Mijn speurtocht naar het ware geluk
HET was de zomer van 1970 en ik bevond mij in een bos in de buurt van Revelstoke in Brits Columbia (Canada). Plotseling viel ik op mijn knieën en begon vurig te bidden. De bossen om mij heen waren prachtig genoeg om iemand ontzag in te boezemen en hem ertoe te bewegen God daarvoor te danken, maar dat was het niet wat mij tot bidden bewoog. In werkelijkheid stond ik doodsangsten uit. Mijn blaas voelde aan als een ballon die opgeblazen werd en op het punt stond te klappen. Ik was ervan overtuigd dat ik ging sterven. Het was de angst die mij op mijn knieën bracht. Ik werd gefolterd door een overdosis LSD en ik smeekte God mij niet te doden. Maar laat mij u vertellen hoe ik in deze angstige toestand verzeild raakte.
In het midden van de jaren ’60 begonnen zich veranderingen te voltrekken in de Californische stad waar ik woonde. Ik was toen nog maar een tiener en ik nam de manier van leven over die waar geluk scheen te beloven.
In de weekeinden waren wij gewoon de avond te beginnen met het naar binnen werken van een halve liter jenever. Spoedig namen drugs de plaats van alcohol in. Een groot deel van de tijd die wij op school doorbrachten, waren wij onder de invloed van LSD, hasjiesj, of marihuana. Hoewel er enkele toegewijde leraren waren, maakten wij het hun praktisch onmogelijk hun werk te doen.
Ik vond het fijn aan sport te doen en maakte goede vorderingen; ik won zelfs een zilveren medaille in een worsteltoernooi van de Northern Bay League. Toen gingen wij voor het begin van wedstrijden amfetaminen gebruiken om ons op te krikken en over meer kracht en uithoudingsvermogen te beschikken. Maar ik verloor al gauw alle belangstelling voor sport, zoals dit bij veel van mijn vrienden gebeurde. Drugmisbruik, buitensporig gebruik van alcohol, seksuele immoraliteit en het najagen van materiële doeleinden — dit waren de dingen waarvan wij dachten dat ze het ware geluk zouden brengen.
Ik herinner mij een keer dat enkele vrienden en ik twee dagen lang niet hadden geslapen omdat wij amfetaminen en LSD hadden gebruikt. Wij besloten dus wat hasjiesj te roken en wat wijn te drinken om de stimulerende werking van de andere middelen teniet te doen zodat wij zouden kunnen slapen. Omstreeks die tijd kwam er iemand die ik niet mocht naar het huis toe om wat marihuana van ons te kopen. Ik besloot dat zijn aanwezigheid niet gewenst was en ging naar de kast om mijn jachtboog te pakken. Ik plaatste een pijl in de boog, spande de pees en liet de pijl gaan. Het scheelde maar een paar centimeter of ik had zijn hoofd geraakt! De jongeman vluchtte weg! Maar noch mijn kamergenoten noch ik beseften ten volle wat er was gebeurd. Als ik hem nu eens had gedood, wat dan? Ik was eigenlijk helemaal niet agressief; hoe kwam het dan dat ik zo iets deed?
In het begin van 1970 begon mijn neef Larry met mij over de bijbel te spreken. Wat hij te zeggen had was interessant. Van zijn vader, mijn oom, had ik al eens iets gehoord van de bijbelse boodschap. In 1966 had ik ook enkele vergaderingen in een Koninkrijkszaal van Jehovah’s Getuigen bijgewoond. Toen Larry mij vertelde dat er spoedig een eind zou komen aan het wereldse samenstel van dingen, dacht ik dat hij „geflipt” was. „Of ik met hem de bijbel zou willen bestuderen?” Uit nieuwsgierigheid nam ik het aanbod aan. Wij studeerden een paar keer en ik woonde enkele vergaderingen bij in de Koninkrijkszaal, maar ik vond het gemakkelijker mij met het wereldse samenstel mee te laten drijven en dus hield ik met de studie op.
Ik besloot met enkele vrienden langs de Californische kustweg noordwaarts in de richting van Mendocino te liften. En terwijl wij ergens op het traject op een lift wachtten, vond een van de kameraden met wie ik op reis was in een greppel langs de weg een uitgave van Ontwaakt! Aangezien hij wist dat ik met de Getuigen had gestudeerd, gaf hij die aan mij. Het tijdschrift had een in het oog springende titel: „Is het later dan u denkt?” Ik liet mijn ogen even over het tijdschrift gaan, overpeinzend wat mijn neef mij had verteld, en gooide het daarna in mijn tas. Toen ik thuiskwam legde ik het tijdschrift op mijn ladenkast, maar het viel er al spoedig achter en ik vergat het.
Enige tijd later kochten wij een kilo marihuana en om dat te vieren besloten wij een cake te bakken — met marihuana als hoofdbestanddeel. Die morgen aten wij er zoveel van dat wij allemaal misselijk werden. Later trachtten wij het huis schoon te maken. Terwijl ik aan het vegen was schoof ik mijn ladenkast opzij en wat kon er anders achter die kast vandaan komen dan die Ontwaakt! Toen ik die titel weer zag, kreeg ik werkelijk een schok! Het was toevallig zondag, dus besloot ik naar de Koninkrijkszaal te gaan en de vergadering bij te wonen. Enkele weken lang bleef ik de vergaderingen bezoeken en een van de Getuigen studeerde met mij.
De slechte omgang die ik had, smoorde echter al gauw mijn opnieuw aangewakkerde interesse. Opnieuw hield ik op met studeren. Telkens als ik over het werk van Jehovah’s Getuigen hoorde of iemand zag van wie ik wist dat het een Getuige was, voelde ik mij buitengewoon slecht op mijn gemak. Ik wilde gewoon nooit meer iets over Jehovah’s Getuigen horen!
Een vriend en ik besloten naar Canada te gaan. Terwijl ik wat voorraden voor de reis inkocht, ontmoette ik een oudere dame die boodschappen aan het doen was. Zij vroeg mij of ik wist waar zij een bepaald artikel kon vinden. Gewoonlijk waren oudere mensen niet geneigd met mij te praten vanwege mijn uiterlijk. Zij sprak echter wel met mij en deed dat op een hele vriendelijke manier. Maar toen zij mij vertelde dat de dingen die zij kocht voor een Koninkrijkszaal waren — toen was het gesprek afgelopen. Die woorden gaven mij het gevoel veroordeeld te zijn!
Spoedig waren wij onderweg naar Canada. Wij kwamen langs een stad waar wat kennissen van ons woonden en onderbraken de reis voor een paar dagen. Op een feestje dat daar werd gehouden, zat ik met een meisje te praten toen zij plotseling over haar zuster begon te vertellen die in een andere stad woonde en zei dat zij een van Jehovah’s Getuigen was! Enige dagen later pikten wij twee meisjes op die aan het liften waren. Onderweg begon een van hen plotseling over een paar getuigen van Jehovah te praten die juist in een bus voorbij waren gereden! ’Waarom praat iedereen toch over Jehovah’s Getuigen?’ vroeg ik mij wrevelig af.
Ten slotte sloegen wij ons kamp op in de buurt van Revelstoke, Brits Columbia, en wij besloten wat „acid” te nemen, dat wil zeggen, wat LSD te gebruiken. Het duurde niet lang of ik besefte dat er iets heel erg mis was. Ik had een overdosis genomen en begon te denken dat mijn blaas geklapt was en dat ik aan urinevergiftiging zou sterven. Ik maakte mijzelf wijs dat God hierachter stak omdat ik met de bijbelstudie opgehouden was.
Dit was het moment waarop ik op mijn knieën viel en God vroeg mij niet te doden en beloofde dat ik hem, als hij mij zou laten leven, zou gaan dienen. Zo doolde ik enige tijd rond voordat ik tot bezinning kwam en mij realiseerde dat ik echt niet doodging. Niettemin ging ik de volgende dag op weg naar Californië, vastbesloten om mijn bijbelstudie met de Getuigen weer op te nemen. Mijn familie was werkelijk verbaasd toen ik geknipt, geschoren en in een pak de werkplaats van mijn vader binnenliep en verklaarde dat ik een getuige van Jehovah wilde worden! Ik had het besluit genomen op 1 september 1970 mijn vroegere levenswijze de rug toe te keren.
De eerste paar weken waren erg moeilijk. Op een bepaald moment werd ik zo depressief dat ik werkelijk overwoog mijn oude gewoonten te hervatten en naar mijn oude omgeving terug te keren. Op een middag stond ik in feite net op het punt om het op te geven, toen ik afsloeg naar een benzinestation om de tank te laten vullen. Het viel me op dat een van de pompbedienden bijzonder opgeruimd was; al fluitend en glimlachend tankte hij de auto’s vol. „Die heeft z’n draai gevonden”, dacht ik. Toen hij naar mijn auto kwam, merkte hij op de stoel een van de bijbelstudiehulpmiddelen op en vroeg mij ernaar. Ik vertelde hem dat mijn neef een Getuige was en dat ik de lectuur las. Hij stak zijn arm door het raam om mij de hand te schudden en stelde zich voor als een Getuige uit een plaatselijke gemeente.
Dat ene gesprek was precies wat ik nodig had! Ik nam contact op met mijn neef en vertelde hem dat ik opnieuw wilde studeren. In een daad van ware christelijke goedheid nodigden hij en zijn gezin mij uit om bij hen te komen wonen terwijl ik studeerde. Ten slotte werd ik op 21 november 1970 gedoopt als symbool van mijn opdracht om Jehovah God te dienen. In november van het jaar daarop werd ik gewone pionier (volle-tijdprediker). In mei 1972 aanvaardde ik een uitnodiging om op het hoofdbureau van het Wachttorengenootschap te komen werken. Ongeveer vier jaar lang genoot ik het voorrecht om te werken op de boerderij van het Genootschap in de staat New York.
Toen hoorde ik dat er een grote behoefte bestond aan Koninkrijksverkondigers in andere landen. Dus vulde ik een aanvraagformulier in om de Wachttoren-Bijbelschool Gilead te bezoeken, een school die ten doel heeft zendelingen op te leiden zodat zij naar het buitenland kunnen worden uitgezonden. Ik doorliep deze school en gradueerde op 10 april 1977. Op 21 april kwam ik in Honduras aan, gereed om anderen te helpen de weg te vinden die naar het ware geluk leidt. Momenteel heb ik het voorrecht om als reizend opziener te dienen; ik bezoek een aantal gemeenten en streef ernaar mensen ten dienste te staan die in de bijbel en Jehovah’s beloften aangaande de toekomst geïnteresseerd zijn.
Als ik op mijn leven terugkijk, kan ik naar waarheid zeggen dat het dienen van Jehovah God — en niet een levenswijze gericht op het najagen van genoegens — mij geluk heeft gebracht, het ware geluk. Het is precies zoals de profeet Jesaja optekende: „Ik, Jehovah, ben uw God, Degene die u leer uzelf baat te verschaffen, Degene die u doe treden op de weg die gij dient te bewandelen” (Jesaja 48:17). — Zoals verteld door R. Wagner.
[Inzet op blz. 25]
Drugmisbruik, buitensporig gebruik van alcohol, seksuele immoraliteit en het najagen van materiële doeleinden — dit waren de dingen waarvan wij dachten dat ze het ware geluk zouden brengen
[Inzet op blz. 25]
Ik ging naar de kast om mijn jachtboog te pakken, plaatste een pijl in de boog, spande de pees en liet de pijl gaan. Het scheelde maar een paar centimeter of ik had zijn hoofd geraakt!
[Inzet op blz. 26]
Ik werd gefolterd door een overdosis LSD en ik smeekte God mij niet te doden
[Inzet op blz. 26]
„Of ik met hem de bijbel zou willen bestuderen?” Uit nieuwsgierigheid nam ik het aanbod aan
[Illustratie van R. Wagner op blz. 24]