Flamingo’s — ’Vogels van één pluimage’
Door Ontwaakt!-correspondent in Spanje
BEKEND en toch mysterieus, onbeholpen en toch sierlijk, graag op zichzelf en toch onveranderlijk in kolonies levend — de flamingo is een fascinerende vogel.
Bijna iedereen kent hem; zijn unieke silhouet komt voor in Egyptische hiërogliefen (als symbool van de kleur rood), op oude grotschilderingen en in de moderne kunst. Maar de flamingo’s hebben nog steeds niet al hun geheimen prijsgegeven. Hun broedplaatsen liggen buitengewoon afgelegen en enkele van de grotere zijn pas in de afgelopen vijftig jaar ontdekt. En het mannetje en wijfje lijken zo sprekend op elkaar dat ervaren ornithologen ze slechts met behulp van een optische sonde van elkaar kunnen onderscheiden.
Die steltachtige poten en langgerekte hals — die hij rondzwaait en onder zijn vleugel stopt alsof hij van rubber is — dragen bij tot zijn onbeholpen uiterlijk. Toch heeft hij als hij behoedzaam door het ondiepe water waadt of onder water naar de kleine schaaldieren zoekt waarmee hij zich voedt, een onbetwistbare sierlijkheid, een sierlijkheid die overgaat in adembenemende pracht als hij opvliegt.
Weinig schouwspelen in de natuur kunnen tippen aan een zwerm flamingo’s in de vlucht. Het rood en zwart van hun vleugels steekt scherp af bij het roze of wit van hun lijf.a Als de zwerm langzaam opvliegt, is het net of talloze veelkleurige waaiers gelijktijdig heen en weer worden bewogen. En zijn ze eenmaal in de lucht, dan veranderen hun gracieuze silhouetten en ritmische bewegingen ze in de balletdansers van de vogelwereld.
Helaas valt het niet mee zo’n schouwspel te zien te krijgen. Flamingo’s zijn vogels die van gezelschap houden, maar ze geven de voorkeur aan gezelschap van hun eigen pluimage. Ze gaan bevolkte gebieden angstvallig uit de weg en komen gewoonlijk alleen in grote aantallen bijeen in afgelegen zoutmeren of op verre moddervlakten.
Uitzonderlijke gewoonten
Om meer over deze fascinerende vogels te weten te komen, interviewde Ontwaakt! Manuel Rendón, directeur van het Fuente de Piedra reservaat in Málaga (Spanje).
Zijn flamingo’s zo kwetsbaar als ze er uitzien? „Niet echt. Ze gedijen in onherbergzame brakke meren hoog in de Andes waar geen enkele andere vogel zich zou wagen. In de Afrikaanse meren die ze regelmatig bezoeken, is het water zo warm en caustisch dat je huid erdoor zou verbranden, maar de leerachtige huid van flamingopoten beschermt ze tegen letsel.”
Wat is hun grootste probleem? „Ongetwijfeld het vinden van een geschikte plaats om te broeden. Ze hebben een ongestoord, ondiep zoutmeer nodig waarin eilandjes liggen waarop ze hun nesten kunnen bouwen. Tegenwoordig zijn zulke plaatsen heel moeilijk te vinden. In feite zijn er in het hele westelijke Middellandse-Zeegebied nu nog maar twee van zulke gebieden: één in Spanje en één in Frankrijk.b
Hier in Fuente de Piedra hebben ze nog een probleem. Het meer waar ze broeden, droogt onder de verzengende Andalusische zon vrij snel op — voordat de jongen oud genoeg zijn om te vliegen.”
Wat gebeurt er als het meer helemaal opdroogt? „Er zijn jaren waarin we water moeten aanvoeren om de hele broedkolonie niet verloren te laten gaan. We hebben bemerkt dat het voldoende is ongeveer zes hectare onder water te houden, ook al betekent dit dat de volwassen flamingo’s haast al hun voedsel in lagunen kilometers ver weg moeten halen. De flamingo’s besteden dan het grootste deel van hun tijd aan het heen en weer vliegen en voeden, terwijl ze de jongen aan de zorg van een paar volwassen vogels toevertrouwen — eigenlijk een soort crèche.”
Wat hebt u nog meer ontdekt? „Omdat we de vogels ringen, zijn we veel meer over hun zwerflust te weten gekomen. Flamingo’s trekken niet echt, maar ze reizen wel van het ene voedselgebied naar het andere als ze daar zin in hebben. Zo kan het zijn dat de ene vogel de zomer in Spanje en de winter in Noord-Afrika doorbrengt, terwijl een andere precies het tegenovergestelde doet. Je zou ze plezierreizigers kunnen noemen, hoewel hun omzwervingen kennelijk meer verband houden met voedselvoorraden dan met plezier.
Het is wel duidelijk dat de flamingo’s gedijen als ze een beetje hulp en bescherming krijgen. Vóór de jaren ’80 broedden ze hier slechts sporadisch en in betrekkelijk kleine aantallen. Door ze zo min mogelijk te storen en het waterpeil van het meer niet beneden een bepaald minimum te laten komen totdat de jongen kunnen vliegen, hebben we hun aantallen enorm zien groeien. In 1988 werden er bijna tienduizend kuikens grootgebracht.”
Een scheppingswonder
Weinig mensen die flamingo’s in het wild hebben gezien, zullen die ervaring vergeten. En dank zij hun voorliefde voor afgelegen gebieden en de toewijding van natuurbeschermers zijn er nog steeds enkele bevoorrechte plekken op aarde waar grote groepen in hun natuurlijke omgeving te zien zijn.
De aarde zou een armer oord zijn zonder zulke scheppingswonderen die een lust voor het oog en een verkwikking voor de geest zijn. Er kan beslist worden gezegd dat deze schitterende vogels hun stem voegen bij de „gevleugelde vogels” die de naam van Jehovah loven. — Psalm 148:10, 13.
[Voetnoten]
a De Amerikaanse flamingo (Phoenicopterus ruber ruber) heeft een opvallend rood verenkleed, terwijl de Europese flamingo (Phoenicopterus ruber roseus) veel lichter is; de kleur wordt bepaald door wat ze eten.
b Dit zijn: Fuente de Piedra (Málaga, Spanje) en de Camargue (Bouches-du-Rhône, Frankrijk).
[Illustratieverantwoording op blz. 25]
Foto’s boven en onder: Zoo de la Casa del Campo, Madrid