Het Mariajaar — verschillende zienswijzen
De bijbel beschrijft Maria onloochenbaar als een getrouwe discipel van Jezus (Handelingen 1:14). Als wij de betekenis van het Mariajaar onderzoeken, is het beslist niet onze bedoeling haar reputatie of haar getrouwheid omlaag te halen. Maar aangezien het aan haar gewijde jaar een religieuze gebeurtenis van groot belang is, doen gelovigen er goed aan zich af te vragen: Keurt God de aan Maria geschonken verering goed? En vormt Maria Gods antwoord op de wereldcrisis?
DIT Mariajaar is het tweede dat door de Katholieke Kerk is gevierd. Het eerste, van 1953 tot 1954, werd afgekondigd door paus Pius XII ter herdenking van het feit dat honderd jaar voordien de afkondiging van het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis had plaatsgevonden. Dit was slechts enkele jaren nadat dezelfde paus de leerstelling van de Tenhemelopneminga had geformuleerd.
Wat enkele katholieken zich van het eerste Mariajaar herinneren, is het grote aantal nieuwe aanmeldingen voor het priesterschap. Klaarblijkelijk hoopt men op een herhaling, gezien de huidige priesterroepingen-crisis. Er bestaat in feite grote bezorgdheid over het priestertekort. Volgens Luigi Accattoli, Vaticaandeskundige voor Il Corriere della Sera, heeft men berekend dat van de 300.000 katholieke parochies in de wereld „meer dan de helft geen eigen priester heeft”. Het is daarom geen toeval dat de gelovigen aangemoedigd worden de aan Maria gewijde heiligdommen te bezoeken, die omschreven zijn als „plaatsen waar de roeping wordt bevorderd”. Zal een Mariajaar voldoende zijn om het afnemende bestand aan katholieke geestelijken nieuw leven in te blazen?
Maria, roepingen en atheïsme
Sommigen kunnen zich de grootse uitingen van devotie aan de „Maagd” in het eerste Mariajaar herinneren. Toen werden er zelfs de legermachten van verscheidene naties voor gemobiliseerd. In Loreto (Italië), waar zich een beroemd aan Maria gewijd heiligdom bevindt, vond een indrukwekkende parade van de Italiaanse luchtmacht plaats. Vijfhonderd Amerikaanse mariniers maakten een bedevaart naar Lourdes (Frankrijk). In Ierland „werden de legereenheden gewijd aan de Madonna, die voor de gelegenheid werd uitgeroepen tot opperbevelhebber van het leger”, aldus La Repubblica.
Paus Pius XII sprak in de afkondiging in 1953 de hoop uit dat het Mariajaar een tegenkracht zou vormen tegen al degenen die „zich tot het uiterste inspannen om het geloof in Christus in zielen der mensen uit te roeien”, en hun atheïstische ideologieën onschadelijk zou maken. „Men kan zonder overdrijving zeggen dat het Mariajaar van 1954”, zo bevestigt Avvenire, „echte wonderen van onverwachte en langgehoopte bekeringen bewerkte.” Zo leeft ook vandaag in katholieke kringen de hoop dat een hernieuwde bezieling voor Maria atheïstische ideologieën en de regeringen die ze propageren, zal helpen bestrijden.
The New York Times wijst erop dat Johannes Paulus II „in het openbaar zijn verlangen kenbaar heeft gemaakt de Sovjet-Unie te bezoeken als hij daar vrijuit zou kunnen preken”. En men hoopt zelfs dat 1988, „het jaar waarin duizend jaar christendom in Rusland zal worden gevierd, ook het jaar zal zijn waarin de paus [dat] land opnieuw uitdrukkelijk zal consacreren . . . voor bekering”, schrijft de katholieke theoloog René Laurentin in Avvenire.
Speciale aandacht voor Maria
Er waren verschillende activiteiten gepland voor de veertien maanden die eindigden op 15 augustus 1988, de laatste dag van het Mariajaar, en alle hadden ten doel ’de Moeder van de Heer te eren’ en haar verering na jaren van verval nieuw leven in te blazen. De paus zond een encycliek uit die expliciet aan Maria was gewijd en er waren verschillende congressen gepland met het doel haar belangrijkheid te onderzoeken.
Katholieken ontvingen nauwkeurige instructies voor het Mariajaar. Zij moesten onder andere alle Mariafeesten nauwgezet onderhouden en een bedevaart maken naar de kerken die aan de „Madonna” gewijd waren. Zij konden ook voordeel trekken van de „volle aflaat”b door vrome deelname aan de feesten en liturgische vieringen ter ere van Maria, of door een vroom ontvangen van de pauselijke zegen die hun via een bisschop werd gegeven, en die hen ook via een radio- of tv-uitzending mocht bereiken. Zij kregen de raad meer waarde toe te kennen aan het Maria-altaar in iedere katholieke kerk.
Protestantse reacties en afwijkende meningen onder katholieken
Dit katholieke initiatief werd door de orthodoxe kerken, die eveneens Maria vereren, positief ontvangen, maar zoals te verwachten viel, zijn er van protestantse religieuze groeperingen heel andere reacties gekomen.
De katholieke hiërarchie, die zich goed bewust was van het feit dat de verering van Maria nog altijd een van de geschilpunten vormt in de gesprekken met protestanten, heeft getracht de tegenstellingen niet te verscherpen, en heeft herhaaldelijk gezegd dat het Mariajaar de „oecumenische dialoog zal stimuleren”. Maar dezelfde katholieke bronnen erkennen dat het Mariajaar ’bittere reacties’, „een koor van beschimpingen” en „een storm van protesten” onder protestanten teweeg heeft gebracht. Volgens het blad Vita pastorale zijn katholieke oecumenische groepen daarom druk bezig „met het intomen van dweepzieke uitbundigheid en proberen zij ongezond sentimentalisme te vermijden en een nieuwe vorm te geven aan de verering van de relikwieën” van de „Madonna”. Verscheidene katholieke tijdschriften dringen er voortdurend op aan dat men bij de viering van het Mariajaar ’het nieuwe oecumenische bewustzijn niet mag vergeten’ en ’sterke uitingen van devotie en anti-oecumenische aspecten’ moet vermijden.
Veel protestanten vinden de Mariaverering en de daarmee verband houdende gebruiken afgodisch. Enkele Italiaanse protestantse groeperingen hebben daarom voorgesteld gedurende het Mariajaar alle oecumenische contacten met katholieken op te schorten, en de synode van de Waldenzen en de Methodistische Kerk hebben een verklaring uitgegeven die het pauselijk initiatief ernstig kritiseerde en het een „obstakel voor een ware oecumenische dialoog” noemde.
Bovendien zijn niet alle katholieke geestelijken het met het pauselijk initiatief eens. De katholieke priester Franco Barbero veroorzaakte opschudding door in het openbaar te verklaren dat hij nooit tot Maria bad. In zijn „Brief aan Maria” verklaart Barbero dat zij is verpletterd „onder een berg van dogma’s, relikwieën, godsdienstige verering, legenden, bijgeloof”. Dezelfde priester heeft ook verklaard zelfs het „spreken over een ’Mariajaar’ terecht verwondering zou wekken”.
Com-nuovi tempi, een door progressieve katholieken uitgegeven blad, verklaarde: „Het scheen alsof de eerste oecumenische ouvertures van de Katholieke Kerk [na het Tweede Vaticaans Concilie] op zijn minst een hulp zouden zijn om niet te vervallen in de oude religieuze Mariagebruiken, waarvoor in de gemeenschappelijke christelijke basis weinig grond bestaat. Helaas zullen de vieringen in dit ’Mariajaar’ niet in het belang zijn van het herstel . . . van een verenigd christelijk geloof.”
Waarom willen de kerkelijke autoriteiten en zelfs de paus dan zo sterk het accent leggen op de persoon van Maria? Hoe komt het dat katholieke „mensen Maria meer liefhebben dan Jezus”, zoals „Moeder” Teresa uit Calcutta zei? Met andere woorden, welke reden bestaat er voor de Mariacultus?
[Voetnoten]
a Volgens een katholieke catechismus werd Maria „door Gods genade van elke zondesmet gevrijwaard vanaf het moment dat zij werd verwekt” (het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis), en werd zij aan het eind van haar aardse bestaan met „lichaam en ziel” opgenomen in de hemel (het dogma van de Tenhemelopneming). — Signore, da chi andremo? — Il catechismo degli adulti (Heer, tot wie zullen wij gaan? — Catechismus voor volwassenen).
b Volgens de katholieke leer zal alle boetedoening die iemand voor dagelijkse zonden in het vagevuur kan worden opgelegd, door middel van een volle aflaat worden kwijtgescholden.