Bedreigd leven
Door Ontwaakt!-correspondent in Spanje
DE VERTROUWDE landingsbaan is nergens te zien als wij rondcirkelen om onze geplande landing te maken. De landingsstrook blijkt op onverklaarbare wijze vernield en de faciliteiten ten behoeve van het reizigersverkeer zijn gesloopt. Slechts een lelijk, onherbergzaam terrein komt op ons af. Ons leven is in gevaar!
Dat is de tragische ervaring van veel trekkende watervogels als ze bij hun winterkwartier aankomen. De moeraslanden, al eeuwenlang hun traditionele toevluchtsoord, worden onverbiddelijk verwoest om de weg vrij te maken voor urbanisatie en uitbreiding van de landbouw. Deze woongebieden, die vaak als waardeloze woestenijen worden beschouwd maar voor duizenden diersoorten van levensbelang zijn, verdwijnen snel van het aardoppervlak.
Coto Doñana bedreigd
Nog niet zo lang geleden werd een van de grootste moerasgebieden in Zuid-Europa op die manier bedreigd. De overleving van duizenden watervogels stond op het spel. Bezorgde natuurkenners wierven fondsen om dit onschatbare toevluchtsoord voor wild te redden en waarschuwden een Deense jachtclub: „Heren, als toegelaten wordt dat de meren van de Coto [in Spanje] verdwijnen, zullen er binnen vijf jaar geen eenden meer in Denemarken zijn.”
De Coto waarop werd gedoeld, was het wildreservaat Coto Doñana in de zuidwesthoek van Spanje. Samen met de aangrenzende uitgestrekte moerassen in de delta van de Guadalquivir wordt het erkend als een van de drie of vier belangrijkste rustplaatsen voor trekvogels in Europa. Het is ook de vaste verblijfplaats van 125 vogelsoorten en talrijke zoogdieren en reptielen.
Op een bijeenkomst van de Wereldraad van Ornithologen in New York in 1962 werd de volgende opmerking gemaakt: „De moerassen van de Guadalquivir vormen het laatste veilige toevluchtsoord in Europa van de roze flamingo en enkele reigersoorten; . . . het is een gebied waar zeldzame en prachtige soorten broeden, zoals de witkopeend, de knobbelmeerkoet, de purperkoet en vele andere, te veel om op te noemen.”
Door zijn status als privé-jachtdomein van koningen en edelen, zijn betrekkelijke ontoegankelijkheid en de slechte kwaliteit van de grond was dit 700 vierkante kilometer grote gebied eeuwenlang aan aantasting door de mens ontsnapt. Maar vervuiling, drooglegging en stedebouw bedreigden nu het bestaan van het reservaat.
De noodzaak van internationale financiële steun voor de aankoop van Coto Doñana was aanleiding tot de oprichting van het Wereld Natuur Fonds in 1961. De eerste transactie van deze internationale organisatie was de aankoop van een deel van Coto Doñana in samenwerking met de Spaanse regering. Het reservaat kreeg respijt.
’Ecologisch misdrijf’
De moerassen waren nog voornamelijk privé-bezit en constant was er de dreiging van verontreiniging vanuit aangrenzende landbouwgronden. In 1973 veroorzaakte een krachtig insekticide waarmee nabijgelegen rijstvelden werden besproeid de dood van zo’n 40.000 watervogels. Dit werd door een natuurliefhebber beschreven als een ramp „die haar weerga niet heeft in de annalen van de ecologische misdrijven van de mensheid”. Projectontwikkelaars lieten hun oog vallen op halfmaagdelijke stranden en er was een plan om een snelweg langs de kust aan te leggen, dwars door het park. Intussen werden de moerassen onverbiddelijk drooggelegd ten behoeve van landbouwprojecten.
Ten slotte werd in 1978 het hele gebied door de Spaanse regering tot nationaal park verklaard. Er kwam strenge controle op de vervuiling, het snelwegplan kwam te vervallen en er werden waterbouwkundige maatregelen genomen om het natuurlijke waterpeil van de moerassen te handhaven. Opnieuw kon het reservaat gedijen.
Nu reeds zijn de resultaten waarneembaar: Het aantal exotische vogels, zoals de flamingo’s, neemt toe, terwijl andere bedreigde fauna voor verdere achteruitgang wordt behoed. Bezoekers van het park kunnen veel soorten in hun natuurlijke omgeving zien vanuit waarnemingsposten die het wild niet storen, terwijl georganiseerde excursies het publiek in staat stellen van vlakbij de kudden herten en wilde zwijnen gade te slaan die in het gebied grazen. Maar laten wij enkele van de unieke kenmerken van het park nog wat nader bekijken.
De rol van het park in de vogeltrek
Uit de Sovjet-Unie en Scandinavië komen 40.000 ganzen en wel 200.000 eenden. Talloze waadvogels helemaal uit de streken rond de noordpoolcirkel overwinteren op de rustige stranden of zoeken naar voedsel in de ondiepe binnenwateren. In het voorjaar vertrekken de overwinteraars en arriveren uit Afrika de lepelaars, de reigers, de wouwen en talrijke andere vogels die hier in de zomermaanden broeden.
Veel andere soorten stoppen op hun trek naar verre landen om in het park uit te rusten en te eten. In augustus verzamelen zich hier honderden ooievaars voordat ze op weg naar Afrika de Straat van Gibraltar oversteken. Hetzelfde geldt voor veel roofvogels die geen grote afstanden boven zee kunnen afleggen wegens het ontbreken van thermiekbellen, opwaartse warme luchtstromen, die ze in staat stellen met een minimum aan inspanning in de lucht te blijven.
Er is echter één vaste bewoner die de belangstelling en bewondering van alle bezoekers van het park wekt — de keizersarend.
De keizersarend
In deze eeuw is het aantal keizersarenden overal in hun beperkte woongebied alarmerend gedaald. Eierverzamelaars hebben de nesten onbarmhartig leeggeroofd, terwijl anderen jacht maakten op de volwassen vogels om museums van trofeeën te voorzien of in de misvatting dat de arend het wild verschalkte waarop de jagers het gemunt hadden. De Spaanse variëteit, die in enkele opzichten van de keizersarend van Oost-Europa verschilt, werd gedecimeerd. In de jaren ’70 waren er nog maar 30 paren in Spanje over en het scheen onvermijdelijk dat er weer een soort zou worden toegevoegd aan de lijst van vogels die door de harteloosheid van de mens waren uitgestorven.
Niettemin hebben de gewetensvolle krachtsinspanningen van de natuurkenners in het park ten behoeve van deze arend al positieve resultaten afgeworpen. Er nestelen nu zo’n 14 paren in het park, het maximumaantal dat het kan herbergen wegens het grote territorium van 50 vierkante kilometer dat elk paar nodig heeft. Elk nest wordt nauwgezet in het oog gehouden. Als er in een nest drie eieren worden gevonden en in een ander slechts één, dan wordt er voorzichtig een ei verhuisd, zodat beide nesten twee eieren bevatten. Keizersarenden zijn niet in staat om meer dan twee jongen per keer groot te brengen.
De arenden en wouwen in de lucht te zien zweven, duizenden flamingo’s gade te slaan die gracieus door het blauwe water van de meren van Doñana waden, van vlakbij de wilde zwijnen hun capriolen te zien maken onder de dennebomen — dat alles doordringt ons van de unieke verscheidenheid en schoonheid van Jehovah’s schepping. In het dichtbevolkte Europa zijn zulke plaatsen uiterst zeldzaam en ze zijn de angstvallige waakzaamheid die hun instandhouding vereist meer dan waard.
Wanneer nu in de herfst de ganzen en eenden, in januari de ooievaars en in het voorjaar de lepelaars, reigers en wouwen arriveren, wacht hun een beschermde wijkplaats waar ze kunnen uitrusten, overwinteren of broeden. Hier wemelt het van leven in al zijn verscheidenheid. Ongetwijfeld zijn de jaarlijks 300.000 bezoekers dankbaar dat ten minste in dit natuurparadijs het leven dat er eens bedreigd werd, de gelegenheid krijgt te gedijen.
[Illustratie op blz. 16]
Krooneend
[Verantwoording]
J. L. González/INCAFO, S. A.
[Illustraties op blz. 17]
Lepelaars
[Verantwoording]
A. Camoyán/INCAFO, S. A.
Purperkoet
[Verantwoording]
A. Camoyán/INCAFO, S. A.
[Illustratie op blz. 18]
Keizersarend beschermt zijn jong tegen de hete zon
[Verantwoording]
J. A. Fernández/INCAFO, S. A.