijn afgeleid van het grondwoord ʼa·ravʹ, dat de betekenis heeft van „op de loer liggen” (Job 37:8; Jer 9:8; Ps 10:8; Re 9:32). Insgelijks is het Griekse woord voor „hinderlaag” (e·neʹdra) verwant aan het werkwoord e·ne·dreuʹo, dat de betekenis van „loeren” heeft. — Han 25:3; 23:21.
Jozua legde op bekwame wijze een hinderlaag tegen Ai doordat hij ’s nachts 5000 man ten W van de stad posteerde terwijl hij het grootste deel van zijn strijdkrachten in het N opstelde. De volgende morgen lokte hij de verdedigers van de stad van haar weg door een nederlaag voor te wenden, waardoor de in de hinderlaag liggende mannen konden opstaan om de stad in te nemen (Joz 8:2-21). Hinderlagen speelden een rol bij de tweedracht die ontstond tussen de grondbezitters van Sichem en Gideons zoon Abimelech (Re 9:25, 31-45). De Filistijnen legden hinderlagen tegen Simson (Re 16:1-12). Saul legde een hinderlaag tegen Amalek en beschuldigde David er later van dat hij in een hinderlaag tegen hem had gelegen (1Sa 15:5; 22:8). Andere hinderlagen waarvan gewag wordt gemaakt, waren die in de strijd van Israël tegen de stam Benjamin (Re 20:29-44), de onsuccesvolle hinderlaag van Jerobeam tegen Juda (2Kr 13:13-19), de hinderlaag die in de dagen van Josafat verwarring veroorzaakte in de gelederen van degenen die Juda aanvielen (2Kr 20:22, 23), de hinderlagen die genoemd worden in de beschrijving van de val van Jeruzalem (Klg 4:19) en de hinderlaag die Jehovah tegen Babylon verordende (Jer 51:12). Jehovah beschermde de uit ballingschap terugkerende joden tegen een hinderlaag. — Ezr 8:31; zie OORLOG.
Het Hebreeuwse zelfstandig naamwoord ʼeʹrev, dat „hinderlaag” betekent, wordt bij de beschrijving van jachtmethoden gebruikt (Job 37:8; 38:40). Het Hebreeuwse werkwoord ʼa·ravʹ wordt in figuurlijke zin gebruikt om een prostituée te beschrijven die op mannen loert (Sp 7:12; 23:28) en om de tactieken te beschrijven die goddelozen aanwenden tegen zowel de onschuldigen als de rechtvaardigen (Ps 10:9; Sp 1:11, 18; 12:6; 24:15; Mi 7:2; vgl. Job 31:9). In Israël werd de doodstraf uitgesproken over iemand die schuldig bevonden werd aan het doden van iemand op wie hij geloerd had. — De 19:11, 12.
Het plan van de meer dan veertig joden die ’zich met een vervloeking verbonden hadden’ om de apostel Paulus in een hinderlaag te lokken, werd door de neef van Paulus verijdeld. — Han 23:12-35.