Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g83 22/1 blz. 12-16
  • Su-Lin, de eerste levende panda in Amerika

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Su-Lin, de eerste levende panda in Amerika
  • Ontwaakt! 1983
  • Vergelijkbare artikelen
  • De man die op panda’s joeg
    Ontwaakt! 1974
  • Het dier met de aandoenlijke blik
    Ontwaakt! 1982
  • „Waarheen gij gaat, zal ik gaan”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2012
  • „Waarheen gij gaat, zal ik gaan”
    Volg hun geloof na
Meer weergeven
Ontwaakt! 1983
g83 22/1 blz. 12-16

Su-Lin, de eerste levende panda in Amerika

Zoals verteld door Quentin Young

Ik ving de eerste levende panda die in de westere wereld werd gezien. Nadien vond ik iets van veel groter waarde

’EENS’, dacht ik, ’zal ik ook zo iets doen — misschien nog beter.’ Mijn broer was juist teruggekeerd van een jacht op reuzenpanda’s in de binnenlanden van China. Hij was meegegaan met een expeditie onder leiding van de twee zonen van president Theodore Roosevelt, Theodore jr. en Kermit. Ik was toen veertien jaar en zat in China op school — mijn broer en ik zijn van Chinese afkomst, maar hij was in de Verenigde Staten geboren. Later, toen ik twintig was en in Sjanghai studeerde, kwam mijn broer opnieuw naar China. „Ik ga Tibet in om te jagen”, zei hij. „Heb je zin om mee te gaan?” En of ik zin had! Dat was in 1934.

Omdat hij deel had uitgemaakt van de expeditie van de Roosevelts, kon hij nu zijn eigen expeditie organiseren om voor dierentuinen en musea zeldzame dieren te verzamelen. De expeditie was zeer succesvol. In 1935 ondernamen wij opnieuw een expeditie en verzamelden vele levende dieren. Ook probeerden wij een reuzenpanda te schieten, maar zonder succes.

Mijn nu reeds vervulde jeugddroom om ’ook zo iets te doen, of misschien zelfs nog iets beters’ zou een nog grotere vervulling krijgen: Een primeur voor dierenverzamelaars!

De sleutel tot de verwezenlijking hiervan was de aankomst van mevrouw Ruth Harkness in China. Zij was een modeontwerpster uit New York en was gehuwd geweest met een bekende dierenverzamelaar. Hij was de eerste die de reusachtige komodovaraan uit het toenmalige Nederlands Oost-Indië mee terug wist te nemen. En hij was ervan overtuigd dat hij de eerste zou zijn die met een levende reuzenpanda uit China in de westerse wereld zou terugkomen. In plaats daarvan liep hij in China een ziekte op en stierf hij daar.

Nu was zijn weduwe, Ruth Harkness, naar China gekomen om te voltooien wat haar man was begonnen — een levende panda mee terug te nemen naar de westerse wereld. Iedereen lachte haar uit. „U kunt niet gaan. U weet niet waar de panda’s zijn. Anderen hebben geprobeerd een levende panda te bemachtigen; geen van hen is erin geslaagd. Waarom denkt u dat u het wel kunt? Mevrouw, u bent gek!”

Maar zij was vastbesloten. Zij wendde zich tot het Amerikaanse consulaat, waar men haar zei: „Als u naar het pandagebied wilt, doet u er goed aan u in verbinding te stellen met de gebroeders Young.”

De volgende dag ontmoette ik Ruth Harkness. Wij bespraken de kwestie, kwamen tot een akkoord en begonnen met onze voorbereidingen. Wij ontmoetten elkaar begin september 1936, en wij vertrokken op de zesentwintigste van die maand.

Zo begonnen wij aan onze tocht de Jangtse op. Wij stapten verscheidene malen over op een andere boot. Eerst de rivierboot van ongeveer 2500 ton, daarna een platboomd vaartuig van 150 ton en ten slotte gebruikten wij zelfs vlotten. Zo’n 1600 kilometer landinwaarts moest de boot soms vanaf de oever door koelies worden getrokken. Het indrukwekkendste traject van de reis werd gevormd door de beroemde ravijnen van de Jangtse — steile rotswanden die meer dan 300 meter uit het water omhoogrijzen.

Bij Tsj’oeng-tj’ing verlaten wij de rivier en reizen per auto naar Tsj’eng-toe. Vandaar naar Kwan-sjien wordt het voor iedereen lopen, behalve voor Ruth. Ik stond erop dat zij de tocht in een draagstoel — een wha-gar genaamd — zou maken, gedragen door koelies. Kwan-sjien is de laatste buitenpost. Vandaar beginnen wij te klimmen. Wij hebben geen dragers meer. Iedereen loopt. Twee dagen noordwaarts naar Wentsjwan — de laatste plaats waar wij voedsel kunnen kopen — en dan naar het westen, pandagebied in.

Twee dagen na ons vertrek uit Wentsjwan kwamen wij in Tsaopo, een dorpje dat alleen via een zeer moeilijk begaanbaar voetpad te bereiken was. Maar het buitengewone van deze in de bergen verscholen dorpjes is dat elk zijn eigen voorzieningen heeft voor lager onderwijs en voor de eerste klassen middelbaar onderwijs. Sommige dorpsbewoners van Tsaopo beweerden zelfs dat de panda’s soms zo de klaslokalen kwamen binnenwandelen!

Wij slaan ons hoofdkwartier op in Tsaopo, in een oud kasteel. Vanuit Tsaopo nog een dagreis verder naar het westen zette ik ons basiskamp op en plaatste ik enkele pandavallen. Ik liet Ruth daar en trok verder, en steeds hoger, het gebergte in, naar wat ik Kamp 2 noemde, mijn kamp, terwijl ik meer vallen uitzette. Ruth en ik hielden contact door boodschappers tussen de twee kampen.

Maar Ruth wilde meer opwinding. Zij wilde mijn kamp bezoeken. Het was geen geschikte plaats voor haar, maar zij stond erop, en dus ging ik naar beneden om haar op te halen. Het is goed dat ik het deed — zij zou het hoogtepunt van de tocht hebben gemist als ik het niet had gedaan!

De jagers gingen voor ons uit omdat het een erg moeilijk pad was en Ruth ons niet kon bijhouden. Ik liep achteraan en hielp haar, af en toe duwend, omhoog. Ik had bevel gegeven om geen enkele panda te schieten; ons eerste doel was er een levend te vangen. Pas daarna zouden wij op een panda gaan jagen om die aan de Chinese regering aan te bieden. Maar de tweeëntachtig jaar oude jager vóór ons zag een panda en raakte zo opgewonden dat hij begon te schieten. De panda, een vrouwtjesdier, werd gewond en rende weg, met de jagers achter haar aan.

Ik kwam op een open plek in het bos en hoorde een zacht gejank als van een jong hondje. Het geluid leidde mij naar een grote holle boom. En daar, op een bed van bamboebladeren, vond ik een . . . BABYPANDA. Het was het leger van de gewonde panda waar ze haar jong had achtergelaten. Ik had er nooit over gedacht een welpje te vangen. Toen ik het diertje oppakte, dacht ik: ’Wat hebben we eraan? Ze weegt nauwelijks een halve kilo. Haar oogjes zijn nog niet eens open, zo jong is ze, en haar zwarte vlekken zijn nog niet eens duidelijk te onderscheiden. We kunnen haar niet eens voeden. Ze haalt het nooit!’

Ruth Harkness kwam hevig hijgend omhooggeklauterd en wilde weten waarom er geschoten was. „Hebben ze een panda gedood?” Ik antwoordde niet — hield haar slechts in de holte van mijn handen dat kleine balletje met bont voor. „Hier is wat u in China kwam zoeken.”

Eerst kon zij het niet verwerken, maar ten slotte bracht zij er aarzelend en ongelovig uit: „Een babypanda?” Ademloos nam zij het welpje van mij aan, knuffelde het terwijl ze het liefkozend toefluisterde: „O baby, baby.” Zij hield het diertje dicht tegen zich aan en was overgelukkig. Maar ik vond het dwaas, zoals zij hem vasthield, en hoe zij tegen hem praatte. „Wat moeten we met dat beestje?” vroeg ik. „We kunnen het niet in leven houden. We hebben er niets aan. Laten we gaan!”

Ik wilde weten hoe het was afgelopen met de moederpanda die wij hadden verwond. Maar Ruth dacht alleen nog maar aan het kleintje. „O, laat die maar”, zei zij. „Laten we teruggaan naar het kamp.” En meteen begon zij het pad af te dalen. Er bleef mij niets anders over dan haar te volgen, met de kleine panda in mijn hemd.

Terug in het basiskamp rommelde zij in haar bagage en haalde er ten slotte een zuigfles uit. Ik was met stomheid geslagen. Ik wist niet dat zij zo iets meegenomen had! Maar Ruth had mij in Sjanghai met iemand horen praten over de transportproblemen die een 135 kilo wegende reuzenpanda in de binnenlanden van China zou opleveren; dus had zij zich voorbereid op de zorg voor een pandawelpje. Zij maakte de melk klaar, deed die in de fles, deed de speen erop, duwde haar in de bek van het diertje en het dronk, met gulzige teugen!

Het was een heel bijzonder moment daar hoog in die bergen dicht bij de Tibetaanse grens — een historisch moment zoals later zou blijken. Ruth hield het welpje dicht tegen zich aan en keek hoe het dronk. Zij noemde het Su-Lin, wat „gelukkig en elegant” betekent.

Kort daarna begonnen Ruth Harkness en Su-Lin aan hun reis naar de Verenigde Staten, waar zij in december 1936 aankwamen. Su-Lin was onmiddellijk een beroemdheid. Overal waar ze kwam, flitsten camera’s, schreven verslaggevers hun verhalen en waren radio-omroepers druk bezig haar roem te verbreiden. Op de verpakking van levensmiddelen verscheen haar beeltenis: Su-Lin, de eerste levende reuzenpanda in de westerse wereld.

Ongelukkig genoeg was haar verblijf niet van lange duur. Ze bleef verscheidene maanden bij Ruth voordat ze aan de Brookfield Zoo in Chicago werd aangeboden. Maar helaas stierf ze op de leeftijd van anderhalf jaar. Nu is ze alleen nog maar in het Field Museum daar in Chicago — opgezet.

Het jaar daarop, in 1937, keerde Ruth terug naar China en ik ging opnieuw met haar mee om nog een levende panda te vangen. Su-Lin leefde toen nog en Ruth wilde een kameraadje voor haar vinden. Ik kreeg inderdaad een tweede welp te pakken — deze woog achttien kilo. Ze kreeg de naam Diana, naar het meisje dat later mijn eerste vrouw zou worden. Later gaf Ruth de babypanda echter een andere naam, Mei Mei.

Jaren gaan voorbij. De oorlog met Japan breekt uit. Ik ga in het Chinese leger, breng mijn gezin over naar Indonesië en word door de Japanners gevangengezet. Na de Japanse capitulatie reorganiseer ik de overzeese Chinezen in Indonesië en werk ik op het Chinese consulaat. Maar wanneer Indonesië in 1949 Communistisch China erkent, moeten wij het consulaat sluiten. Ik sluit mij aan bij de Nationalistische Partij en leid de Indonesische partijafdeling van overzeese Chinezen en zorg dat zij loyaal blijven aan Nationalistisch China. Vanwege deze diensten word ik in 1953 teruggeroepen naar het hoofdkwartier van de partij, dat zich nu op Taiwan bevindt. Daar wordt mij een speciale academische opleiding gegeven, waarna ik teruggezonden word naar Indonesië en daar in 1958 onder de linkse regering opnieuw in de gevangenis terechtkom. Niet lang nadat ik vrijkwam, stierf mijn eerste vrouw aan kanker. Ik bracht mijn twee kinderen groot, totdat beiden getrouwd waren en voor zichzelf konden zorgen. Tegen die tijd was ik hertrouwd met Swan, een Chinese, geboren in Indonesië. Samen keerden wij terug naar Taiwan. Dat was in 1968.

Na al mijn diensten, opofferingen en lijden voor de zaak dacht ik op Taiwan wel een goede baan te zullen krijgen. Maar in plaats daarvan kreeg ik te horen: „U wordt al oud; we hebben jonge mensen nodig.”

Swan wilde naar de kerk om te bidden. „Goed”, zei ik. „Ik zal je naar de kerk brengen. Maar ik weet hoe ze zijn.” De protestantse beweging was in China erg krachtig geweest. Ik was met de zendelingen opgetrokken, was Anglicaan geweest, en Baptist en Lutheraan — ik had ze allemaal geprobeerd, maar ik wilde er niets meer mee te maken hebben.

De volgende dag stonden wij op het punt te vertrekken, toen iemand op onze deur klopte. Het was een Engelse dame van het bijkantoor van Jehovah’s Getuigen in Taipei. Zij begon Chinees tegen mijn Chinese vrouw te spreken, maar die verstond geen Chinees — alleen Indonesisch, Nederlands en Engels. Dus spraken zij Engels. Dit was het begin van een bijbelstudie in ons huis. Toen zij naar de Chineestalige vergaderingen in de Koninkrijkszaal begon te gaan, moest ik met haar mee om voor haar te vertalen.

Geleidelijk ging ik zien dat deze religie anders was. Zij vroegen ons niet om geld. En zelfs wanneer het hard regende, kwam de dame voor de studie. Zij kwam al lange tijd en vroeg nooit ergens om. Ik begon veel dingen over de bijbel te leren. In de tijd dat mijn vrouw studie had, raakte ik ook zelf in een studie verwikkeld. Dit ging op een ongewone manier in z’n werk.

Jim Good, een van Jehovah’s Getuigen, was directeur van RCA Taiwan. Hij had meer dan zevenduizend werknemers onder zich, was hoofd van het op één na grootste buitenlandse bedrijf op Taiwan en natuurlijk goed bekend met vele hoge regeringsfunctionarissen en ministers. Zijn vrouw, Hazel, was ook een Getuige, en zij wilde Chinees leren. Ik werkte in die tijd bij RCA op de afdeling Personeelszaken en verzorgde de redactie van hun bedrijfskrant. Dus ging ik haar Chinees leren. En wat leerde zij mij? De waarheden uit de bijbel.

Gemakkelijk maakte ik het haar niet. Ik stelde heel wat moeilijke vragen. Als zij ze niet kon beantwoorden, zei zij altijd: „Ik geef u de volgende keer dat ik kom, antwoord.” En zij beantwoordde al die lastige vragen. Sommige moeten haar vreemd hebben toegeschenen. „Waarom zegt de bijbel niets over de Chinezen?” „Waarom waren de Chinezen niet het uitverkoren volk in plaats van de joden?” „En waarom is de draak in Openbaring zo slecht?” Voor de Chinezen is hij een teken van voorspoed. U kunt dus zien dat ik het haar knap lastig maakte.

Na een jaar gestudeerd te hebben, werd mijn vrouw gedoopt. Dit was in 1970. Daarna wilde mijn ouder wordende broer, inmiddels gepensioneerd uit het Amerikaanse leger, dat wij de jaren die ons nog restten, bij hem zouden doorbrengen. Ik werd daar in 1974 gedoopt. De verschillen in geloof maakten het voor ons moeilijk om bij mijn broer te wonen. Mijn vrouw en ik verhuisden naar Zuid-Californië, en wij ervaren nu het geluk daar verbonden te zijn met een gemeente van Jehovah’s Getuigen.

Toen ik veertien was en op de middelbare school zat, en mijn broer terugkwam van zijn expeditie met de gebroeders Roosevelt, dacht ik: ’Eens zal ik ook zo iets doen, of zelfs nog beter.’ Ik ben blij dat ik die hoop uit mijn jonge jaren heb mogen verwezenlijken. Maar ik verheug mij nu nog veel meer in een andere hoop: De hoop voor eeuwig op een paradijsaarde te leven, daar voor al de planten en dieren zorg te dragen, en met mensen te leven die liefde voor elkaar aan de dag leggen en verenigd zijn in hun aanbidding van Jehovah God, de Schepper van hemel en aarde.

Ik bid dat ik door Jehovah’s onverdiende goedheid ook deze hoop die wel het mooiste is van alles, zal mogen verwezenlijken!

[Inzet op blz. 13]

„Anderen hebben geprobeerd een levende panda te bemachtigen; geen van hen is erin geslaagd. Waarom denkt u dat u het wel kunt?”

[Inzet op blz. 14]

Ik antwoordde niet — hield haar slechts in de holte van mijn handen dat kleine balletje met bont voor. „Hier is wat u in China kwam zoeken.”

[Inzet op blz. 15]

In plaats daarvan kreeg ik te horen: „U wordt al oud; we hebben jonge mensen nodig.”

[Inzet op blz. 16]

Ik stelde heel wat moeilijke vragen. „Waarom waren de Chinezen niet het uitverkoren volk in plaats van de joden?” „En waarom is de draak in Openbaring zo slecht?” Voor de Chinezen is hij een teken van voorspoed

[Kaarten op blz. 13]

(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)

Tsj’eng-toe

Kwan-sjien

Wentsjwan

Weikioe

Mou-sjien

Lifan

Verkennerskamp no. 1

Tsapai

Vallei van Tsaopo-go

Quentins kamp

Basiskamp

[Kaart]

China

Sjanghai

Nanking

Jangtse

Woehan

Tjiang-Ling

I-tsj’ang

Wan-sjièn-sje

Tsj’oeng-tj’ing

Tsj’eng-toe

Mou-sjien

[Illustratie op blz. 14]

Su-Lin in China

[Illustratie op blz. 15]

In de dierentuin in Chicago

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen