Gekaapt naar Malta — Maar ik heb het overleefd
OM ONGEVEER acht uur ’s avonds op 23 november 1985 arriveerde ik samen met mijn collega, George Vendouris, op de internationale luchthaven van Athene. Wij waren op weg naar Doebai in de Verenigde Arabische Emiraten voor een inspectie van een van de schepen van de firma waarvoor ik werk. Al enige jaren ben ik hoofdingenieur bij ons bedrijf, en bij deze opdracht moest George mij assisteren.
Wij zouden reizen via Caïro, met Vlucht 648 van Egypt Air. Na het passeren van de verschillende controleposten kwamen wij bij het vliegtuig, een Boeing 737. Aangezien wij slechts handbagage hadden, konden wij betrekkelijk snel aan boord gaan. Als ik mij goed herinner, zaten wij in de zevende rij, stoel A en B.
Toen ten slotte iedereen aan boord was, vertrokken wij volgens schema kort na negen uur ’s avonds. Het vliegtuig was niet helemaal vol, met minder dan honderd passagiers. Kort na het begin van de vlucht werden er niet-alcoholische dranken geserveerd. Het moet na zo’n 25 minuten vliegen zijn geweest dat er voor de deur van de cockpit een man verscheen. Hij had in de ene hand een pistool en in de andere een groene handgranaat, en hij begon in het Arabisch te schreeuwen. Ik ben een Griek en versta geen Arabisch, maar het werd duidelijk dat dit een kaping was.
Dus deden wij precies wat de Egyptische passagiers deden en staken onze handen boven ons hoofd. Onder het geven van orders probeerde de kaper met zijn tanden iets uit de handgranaat te trekken. Hij slaagde daar echter niet in en stopte de granaat weer in zijn borstzak.
De kaper, die, zo bleek, niet alleen was, liet degenen in de voorste stoelen wat verder naar achteren een andere plaats zoeken, waar er maar een stoel vrij was. Toen vroeg hij om onze stropdassen. Vervolgens begonnen de kapers de passagiers één voor één naar voren te brengen, namen hun paspoorten af, fouilleerden hen en lieten hen vervolgens plaatsnemen in de lege stoelen voorin.
Toen degenen die in de voorste stoelen zaten, een andere plaats moesten zoeken, kwam er naast mij een Egyptische man te zitten. Later vernam ik dat hij de leiding had over de veiligheidsagenten in het vliegtuig. Toen hij naar voren werd geroepen, nam de kaper hem zijn paspoort af, dwong hem te gaan liggen en bond hem vervolgens met stropdassen. Daarvoor was de hoofdsteward al vastgebonden.
Toen het mijn beurt was, na de Egyptische veiligheidsagent, nam de kaper gewoon mijn paspoort af zonder mij te fouilleren en beval mij te gaan zitten. Hij wees naar een plaats aan de rechterkant, ongeveer in de derde rij.
Een vuurgevecht tijdens de vlucht
Een paar minuten later werd er vlak achter mij geschoten. Onmiddellijk doken wij in elkaar. Klaarblijkelijk viel door de kogels de druk in de cabine weg, want vanuit het plafond kwamen de zuurstofmaskers naar beneden. Veel passagiers zetten ze op, maar ik voelde geen behoefte aan zuurstof. Ik geloof dat de piloot het vliegtuig snel naar een lagere hoogte liet dalen.
Toen het schieten ophield, keek ik om en zag de kaper die de leiding leek te hebben gehad, op de grond liggen. Hij leek dood te zijn. Er lag ook een andere man op de vloer, en enkele stewards en een passagier waren gewond geraakt.
Het schijnt dat de kaper een man om zijn paspoort had gevraagd. De man bleek een van de veiligheidsagenten te zijn, en in plaats van zijn paspoort te pakken, trok hij zijn pistool en schoot de kaper neer. Maar toen werd de agent zelf neergeschoten door een andere kaper achter in het vliegtuig.
Het pistool van de veiligheidsbeambte belandde bij mijn voeten, en even dacht ik erover het op te rapen. Maar wijselijk gaf ik geen gevolg aan die gedachte — ik zou trouwens niet hebben geweten hoe ik het wapen had moeten gebruiken.
Toen ging de deur van de cockpit open en verscheen er een lange gemaskerde man, met een granaat en een pistool in zijn hand. Hij sprak tegen de kaper achter mij, en vervolgens keek hij mij aan en gebaarde met zijn pistool dat ik moest opstaan. Hij zei wel iets, maar uit zijn gebaren begreep ik alleen dat hij wilde dat ik de neergeschoten kaper naar de cockpit zou slepen.
Toen ik dat begon te doen, gebaarde de kaper dat ik de man moest omdraaien. Omdat ik het niet alleen afkon, riep de kaper iemand anders te hulp, waarop Demetris Voulgaris kwam helpen. Ik kende Demetris al vele jaren omdat hij voor onze firma werkte. Demetris pakte de benen beet en ik de schouders, en zo keerden wij hem om — en konden zij, zo bleek nu, de handgranaat uit zijn borstzak halen.
Nadat een van de kapers de handgranaat had gepakt, vroegen wij toestemming om de man wat water te geven, maar dat mocht niet. Zij dachten klaarblijkelijk dat hij niet meer te helpen was. Daarom lieten wij hem rechtop zittend tegen de deur leunen en kregen vervolgens de opdracht de veiligheidsagent naar voren te slepen. Op dit moment zag een kaper de pistolen op de grond liggen en raapte ze op.
Toen wij de veiligheidsagent naar voren brachten, waren wij van plan hem uit te kleden en hem eerste hulp te verlenen. Maar toen zijn hoofd ongeveer ter hoogte van de eerste rij stoelen was, zei de kaper ons te stoppen. Ik kreeg opdracht om twee dienbladen leeg te maken — het voedsel op de grond te gooien. De kaper zei dat ik de dienbladen op de eerste stoel moest leggen, en gebaarde dat ik het hoofd van de agent daar precies op de dienbladen moest vasthouden.
Nu drong het tot mij door dat hij van plan was de gewonde man te doden, dus schreeuwde ik „Nee!”. En met mijn handen voor mijn gezicht keerde ik mij tot de passagiers en zei: „Hij wil hem doden!” Verbazingwekkend genoeg deed de kaper mij niets. Hij hield het hoofd van de veiligheidsagent slechts vast, maar schoot hem niet dood. Toen ging hij naast mij op de eerste rij zitten.
Na een tijdje kon ik het niet langer verdragen daar te zitten, dus stak ik mijn handen omhoog en liep naar achteren, waar ik ergens in de vijfde of zesde rij een stoel vond. Mijn jonge assistent, George Vendouris, kwam achter mij zitten.
De hoofdsteward, die erin geslaagd was zichzelf los te werken, riep een van de stewards die werd gebruikt om de paspoorten te verzamelen. Wij zouden gauw gaan landen. Maar voordat dit gebeurde, kregen de stewards opdracht om te zorgen dat de kaper die hetzij dood of stervende was, genoeg steun had en werd vastgemaakt.
Aankomst op Malta
Hoewel ik niet weet of de kapers oorspronkelijk deze bestemming hadden of niet, landden wij na ongeveer twee uur vliegen op Malta. Kort nadat het vliegtuig was geland, werd de deur geopend en kwam er een arts aan boord. Men toonde hem de levenloze kaper, waarop men hem zei deze te onderzoeken. De arts deed dat, knikte, en gebaarde dat hij ook naar de veiligheidsagent toe wilde. Maar de kaper verbood het hem.
Alle Grieken kregen te horen dat zij aan de rechterzijde van het vliegtuig moesten gaan zitten, waar ik reeds zat. Er waren zeventien Grieken, van wie uiteindelijk vijf het overleefden.
De steward kondigde via de luidspreker aan dat alle Filippijnse vrouwen die zich aan boord bevonden naar voren moesten komen. Enkele andere vrouwen werden ook naar voren geroepen, en in totaal elf vrouwen kregen toestemming om het vliegtuig met de arts te verlaten.
De executies beginnen
De hoofdsteward vroeg waar de Israëlische meisjes waren. Denkend dat ook zij vrijgelaten zouden worden, reageerde er prompt een jonge vrouw. Maar toen zij voor aankwam, greep de gemaskerde kaper haar beet. Hij duwde haar de deur uit naar de uitgangstrap zodat ik niet kon zien wat er gebeurde. Maar er klonk een schot, wat ons allen instinctief ineen deed duiken, en toen een doffe bons. Het meisje, zo hoorden wij later, draaide op het laatste moment haar hoofd weg zodat de kogel haar alleen maar schampte. Zij viel van de trap af, verborg zich onder het vliegtuig en wist ten slotte te ontsnappen.
De kapers, zo hoorden wij later, dreigden ermee door te gaan passagiers dood te schieten tenzij er in brandstof werd voorzien. Na een paar minuten werd het tweede Israëlische meisje opgeroepen, maar zij stond niet op. De hoofdsteward kwam toen met het paspoort van het meisje in zijn hand, identificeerde haar en zei dat zij moest opstaan. Zij weigerde dit. Daarop zond de kaper twee passagiers naar haar toe die hij als helpers gebruikte omdat zij Arabisch spraken en zij dwongen haar naar voren te komen. Op dat moment begon de ontzetting zich van ons meester te maken.
Het meisje huilde. Zij viel op de vloer en bleef liggen. Toen de kaper na zijn gesprek met de piloot naar buiten kwam, schopte hij haar en duwde haar naar buiten. Opnieuw een schot, en een doffe bons toen zij dodelijk gewond neerviel. Het was toen even na middernacht.
Kort daarop werden er nog eens drie personen naar voren geroepen, een jongeman en twee vrouwen. Uit hun namen maakten wij op dat het Amerikanen waren, wat juist bleek. De kaper bracht hen naar voren en liet zijn twee helpers hun handen met stropdassen op de rug binden. Zij moesten op de voorste rij gaan zitten.
Er ging ongeveer een uur voorbij. Toen riep de kaper de Amerikaanse jongen. Ik moet zeggen dat ik onder de indruk was van de kalmte van de jongen. Hij stond op en liep naar de kaper toe alsof hij een prijs of zo iets in ontvangst ging nemen — heel kalm. En opnieuw de knal, de bons en de deur die werd gesloten. Hoewel ik het niet heb gezien, viel ook de jongen van de trap af. En verbazingwekkend genoeg werd ook hij, net zoals het eerste Israëlische meisje, slechts door de kogel geschampt en overleefde hij het.
Er ging weer een uur of zo voorbij, waarop de kaper een van de Amerikaanse meisjes riep. Zij stond op en opnieuw hetzelfde verhaal — de knal en vervolgens de bons toen zij viel. Tegen die tijd moet het ongeveer drie of vier uur in de morgen zijn geweest. Het stroomde van de regen, wat de verschrikkelijke atmosfeer van de nacht alleen maar verergerde. De passagiers zaten van angst als aan hun stoelen vastgenageld.
Het was stil — er werd niet gehuild, niet geschreeuwd, geen andere geluiden. Maar ik kon de gesmoorde commentaren horen: „Kijk, hij heeft het Israëlische meisje gedood”, „Dat arme kind”, of: „Nu heeft hij de Amerikaan gedood.” Ook de gefluisterde vragen: „Wat is dit voor iets?” „Waarom wordt er niets aan gedaan?” „Wat zal hij nu gaan doen?”
Wat mijzelf betreft, tijdens elke terechtstelling bad ik tot Jehovah. Ik vroeg of hij, indien het zijn wil was, de persoon wilde gedenken in de opstanding, zodat deze dan de gelegenheid zou krijgen om in Gods nieuwe samenstel van dingen te leven.
Intussen begon de zon op te komen. De deur ging open en de twee die de kapers assisteerden, gingen naar buiten en brachten sandwiches mee terug. Sommigen aten ervan, anderen niet. Zij gaven ons ook water.
Toen de executies werden voltrokken, dachten wij dat de eisen van de kapers voor degenen buiten wel onaanvaardbaar hoog moesten zijn. En wij dachten dat elk van ons de volgende kon zijn die werd geëxecuteerd. Maar naarmate de uren verstreken nadat het Amerikaanse meisje was gedood, begonnen wij te geloven dat er werd onderhandeld.
Rond het middaguur werd de vliegtuigdeur geopend en werd het andere Amerikaanse meisje geroepen en doodgeschoten. Toen dit gebeurde, bekroop opnieuw elk de vrees dat hij misschien de volgende zou zijn die werd uitgekozen om terechtgesteld te worden. Maar terwijl de middag verstreek en de nacht viel, en niemand anders werd opgeroepen, vroegen wij ons af of men misschien tot overeenstemming was gekomen.
„U bent te kalm!”
In de loop van de dag dacht ik bij mijzelf: ’Het is vandaag zondag en nu is de openbare lezing aan de gang in onze gemeente in Piraeus.’ Ik zond een stil gebed op alsof ik op de vergadering was. Later, tegen de tijd dat de lezing voorbij zou zijn, haalde ik mijn Wachttoren te voorschijn en stelde mij voor dat ik op onze gemeentelijke studie was. De schriftplaats in Psalm 118:6 kwam mij in gedachten, waar staat dat als Jehovah aan onze zijde is, wij geen reden hebben om de aardse mens te vrezen.
Mijn jonge assistent George Vendouris, die achter mij zat, zei op een gegeven moment: „Baas, ik wist dat u kalm was, maar u bent te kalm!”
„Kijk joh,” antwoordde ik, „het probleem is niet zo moeilijk. Òf wij blijven in leven, òf wij sterven. Dat is gewoon ons probleem niet. Vertrouw op God, en als hij toelaat dat wij sterven, dan laat hij dat toe. Dus maak je daarover maar niet langer bezorgd.”
„Hebt u niet iets voor mij te lezen?” vroeg hij. En ik gaf hem De Wachttoren.
Nadat in Piraeus, waar ik als christelijke ouderling dien, de studie zou zijn afgelopen, bad ik nogmaals, waarbij ik mijzelf in Jehovah’s handen plaatste en hem zei dat ik bereid was alles te aanvaarden wat hij zou toelaten.
Ik dacht erover een kort briefje aan mijn vrouw te schrijven: ’Katie en kinderen, wij zullen elkaar weerzien in het Koninkrijk.’ Maar toen ik mijn pen te voorschijn had gehaald, dacht ik: ’Hoe kom je erbij om voor rechter te spelen? Heb je niet net nog gezegd dat de kwestie in Jehovah’s handen ligt?’ Ik kwam tot de conclusie dat ik niet het recht had om een briefje achter te laten waarin stond dat ik zou sterven. Dus stopte ik mijn pen weer terug zonder iets geschreven te hebben.
Een reddingsactie en ontsnapping
Plotseling, ongeveer om 8.30 uur n.m., barstte er mitrailleurvuur los, klaarblijkelijk van buitenaf. Maar ook van achter uit het vliegtuig werd geschoten, waarschijnlijk door de kapers. Wij lieten ons op de vloer vallen. Er volgde een explosie en alle lichten gingen uit.
’Nu de lichten uit zijn,’ dacht ik bij mijzelf, ’kan ik van mijn plaats weg.’ Ik kwam overeind, maar zo gauw ik dat had gedaan, voelde ik een branderig gevoel. Het was een of ander gas, en daarom hield ik mijn adem in. Ik hoorde George zeggen: „Hé, ze gaan ons verbranden.” Ik kon zelf niets zeggen en haalde zo weinig mogelijk adem opdat ik niet zou stikken.
In de richting waarin ik keek, was alles donker. Maar toen hoorde ik zeggen: „De andere kant.” Ik draaide mij om en zag een straaltje licht en ging die richting op. Enkele ogenblikken later bevond ik mij in een opening. Het kan een nooduitgang zijn geweest boven de vleugel. Of ik van de vleugel afgesprongen of -gegleden ben, kan ik mij niet meer herinneren.
Het volgende dat ik mij wel herinner, was dat ik op de grond lag en iemand over mij heen stond, die mijn hoofd vasthield. Ik besefte dat ik mij buiten het vliegtuig bevond en dat dit waarschijnlijk onze bevrijders waren.
Ik begon weer te ademen. Maar hoewel daar frisse lucht was, leek het net alsof ik nog steeds gas inademde. En zo bleef het nog dagen daarna. Anderen waren achter mij gevallen en wij probeerden te gaan staan, maar dat werd ons belet. Daarom kropen wij op onze knieën achter enkele kisten. Op die plek werden wij gefouilleerd. Vervolgens werden wij in een auto gezet en naar het ziekenhuis gereden.
Later hoorden wij dat de meesten van de bijna zestig personen die bij de reddingspoging zijn omgekomen, waarschijnlijk zijn gestikt in de rook die werd veroorzaakt door de explosieven van de Egyptische commando’s die het vliegtuig hadden bestormd. Droevig genoeg behoorde mijn collega George Vendouris tot degenen die het leven verloren.
In het ziekenhuis
Toen wij in het ziekenhuis aankwamen — het St. Lukas was dat — hoorde ik het woord „Spoed!” Wij werden op brancards gelegd en een arts kwam kijken wat er aan de hand was. Zij kleedden mij tot op mijn onderbroek uit. Daarna werd ik naar een van de ziekenzalen gebracht. Ik had pijn en mijn ogen brandden. Al gauw kon ik helemaal niets meer zien, en ik begon daarom te roepen totdat er een dokter kwam. Hij deed iets in mijn ogen.
Mijn ogen werden verbonden en ik kreeg intraveneuze voeding toegediend. Ik werd met een handdoek afgewreven en kreeg pijnstillende injecties. In mijn gebrekkige Engels vertelde ik hun dat ik geen bloedtransfusie wilde omdat ik een getuige van Jehovah was. Toen zei iemand mij dat er een Getuige werkte op de ambulance die naar het vliegveld was gekomen, een Maltese Getuige. Toen hij mij later opzocht om met mij te praten, zei hij: „Wees niet bezorgd, ze zullen geen bloed gebruiken.”
Ten slotte kwam er een arts. Zij was heel beleefd. Ik kon haar niet zien, maar ik herinner mij haar stem. Ik vroeg haar of zij op mijn kosten naar mijn huis wilde bellen om mijn gezin te vertellen dat ik leefde. Ik was bezorgd om hen.
Er kwam iemand binnen die, als ik mij goed herinner, zei dat hij de directeur van het ziekenhuis was. Hij pakte mijn hand en vroeg: „Hoe heet u?” waarop ik het hem vertelde. Later vernam ik dat de Getuigen van het bijkantoor van het Wachttorengenootschap in Griekenland hadden opgebeld en aan de telefoon wachtten. De directeur was mij komen opzoeken om zich ervan te vergewissen dat ik leefde om hun dat te kunnen vertellen. Dit gebeurde op maandag tegen het aanbreken van de morgen.
Op dinsdag kwamen mijn vrouw en mijn zoon naar Malta. Toen ik haar hand in de mijne voelde, wist ik dat het mijn vrouw was. Ik omhelsde haar en dankte Jehovah. Mijn zoon was ook meegekomen, evenals de directeur van de firma waarvoor ik werk.
Al die tijd kreeg ik zuurstof toegediend zodat ik kon ademen. Ook kwam er regelmatig een verpleegster binnen die mij op mijn buik draaide en mij op de rug klopte om slijm los te maken. Toen ik weer kon zien, zag ik dat het slijm zwart van kleur was. Dat moet zijn veroorzaakt door de gassen. Op woensdag werden de oogzwachtels verwijderd, maar ik kon het licht niet verdragen.
Toen die dag verscheidene verslaggevers arriveerden, stuurde de arts hen weg. Intussen was de politie gekomen en zij zeiden dat ik een verklaring moest afleggen. Later vertelden zij mij: „U weet zo veel details dat u wel een boek kunt schrijven.” Daarna kwamen er een vertegenwoordiger van het consulaat en de officier van justitie met een bandrecorder om mijn verklaring op te nemen, opnieuw met behulp van een tolk.
Toen dit voorbij was, verlieten mijn vrouw en zoon het ziekenhuis. Zij verbleven bij enkele Maltese Getuigen totdat ik genoeg hersteld was om te reizen en wij gezamenlijk van Malta konden vertrekken. Ik ben heel dankbaar dat ik een van die overlevenden ben van de angstwekkende kaping van Egypt Air Vlucht 648. — Zoals verteld door Elias Rousseas.
[Inzet op blz. 6]
Hij trok zijn pistool en schoot de kaper neer
[Inzet op blz. 8]
Het andere Amerikaanse meisje werd geroepen en doodgeschoten
[Illustratie op blz. 9]
Ik was verblind en had veel pijn
[Verantwoording]
Reuters
[Illustratie op blz. 10]
Mijn vrouw en zoon bezochten mij in het ziekenhuis
[Verantwoording]
Reuters