Laten we eens een bezoek brengen aan een zoutmijn
Door Ontwaakt!-correspondent in Oostenrijk
„THOMAS, hoe zou je het vinden om met ons een zoutmijn te bezoeken?” Onze 10-jarige buurjongen was enthousiast over het idee en wij vonden het leuk een metgezel te hebben voor onze zoon van twaalf. Onze bestemming? Hallstatt, een oud zoutmijndorp in de Oostenrijkse Alpen.
Na in Hallstatt te zijn aangekomen, parkeren we onze auto en wandelen dan naar de kabelbaan die ons omhoog zal voeren naar de zoutmijn. Vanuit de ramen hebben we een adembenemend uitzicht op het meer van Hallstatt en de majestueuze berg die steil aan zijn oevers omhoog rijst.
Het gravenveld van Hallstatt
Na de gondel van de kabelbaan te hebben verlaten, gaan we op weg naar het mijnhuis. Onze wandeling voert ons door een reusachtig veld met meer dan 2000 graven. Ongeveer 1300 ervan zijn geopend en hebben 10.000 voorwerpen opgeleverd afkomstig uit de tijd van ongeveer 950 tot 390 v.G.T. Reeds in die vroege periode werd hier op systematische wijze aan zoutwinning gedaan. Ontdekkingen hier en elders in het gebied hebben archeologen in staat gesteld de beschavingsperiode van 750 tot 450 v.G.T. zo goed te reconstrueren dat die bekend is komen te staan als de „Hallstatt-periode”.
Uit de vondsten is gebleken dat de mensen geloofden in een voortbestaan na de dood. Tot de voorwerpen die met de doden werden begraven, behoorden urnen, schalen, emmers, wapens en sieraden.
In een wei, op een hoogte van 1370 meter, is een pottenbakkerij blootgelegd. Op de bodem van negen vaten heeft de pottenbakker in de nog natte klei tekens gegrift. Een van die tekens gelijkt op een vork met zeven tanden. In het boek Alte und Neue Funde aus Hallstatt staat dat dit teken wordt beschouwd als een letter van een oud schrift. Wij lezen verder: „Het wordt reeds aangetroffen in het oudste letterschrift van Semitische alfabetten.” Het teken wordt gehouden voor een symbool van de „regen”. Het boek Vom Amulett zur Zeitung (Van amulet tot krant) wijst erop dat gedurende „mythologisch georiënteerde periodes van de beschaving” dit bijzondere teken over de gehele aarde voorkwam. Daarna vervolgt het met op te merken: „Varianten op dergelijke tekens kan men aantreffen in Mesopotamië, in Griekenland, in Noord-Europa (de Hallstatt-cultuur), onder de [Amerikaanse] Indianen en in China.” Dus zelfs dit afgelegen dal in het Hallstatt-gebied is kennelijk niet ontkomen aan de invloed van de cultuur en godsdienst uit Mesopotamië.
Een tocht door de mijn
Maar nu willen we toch wel graag de mijn zelf in. Bij het mijnhuis krijgen de bezoekers beschermende overalls aangeboden. Elke grootte is aangegeven met een aparte kleur, dus het is gemakkelijk een passend exemplaar te vinden.
Op korte afstand boven het mijnhuis ligt de tunnelingang tot de mijn. Een mijnwerker begroet ons met zijn kenmerkende groet: Glück auf! (de mijnwerkersuitdrukking voor: „Het ga je goed!”) De doorgang die tot in het inwendige van de berg voert, is in 1719 uitgehouwen. Onze gids vertelt ons dat we een tunnel door moeten van 300 meter, door het vaste dekgesteente heen. Deze buitenste ondoordringbare rotslaag verhindert dat de zoutlagen door water worden weggespoeld. Het kan best wezen dat de buitenwand van de berg vroeger ook zout heeft bevat. Maar waarschijnlijk is dit weggespoeld, zodat een ondoordringbare laag is achtergebleven, die de zoutlagen daaronder beschermt.
Verscheidene minuten later belanden we in een grotere dwarstunnel. Van hier leidt een glijbaan van geschilde en glad gemaakte boomstammen naar een grote holte beneden. We nemen alle vier plaats op de flink hellende glijbaan en met een duwtje van onze gids suizen we door de tunnel naar omlaag. De glijbaan heeft een lange uitloop, zodat we zonder problemen tot stilstand komen. Vóór ons ligt een grote holle ruimte met een oppervlakte van meer dan 2000 vierkante meter en een inhoud van 3700 kubieke meter.
Zoutproduktie
Onze gids legt uit dat deze holte voorheen diende als oplosruimte. Om zo’n ruimte te openen, laten de mijnwerkers explosieven springen, waardoor er een ondergrondse holte van ongeveer 20 bij 40 meter ontstaat. En door middel van een tunnel zoals die waardoor we naar beneden zijn gegleden, wordt er zoet water in de holte geleid, tot die volledig tot aan het plafond gevuld is. Het water lost het zout op en onoplosbare bestanddelen zakken naar de bodem. Na zes tot acht weken zal 100 liter van het water zo’n 31 tot 33 kilo zout bevatten. Naarmate het water het zout verder oplost, stijgt het plafond van de holte hoger en hoger en gaat ook de holte in zijn geheel omhoog. Afhankelijk van de zoutconcentratie wordt bij elk oplosproces 50 tot 150 centimeter van het plafond weggevreten. Men herhaalt dit proces 50 tot 70 maal. De zoutoplossing of pekel wordt afgevoerd via een pijpleiding die de mijnwerkers in een horizontale tunnel onder de holte hebben aangelegd. Daarna gaat de oplosruimte dicht.
We vervolgen onze tocht door het inwendige van de berg en klimmen een trap op die langs de glijbaan loopt waar we af zijn komen suizen. We bevinden ons nu zo’n 800 meter van de ingang vandaan en, gemeten van het bergoppervlak, zo’n 400 meter onder de grond. Opnieuw roetsjen we alle vier langs een glijbaan naar beneden en staan plotseling voor een spectaculair groot onderaards meer. Diverse gekleurde lampen verlichten de holte en het water weerspiegelt de letters van de mijnwerkersgroet: Glück auf!
Deze holte is groter dan de eerste die we zagen. Het plafond welft zich over een oppervlakte van 3800 vierkante meter en de inhoud van deze grot is wel 15.300 kubieke meter. Via een pad rond het ondergrondse „meer” kunnen we de zoutoplossingsruimte van alle kanten bekijken. De weerspiegeling van het plafond in het zware, zoute pekelnat is zo helder dat we elk detail als in een spiegel weerkaatst zien.
Onze tocht komt ten einde
Het pad rond deze ondergrondse holte eindigt bij een plek met verscheidene informatieborden. Onze gids legt ons uit dat de pekel via een 40 kilometer lange pijpleiding naar een fabriek wordt vervoerd, waar het tot industrie- en keukenzout wordt verwerkt.
Aan het slot van onze tocht klimmen we via een wenteltrap naar boven en bereiken de tunnel waardoor we zijn binnengekomen. Onze gids nodigt ons uit plaats te nemen op een klein karretje dat zich over rails voortbeweegt. De tunnels hebben een geringe helling van ongeveer 1,5 percent. Dat is voldoende om ons naar het daglicht van de ingang te voeren.
We hebben werkelijk veel geleerd, en de tijd ging snel voorbij in dit ondergrondse rijk van de zoutmijnwerkers. Thomas zei opgetogen tegen zijn ouders: „Ik heb sinds tijden niet zo’n leuke dag gehad.” En onze zoon voegde daaraan toe: „Wat een ervaring!”