Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g78 8/5 blz. 23-26
  • Tragedie op zee

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Tragedie op zee
  • Ontwaakt! 1978
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Doel van de tocht
  • Getroffen door een afschuwelijke wind
  • Eén komt veilig aan land
  • De tweede overlevende komt aan
  • Jack vertelt zijn nachtmerrie
  • Alles is niet verloren
  • De kano — Het ’ideale vervoermiddel’ van Canada
    Ontwaakt! 2010
  • ‘Hier zijn wij! Stuur ons!’
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk (studie-uitgave) 2020
  • Je kinderen helpen om te gaan met schokkende nieuwsberichten
    Hulp voor het gezin
  • Macht over de wind en de golven
    Naar de Grote Onderwijzer luisteren
Meer weergeven
Ontwaakt! 1978
g78 8/5 blz. 23-26

Tragedie op zee

Zoals verteld aan Ontwaakt!-correspondent op Papoea-Nieuw-Guinea

DIE woensdag 9 maart vertrokken we om ongeveer 11 uur ’s ochtends uit Gasmata, New Britain. Het weer was prachtig. Een zachte bries bolde het zeil van onze kano en bewoog ons stilletjes voort, terwijl we bijpeddelden om de vaart te verhogen.

Aan onze linkerzijde was de kust voor het grootste deel afgezet met donkergroene mangrovebossen, die af en toe werden onderbroken door open plekken met een kustdorpje en een smal zandstrand, waar de golven over het witte zand spoelden en enkele rijen kokospalmen de achtergrond vormden.

Zo’n 5 tot 8 kilometer landinwaarts rezen beboste berghellingen 1525 meter hoog de lucht in. Wat een majestueuze aanblik!

Nu en dan gleed onze kano over kleurrijke koraalriffen, waartussen we tropische vissen konden zien zwemmen. We bewogen ons betrekkelijk dicht onder de kust langs, over een kalme zee. Van tijd tot tijd vingen we een glimp op van de smalle riffen die verderop in zee lagen, gemarkeerd door de witte lijnen van de brekers die met korte tussenpozen over ze heenspoelden. Dit alles rustig zittend vanuit de kano te kunnen gadeslaan, vervulde ons met een diep gevoel van voldoening. Werkelijk een prachtige omgeving!

Hoe weinig konden we vermoeden dat dit serene tafereel binnen een paar uur zou veranderen in en ziedende heksenketel en wij tussen huizenhoge golven zouden zitten, in een zee opgezweept door orkaanharde winden!

Doel van de tocht

Het doel van de tocht was een vergadering te bezoeken van Jehovah’s Getuigen te Umisa, ongeveer 50 kilometer verderop langs de kust. We waren met z’n vijven: twee volle-tijdbedienaren, Jack Nelulu en William Nahilo, een oudere man, genaamd Deia, zijn vrouw Kurkur en hun aangenomen dochtertje van zes jaar. Enkele leden van de kleine gemeente van Jehovah’s Getuigen te Umisa zorgden voor Deia’s dochter van twaalf en zijn zoon van tien. Deia en Kurkur hadden dus nog een extra reden om deze tocht te ondernemen.

Tochten als deze zijn voor de kustbewoners van New Britain heel gewoon. We deden niets bijzonders door met een zogenaamde „outrigger”-kano (kano met uitstekende drijver) langs de kust te zeilen. Al onze mensen reizen op deze manier. En wat een prachtig schouwspel is het niet wanneer een stel kano’s met volledig opgestoken witte zeilen over de golven schiet! Onze wateren wemelen van de vis en andere zeedieren. Naarmate we verder voeren, was het fascinerend de verschillende levensvormen in zee gade te slaan. De capriolen van de bruinvissen die achter de kano’s aanzwommen, verschaften ons veel afleiding en vermaak.

Getroffen door een afschuwelijke wind

Laat in de middag kwamen we aan het eind van het rif waaraan we al die tijd evenwijdig hadden gevaren. Voor ons, niet ver van het hoofdeiland New Britain, konden we het kleine eiland Atui zien liggen. We besloten dat we de oversteek zouden wagen. Er woei slechts een lichte wind.

Maar plotseling — omstreeks zes uur ’s middags, toen we ongeveer halfweg dit gedeelte van de open zee waren en op nog maar anderhalve kilometer afstand van Atui — werden we overvallen door een afschuwelijke wind, die de zee met reuzenkrachten opzweepte tot een plotselinge heksenketel. We begonnen water te maken, en probeerden uit alle macht de boot leeg te hozen. Kon de mast de druk van de wind weerstaan? Zo ja, dan zouden we veilig het eiland kunnen bereiken. Hij hield het echter niet.

De wind was te sterk. Hij blies met grote kracht van de bergen. De mast bezweek onder de druk en maakte onze kano tot een speelbal van de golven. We peddelden zo hard we konden. O, wat trokken we aan onze peddels! Maar we waren niet in staat de kano koers te laten zetten naar Atui. We werden richting zee geblazen, weg van het eiland. Maar zelfs toen dachten we nog dat we wel weer heelhuids thuis zouden komen als de kano het maar zou houden en de wind weer zou gaan liggen.

Verder en verder werden we weggedreven. De zee werd ruwer. Nu was de vraag of de kano het zou houden. Elk onderdeel kwam onder steeds grotere spanning te staan. En omstreeks zeven uur gebeurde het onvermijdelijke — de kano brak. De druk van de wind en de golven was te veel geweest. Hij spleet van steven tot boeg in tweeën, en het lichtere deel werd onmiddellijk door de wind weggedreven. Snel beseften we dat het hopeloos was nog iets van onze bagage te redden, hoewel William nog altijd krampachtig zijn tas vasthield.

Zonder een moment te verliezen, sneed Jack de restanten van de kano aan stukken en wierp planken naar William, Deia en zijn vrouw, terwijl hij uit alle macht schreeuwde: „Nu moeten we zwemmen. Wie het eerst de kust bereikt, moet de broeders van de gemeente waarschuwen, dan kunnen die ons komen zoeken.”

Eén komt veilig aan land

William was toen al van de anderen gescheiden en kon niet langer in het duister worden waargenomen. Hij begon in de richting van het eiland Atui te zwemmen, in de hoop dat zijn richtinggevoel juist was. Ondertussen besloten Deia, Kurkur en Jack, die het kleine meisje op zijn rug had, dat het wellicht beter was in de richting van het rif te zwemmen, in de hoop dat ze daar zouden kunnen blijven tot er hulp kwam opdagen.

„Terwijl ik zwom, dacht ik aan Jehovah God en ik was niet bang”, vertelde William later. Hij voelde geen kramp in zijn armen en benen en dacht niet aan verdrinken. Hij zwom en zwom maar door, maar nog steeds geen land. Daarna, zo herinnert hij zich, „kwam om ongeveer negen uur de maan op. Ik kon de lichten van Fullerborn [een plantage] en het eiland waarop het lag, onderscheiden, en ik zwom erheen. Om ongeveer 11 uur bereikte ik het eiland. Maar toen was mijn lichaam zo gebeukt dat ik niets meer voelde.” William lag daar op het strand tot hij zich weer wat sterker voelde en hij weer normaal kon kijken. De zee en de wind hadden zijn ogen aangetast zodat hij niet goed kon zien.

Toen hij zijn krachten voelde terugkeren, stond hij op, pakte zijn tas waaraan hij zich de hele weg had vastgeklampt, en liep naar het dorp op het eiland. Slechts een paar mensen bleken in hun huis te zijn. (De overigen waren uit angst voor de harde wind naar een groter dorp op het nabijgelegen New Britain gepeddeld). De mensen haalden William binnen en gaven hem droge kleren en beschuit. Daarna sliep hij. Bij het aanbreken van de dag namen ze hem mee naar het grotere dorp op New Britain. Daar bemachtigde hij een kano en peddelde naar Umisa, waar hij zijn vrienden vertelde wat er was gebeurd, hoe de wind de kano had vernield en dat Jack, het echtpaar en het jonge meisje nog niet de kust hadden bereikt. Hij vreesde dat ze verdronken waren.

Allen waren hier erg bedroefd over. William vertelde dat Jack geen plank had zoals de rest van hen, en dat hij ook nog het kleine meisje op zijn rug had gehad. Zij kwamen tot de conclusie dat hij verdronken moest zijn, omdat hij niets had gehad om hem drijvende te houden. Zij dachten dat ook het echtpaar dood moest zijn. Allen waren erg in de war. Maar zij troostten elkaar met de gedachte dat wanneer deze geloofsgenoten van hen inderdaad verdronken waren, Jehovah God hen zou herdenken en uit de doden zou opwekken. — Joh. 6:40.

De tweede overlevende komt aan

De hele donderdag zochten enkelen van de Getuigen die daar voor de vergadering waren, in beide richtingen het strand af, op zoek naar aangespoelde lichamen. Anderen bleven napraten over hetgeen er gebeurd was. Toen kwam om ongeveer half acht ’s avonds Jack aan! Hij kon snikken horen toen hij een van de huizen naderde. „Huil niet — hier ben ik”, zei hij, waarna hij ineenzakte en in slaap viel. Menend dat hij voedsel nodig had, maakten ze wat papaya fijn en propten dat in zijn mond. Vrijdags, bij het aanbreken van de dageraad, ging William met nog iemand naar een plantage in de buurt, waar een radio-zend-en-ontvanginstallatie was, ten einde schepen op te roepen om naar de lichamen van de andere drie uit te zien. De zee was echter nog te ruw en de kapiteins durfden zich niet buitengaats te wagen.

Jack vertelt zijn nachtmerrie

Later werd Jack wakker en vertelde wat hem allemaal overkomen was. Na William uit het gezicht te hebben verloren, riepen hij, Deia en diens vrouw elkaar voortdurend toe. Zij dachten dat de kano ergens in de buurt van het rif was gebroken en daarom trachtten zij dat te bereiken. Deia en zijn vrouw hadden beiden de beschikking over planken van de kano. Wat Jack betreft, hij herinnert zich: „Ik had niets om me drijvende te houden. Ik zwom slechts, met het meisje om mijn nek geklemd.”

De golven waren als bergen zo hoog en sloegen met geweld op hen in. Op en neer dansten zij in het schuimende water. De wind verhoogde nog de nachtmerrie door het schuimende zoute water met grote kracht in hun gezicht te striemen. En wanneer de golven plotseling oprezen, waren ze af en toe wel gedwongen zeewater te happen.

Spoedig was Jack van Deia en diens vrouw gescheiden. Omdat het donker werd, konden ze elkaar niet zien. „Ik riep hun namen zo hard ik kon”, zo vertelde hij, „maar ze antwoordden niet.” Toen besefte hij dat hij op deze manier nooit het rif zou bereiken. Daarom keerden hij zich om, met het kind nog om zijn schouders geklemd, ten einde te proberen al zwemmend het eiland te bereiken dat ze eerder die dag hadden gezien. Hij zwom maar voort. Tegen tien uur ’s avonds werden de golven zo hevig dat ze over hem heensloegen. Na, zoals hij zelf denkt, ongeveer dertig minuten te zijn doorgezwommen, wilde hij voelen hoe het met het kleine meisje ging, maar ze was verdwenen! Een van de grote golven moest haar hebben weggespoeld, en omdat zijn rug helemaal beurs was van het geweld van het water, had hij dat niet gevoeld.

Jack vervolgde: „Toen ik me realiseerde dat ze niet langer op mijn rug was, probeerde ik haar te zoeken.” Ongeveer 30 minuten lang zocht hij, zonder haar echter te vinden. Zo zwom hij heen en weer, zonder te weten welke kant hij opging. Hij bleef eenvoudig zwemmen tot de zon weer aan de hemel verscheen. Het eiland Atui was in de buurt. En het was ongeveer acht uur toen hij het strand op strompelde en van uitputting in elkaar zakte. Zonder dat William dit wist, gebeurde dit aan de andere zijde van het eiland.

Jack was zo’n 13 uur in het water geweest, voor het grootste deel van de tijd met het meisje op zijn rug. Werkelijk een marathon-verrichting! Hoe dankbaar was hij nog in leven te zijn! Zijn roerloze lichaam lag die hele morgen op het strand. Van tijd tot tijd spuwde hij wat zeewater uit, en tegen de middag voelde hij zich bijzonder zwak. Alles waartoe hij in staat was, was daar te liggen. Daarna viel hij tot ongeveer zes uur ’s avonds in slaap.

Na te zijn opgestaan, liep hij een stuk het strand af en vond een kleine kano. Normaal gesproken is het op Atui erg fijn wandelen. Het is een heel klein eilandje — maar 275 meter lang en ongeveer de helft daarvan breed — bijzonder liefelijk en geheel omgeven door een wit zandstrand, waarlangs kokospalmen en andere bomen groeien. Maar de cycloonharde winden hadden het letterlijk plat geslagen. Volgens sommigen was het de ergste storm die ze ooit hadden meegemaakt.

Na het vinden van de kano, peddelde Jack langzaam naar de plaats waar zijn vrienden waren, een afstand van ongeveer 3,5 kilometer. Geen wonder dat hij bij aankomst opnieuw in elkaar zakte!

Alles is niet verloren

Jack en William zijn van hun ontberingen hersteld. Een rechtbank heeft zich verdiept in de toedracht van de zaak en de rechter deed de uitspraak dat het een ongeluk was. Maar onder de familieleden van de verongelukte personen waren de gemoederen erg verhit. Op dit eiland geldt net als in andere delen van Papoea-Nieuw-Guinea de gewoonte die bekendstaat als het „vergeldingsrecht”. Enkelen hebben deze twee zendelingen met de dood bedreigd, hoewel het buiten hun vermogen heeft gelegen de andere drie te redden.

Dit betekent dat het op dit moment voor niemand veilig is om in het gebied van Gasmata, waar Deia vandaan kwam, het goede nieuws van het Koninkrijk te prediken, vooral niet in zijn dorp, Lukuklukuk. Droevig genoeg hebben personen van andere geloofsovertuigingen getracht dit incident te gebruiken om het werk van Jehovah’s Getuigen een halt toe te roepen. Maar Jack en William zijn er zeker van dat degenen die belangstelling voor de bijbel hebben, nog steeds de waarheid willen horen. De hoop bestaat dat zich te zijner tijd weer een gelegenheid zal voordoen deze dorpen te bezoeken.

Jehovah’s Getuigen zijn zich bewust van de waarheid van de bijbelse woorden met betrekking tot de mensheid: „Tijd en onvoorziene gebeurtenissen treffen hen allen” (Pred. 9:11). Het ongeluk had iedereen kunnen overkomen die zich op dat moment op zee had bevonden.

William wijst er wat dit betreft op dat degenen die zich in de kano bevonden, wisten dat soortgelijke dingen ook de apostelen waren overkomen. Paulus leed viermaal schipbreuk. En op een keer bracht hij een hele nacht en een dag op de diepte der zee door (Hand. 27:39-44; 2 Kor. 11:25). Toen ze zich in de storm bevonden, dachten ze dan ook allemaal aan de apostelen en dat sterkte hen. Jack en William danken God voor het feit dat zij in leven zijn gebleven. Toch zijn ze erg bedroefd over hetgeen er met Deia en Kurkur en het kleine meisje is gebeurd.

Als u een familielid bent van Deia, iemand uit zijn streek, of misschien iemand die enkel geïnteresseerd is in dit verslag, dan rest u nog de verzekering dat niet alles verloren is. De dood van de drie was zeker een slag. Geen mens kan de doden terugbrengen, zoals wel bleek in het geval van koning Davids zoon (2 Sam. 12:23). Maar zoals Jack opmerkte: „Wij weten dat Jehovah God de doden zal opwekken” (Hand. 24:15). Hij weet dat ze slechts in de dood slapen en dat God hen zal gedenken en uit de doodsslaap zal doen ontwaken. — Joh. 11:11-13.

Mogen alle familieleden van deze dierbaren, Deia, Kurkur en dochter, te zamen met alle anderen die soortgelijke ervaringen hebben beleefd, troost putten uit de woorden van de apostel Johannes in Openbaring 20:13, waar hij beschrijft wat hij in zijn visioen van de opstanding zag plaatsvinden: „En de zee gaf de doden in haar op, en de dood en Hades gaven de doden in hen op.” Bedenk wat dat betekent! Hun dood op zee biedt voor de Almachtige God geen enkel probleem. In plaats van ons in tijden van zulk verlies wanhopig te voelen, vervult de belofte van de Schrift ons met de betrouwbare verwachting dat de vereniging met geliefde personen ook ons ten deel kan vallen als wij geloof oefenen in Gods voorziening tot redding. Op die vereniging wachten ook Jack en William wanneer zij denken aan hun geliefde vrienden die zij bij deze tragedie op zee verloren hebben.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen