De revolutie in de evolutie
ER WORDT UIT ALLE MACHT NAAR NIEUWE ANTWOORDEN GEZOCHT
EVOLUTIE „beleeft haar breedste en diepste revolutie in bijna 50 jaar”, aldus een verslag over een bijeenkomst in Chicago in oktober 1980. Zo’n 150 specialisten op het gebied van evolutie hielden daar een vierdaagse conferentie over het onderwerp „Macro-evolutie”.
Science, het officiële orgaan van het Amerikaans Genootschap ter Bevordering van de Wetenschap (AAAS), beschreef de stemming: „Botsende persoonlijkheden en aanvallen op elkaars werk schiepen een tastbare spanning . . . de zittingen waren bij tijden wanordelijk en zelfs scherp.” Vele gefrustreerde wetenschappers klaagden dat „een groot deel van de bijdragen meer werd gekenmerkt door beschrijving en bewering dan door het presenteren van gegevens”. Maar is niet het uiten van beweringen in plaats van het presenteren van gegevens reeds lang de tactiek van evolutionisten?
Volgens Darwin was het leven heel langzaam en met kleine veranderingen uit een eencellig organisme geëvolueerd tot alle levensvormen, met inbegrip van de mens. Het fossielenverslag moest deze overgangen te zien geven, en hoewel Darwin toegaf dat het verslag incompleet was, meende hij dat mettertijd meer fossielen ontdekt zouden worden die de gapingen zouden aanvullen.
„Het patroon waarnaar we 120 jaar hebben moeten zoeken, bestaat niet”, verklaarde paleontoloog Niles Eldridge van het American Museum of Natural History in New York. Hij gelooft dat nieuwe soorten niet uit geleidelijke veranderingen ontstaan maar in plotselinge doorbraken. De vele tussenvormen die nodig waren volgens Darwins evolutiemodel, hebben nooit bestaan — geen fossielen zullen ooit de kloven overbruggen.
Stephen Jay Gould van Harvard stemt in met Eldridge. In Chicago verklaarde hij: „Inderdaad is het fossielenverslag heel gebrekkig, maar het schokkerige dat wij zien, is niet het resultaat van hiaten, maar de consequentie van het schokkerige patroon van het evolutieproces.” Francisco Ayala, vroeger een voorvechter voor Darwins langzame veranderingen, gaf als commentaar: „Ik ben er nu door wat de paleontologen zeggen, van overtuigd dat kleine veranderingen niet accumuleren.”
Science vatte de controverse samen: „De centrale vraag op de conferentie in Chicago was of de mechanismen achter de micro-evolutie [kleine veranderingen binnen de soorten] geëxtrapoleerd mogen worden tot een verklaring voor de verschijnselen van macro-evolutie [grote sprongen over de soortgrenzen heen]. . . . dit kan beantwoord worden met een duidelijk Neen.”
Deze herziene versie van evolutie wordt „geïnterpuncteerd evenwicht” genoemd, hetgeen betekent dat een bepaalde soort miljoenen jaren in het fossielenverslag voorkomt, plotseling verdwijnt en een nieuwe soort al even plotseling opduikt. Dit is echter geen nieuw voorstel. Richard Goldschmidt kwam er in de jaren 1930 mee, noemde het de „veelbelovende monsters”-hypothese en is daar toen erg om bespot. „Geïnterpuncteerd evenwicht” is een veel indrukwekkender aanduiding.
Deze theorie is in zekere zin een zegen voor evolutionisten, want ze maakt een eind aan de noodzaak om met overgangsvormen te komen aandragen. De veranderingen gebeuren volgens deze theorie te snel, zo beweren evolutionisten, om door fossielen vastgelegd te kunnen worden — maar niet snel genoeg voor ons om het te kunnen zien gebeuren. Maar er is ook een keerzijde. Toen creationisten erop wezen dat de ingewikkelde ontwerpen in de natuur een ontwerper vereisten, plaatsten evolutionisten natuurlijke selectie als ontwerper op de troon. Nu is de rol van de natuurlijke selectie uitgehold en is het toeval verhoogd — creationisten hebben al lang gezegd dat evolutionisten van het toeval afhankelijk zijn.
David Raup schrijft in het Bulletin van januari 1979 van het Field Museum of Natural History in Chicago over „Conflicten tussen Darwin en de paleontologie”. Raup zegt dat in het fossielenverslag wel verandering te zien is, maar niet „als de redelijkste consequentie van natuurlijke selectie. . . . deze komt voor in de natuur hoewel goede voorbeelden verbazend zeldzaam zijn. . . . Een tegenwoordig belangrijk alternatief voor natuurlijke selectie heeft te maken met het effect van puur toeval. . . . We hebben het dus net zo goed over het overleven van de boffer als over het overleven van de geschiktste”. Hij denkt dat „zoogdieren misschien niet beter waren dan dinosauriërs maar gewoon meer geboft hebben”, en besluit zijn artikel door over Darwin te zeggen: „Wat hij over het hoofd zag, was het eenvoudige element van toeval!”
Als nu toeval de overheersende rol speelt in het leiden van de evolutie, keert de netelige vraag van het ontwerp terug: Hoe kan het toeval zorgen voor de ingewikkelde en verbazingwekkende ontwerpen die overal bestaan? Bovendien moeten dergelijke wonderen van ontwerp door toeval niet slechts eenmaal plaatsvinden, maar ze moeten keer op keer in onderling niet verwante soorten opnieuw plaatsvinden.
De octopus bijvoorbeeld is niet aan ons verwant, maar zijn oog is verrassend „menselijk”. Niet-verwante vissen en alen kunnen elektrische schokken opwekken. Niet-verwante insekten, wormen, bacteriën en vissen hebben lichtgevende organen voor koud licht. Niet-verwante zeeprikken, muskieten en bloedzuigers kunnen met anticoagulantia verhinderen dat het bloed van hun slachtoffers stolt. Niet-verwante stekelvarkens, mierenegels en egels zouden onafhankelijk van elkaar stekels ontwikkeld hebben. Niet-verwante dolfijnen en vleermuizen bezitten sonar. Niet-verwante vissen en insekten hebben bifocale ogen voor zicht in de lucht en onder water. Bij vele niet met elkaar verwante dieren — schaaldieren, vissen, alen, insekten, vogels, zoogdieren — treft men verbazende bekwaamheden voor hun jaarlijkse trek.
Bovendien willen evolutionisten ons doen geloven dat warmbloedige dieren zich drie onderscheiden keren uit reptielen hebben ontwikkeld, dat het vermogen om kleuren te zien zich driemaal opnieuw heeft ontwikkeld, en dat vleugels en het vermogen om te vliegen zich vijfmaal hebben ontwikkeld in niet-verwante vissen, insekten, pterodactylen, vogels en zoogdieren.
Kan het toeval keer op keer dit soort prestaties leveren? De kansrekening zegt overduidelijk Neen! De revolutie van de evolutie mag er dan toe bijdragen de evolutie overeind te houden ondanks de hiaten in het fossielenverslag, maar ze heeft het toeval een rol toebedeeld die ver boven zijn vermogen uitreikt.
[Inzet op blz. 10]
De „veelbelovende monsters”-hypothese komt terug als „geïnterpuncteerd evenwicht”
[Inzet op blz. 11]
Voordat er sprake kan zijn van overleven van de geschiktste moet toeval zorgen voor het ontstaan van de geschiktste