Buitenaardse wezens — Waar zijn zij dan?
VOLGENS wetenschappelijk schrijver Isaac Asimov is dat „een vraag die in zekere zin alles bederft” voor degenen die geloven in leven op andere planeten. De oorspronkelijk in 1950 door de atoomfysicus Enrico Fermi geopperde vraag bekroonde een argumentatie die ongeveer zo verliep: Als er intelligent leven is ontstaan op andere planeten in ons Melkwegstelsel, moeten er nu veel beschavingen bestaan die miljoenen jaren op onze eigen beschaving voorliggen. Ze moeten zich het reizen van ster naar ster al lang geleden eigen hebben gemaakt en zich over het Melkwegstelsel verspreid hebben, het naar believen gekoloniseerd en verkend hebben. Dus waar zijn zij dan?
Hoewel sommige SETI-wetenschappers toegeven van hun stuk gebracht te zijn door deze „Fermi-paradox”, beantwoorden zij die vaak door erop te wijzen hoe moeilijk het zou zijn reizen tussen de sterren te maken. Zelfs bij de snelheid van het licht — en die is enorm — zou het een ruimteschip honderdduizend jaar kosten om alleen nog maar ons eigen Melkwegstelsel door te reizen. Het overtreffen van die snelheid wordt onmogelijk geacht.
Science-fiction-verhalen waarin ruimteschepen in enkele dagen of uren van de ene ster naar de andere wippen, zijn fantasie, geen wetenschap. De afstanden tussen de sterren zijn zo groot dat ze ons bevattingsvermogen bijna te boven gaan. Indien wij een model van ons Melkwegstelsel konden bouwen dat zo klein was dat onze zon (die zo kolossaal is dat er een miljoen aardes in zouden gaan) teruggebracht werd tot de grootte van een sinaasappel, zou de afstand tussen de sterren in dit model toch gemiddeld nog zo’n 1500 km bedragen!
Daarom verlaten SETI-geleerden zich zo sterk op radiotelescopen; zij stellen zich voor dat ook al zouden geavanceerde beschavingen niet van de ene ster naar de andere reizen, ze toch met behulp van de betrekkelijk goedkope en eenvoudige radiogolven op zoek zouden zijn naar andere levensvormen. Maar Fermi’s paradox zit hun nog steeds dwars.
De Amerikaanse fysicus Freeman J. Dyson is tot de conclusie gekomen dat als er geavanceerde beschavingen in ons Melkwegstelsel bestaan, de sporen daarvan net zo gemakkelijk te vinden moeten zijn als de tekenen van technologische beschaving op het eiland Manhattan in de stad New York. Het zou in het Melkwegstelsel moeten zoemen van signalen van buitenaardse wezens en hun immense technische projecten. Maar er is er niet één ontdekt. In een artikel over het onderwerp werd zelfs opgemerkt dat „doorzocht, niets gevonden”, voor SETI-astronomen veel van een religieus gezang weg heeft gekregen.
De twijfels beginnen
Een aantal wetenschappers begint zich te realiseren dat hun collega’s van veel te optimistische veronderstellingen zijn uitgegaan bij het benaderen van deze vraag. Die wetenschappers komen met een veel kleiner aantal geavanceerde beschavingen in ons Melkwegstelsel. Sommigen hebben gezegd dat er maar één is — de onze. Anderen hebben gezegd dat wiskundig gezien er minder dan één zou moeten zijn — zelfs wij zouden er niet mogen zijn!
De basis voor hun sceptische houding ligt voor de hand en zou in twee vragen samengevat kunnen worden: Als er zulke buitenaardse wezens zouden bestaan, waar zouden zij dan leven? En hoe zijn zij daar gekomen?
’Och, zij zouden op planeten leven’, zullen sommigen misschien op de eerste vraag antwoorden. Maar er is slechts één planeet in ons zonnestelsel die niet volslagen leven-onvriendelijk is, de planeet waarop wij wonen. Maar hoe staat het met de planeten die om de miljarden andere sterren in ons Melkwegstelsel draaien? Zouden sommige daarvan geen leven huisvesten? Het feit wil, dat geleerden tot dusver het bestaan van niet één planeet buiten ons zonnestelsel overtuigend bewezen hebben. Waarom niet?
Omdat het buitengewoon moeilijk is er een te ontdekken. Aangezien sterren zo ver weg zijn en planeten geen eigen licht uitstralen, komt het speuren naar zelfs een reusachtige planeet, zoals Jupiter, overeen met pogingen een stofje te ontwaren dat kilometers van ons vandaan rond een krachtige gloeilamp zweeft.
Zelfs indien er inderdaad zulke planeten bestaan — en er zijn inmiddels wat indirecte bewijzen die daarop wijzen — dan wil dat nog niet zeggen dat ze een baan om precies de juiste soort ster in de juiste melkwegomgeving beschrijven, op precies de juiste afstand van de ster, en dat ze zelf van precies de juiste grootte en samenstelling zijn om leven in stand te houden.
Een afbrokkelende basis
Maar zelfs als er inderdaad veel planeten bestaan die aan de noodzakelijke strenge voorwaarden voldoen om het leven zoals wij het kennen in stand te houden, dan nog blijft de vraag: Hoe zou het leven op die werelden ontstaan? En dat brengt ons op niets minder dan de basis voor het geloof in wezens op andere werelden — evolutie.
Voor veel geleerden lijkt het logisch te geloven dat indien op deze planeet het leven uit niet-levende materie heeft kunnen evolueren, dat ook voor andere planeten zou kunnen gelden. Eén schrijver zei het zo: „Biologen zijn algemeen de mening toegedaan dat het leven zal beginnen zodra het een milieu krijgt waar het kan beginnen.” Daar stuit de evolutie echter op een onoverkomelijk bezwaar. Evolutionisten kunnen niet eens verklaren hoe het leven op deze planeet is begonnen.
De geleerden Fred Hoyle en Chandra Wickramasinghe schatten dat de kans dat de voor het leven essentiële enzymen bij toeval ontstaan, één op de 1040.000 (1 gevolgd door 40.000 nullen) bedraagt. De geleerden Feinberg en Shapiro gaan nog verder. In hun boek Life Beyond Earth stellen zij de waarschijnlijkheid dat de materie in een organische soep ooit de eerste rudimentaire stappen naar het leven zal doen, op één op 101.000.000. Als wij dat getal zouden uitschrijven, zou het tijdschrift dat u in uw hand hebt ruim 300 bladzijden dik zijn!
Vindt u deze niet meer te hanteren getallen moeilijk te vatten? Het woord „onmogelijk” is gemakkelijker te onthouden en het is even nauwkeurig.a
Toch gaan SETI-astronomen er monter van uit dat het leven overal in het universum bij toeval ontstaan moet zijn. Gene Bylinsky houdt in zijn boek Life in Darwin’s Universe bespiegelingen over de verschillende paden die de evolutie op buitenaardse werelden afgelegd kan hebben. Hij suggereert dat intelligente octopussen, marsmannetjes met buidels op hun buik en vleermuismensen die muziekinstrumenten maken, helemaal niet vergezocht zijn. Vermaarde wetenschappers hebben zijn boek geprezen. Maar andere wetenschappers, onder wie Feinberg en Shapiro, zien de gapende leemte in een dergelijke redenatie. Zij gispen het „zwakke van de experimentele grondslagen” waarop wetenschappers hun theorieën over het begin van het leven op aarde baseren. Zij merken echter op dat wetenschappers niettemin „deze grondslagen hebben gebruikt om torens te bouwen die tot het einde van het Universum reiken”.
De verkeerde godsdienst
Misschien vraagt u zich af waarom zo veel wetenschappers het onmogelijke als vanzelfsprekend beschouwen. Het antwoord is simpel en nogal triest. Mensen zijn geneigd te geloven wat zij willen geloven. En wetenschappers zijn, in weerwil van al hun aanspraken op objectiviteit, niet vrij van deze menselijke tekortkoming.
Hoyle en Wickramasinghe merken op dat „de theorie dat het leven in elkaar gezet is door een intelligentie”, „aanzienlijk” waarschijnlijker is dan spontane generatie. „Ja,” zo voegen zij eraan toe, „een dergelijke theorie ligt zo voor de hand dat men zich afvraagt waarom ze niet alom als vanzelfsprekend wordt aanvaard. De redenen daarvoor zijn veeleer psychisch dan wetenschappelijk.” Veel wetenschappers schrikken inderdaad terug voor het denkbeeld van een Schepper, ook al gaan de bewijzen in die richting. Ondertussen hebben zij een eigen godsdienst geschapen. Zoals de bovenstaande auteurs het zien, vervangt het darwinisme het woord „God” eenvoudig door het woord „Natuur”.
In antwoord op de vraag „Is daar iemand?”, verschaft de wetenschap dus duidelijk geen gronden om in leven op andere planeten te geloven. Nu de jaren verstrijken en de stilte uit de ruimte voortduurt, is SETI in feite een steeds grotere bron van verlegenheid voor wetenschappers die in evolutie geloven. Als diverse soorten leven vlot uit niet-levende materie evolueren, waarom laten zij dan niets van zich horen in dit uitgestrekte universum? Waar zijn zij?
Maar als de vraag thuishoort in het rijk van de godsdienst, hoe komen wij dan aan een antwoord? Heeft God leven op andere werelden geschapen?
[Voetnoten]
a De rest van de evolutietheorie is al even problematisch. Zie het boek Leven — Hoe is het ontstaan? Door evolutie of door schepping?, uitgegeven door de Watchtower Bible and Tract Society of New York, Inc.
[Kader op blz. 8]
Bezoekers uit de ruimte?
Veel mensen geloven dat wij worden bezocht, of in het verleden zijn bezocht, door buitenaardse wezens. Wetenschappers wijzen deze beweringen over het algemeen af; zij wijzen erop dat er in alle gevallen geen te verifiëren bewijzen waren en blijven bij hun standpunt dat de meeste keren dat er een UFO wordt gezien, dit te verklaren is als een natuurverschijnsel. Zij zijn geneigd de ontvoeringsverhalen toe te schrijven aan nog niet onderzochte gebieden van de gestoorde menselijke psyche of aan psychische en religieuze noden.
Een science-fiction-schrijver merkte op: „De drang om die materie te onderzoeken en erin te geloven is bijna religieus. Vroeger hadden wij goden. Nu willen wij het gevoel hebben dat wij niet alleen zijn, dat beschermende krachten over ons waken.” Bovendien rieken sommige UFO-ervaringen meer naar het occulte dan naar wetenschap.
Veel wetenschappers geloven echter op hún manier in „bezoekers”. Zij beseffen dat het onmogelijk is dat het leven hier op aarde bij toeval is ontstaan en beweren dus dat het vanuit de ruimte hier terechtgekomen is. Sommigen zeggen dat buitenaardse wezens het leven op onze planeet gezaaid hebben door met primitieve bacteriën geladen projectielen te sturen. Eén wetenschapper heeft zelfs gesuggereerd dat onze planeet eeuwen geleden door buitenaardse wezens is bezocht en dat het leven bij toeval is ontstaan uit het door hen achtergelaten afval! Sommige wetenschappers trekken conclusies uit de bewijzen dat eenvoudige organische moleculen vrij algemeen voorkomen in de ruimte. Maar bewijst dat werkelijk dat het leven bij toeval is ontstaan? Bewijst het bestaan van een ijzerwinkel dat zich daar bij toeval een auto moet ontwikkelen?
[Illustratie op blz. 7]
Is er, zelfs indien er andere bewoonbare planeten bestaan, enig bewijs dat het leven er bij toeval zou kunnen ontstaan?