Wanneer eerlijkheid een levenswijze is
WAT zou u doen als u op straat een zak vond met een bedrag van ƒ 65.000 in kleine coupures? Dit overkwam onlangs een vrachtwagenchauffeur in Brooklyn (New York). De zak was bij een onbeduidend ongeluk onopgemerkt uit een gepantserde geldauto gevallen.
Omdat deze vrachtwagenchauffeur de geldsom aan de politie overhandigde, kreeg hij heel wat geplaag te verduren van zijn collega’s die hem voorhielden wat zij met het geld zouden hebben kunnen doen en beslist gedaan zouden hebben, als zij het hadden gevonden. Rechercheurs die in verband met het incident een onderzoek instelden, verklaarden dat de eerlijkheid van de vrachtwagenchauffeur „voor deze stad verbazend” was. Een van hen zei verder: „Ik ben nu achttien jaar bij de politie en ik heb nog nooit iets dergelijks meegemaakt. En ik denk niet dat ik het ooit weer zal meemaken als ik nog eens achttien jaar bij de politie ben.” Ja, want is het niet zo dat er nauwelijks een dag voorbijgaat zonder meldingen van wijdverbreide oneerlijkheid, bedrog of corruptie door allerlei soorten van mensen?
Grote internationale omkopingsschandalen schokten vorig jaar Italië, Japan, België en de Verenigde Staten en nog andere landen. Voormalige premiers, ministers en zelfs een Europese prins werden beschuldigd van corruptie op grote schaal. Honderden cadetten van een vooraanstaande Amerikaanse militaire academie werden betrapt op bedrog bij examens en niet meer tot de opleiding toegelaten.
Rijkdom en maatschappelijke positie schijnen weinig met een dergelijke oneerlijkheid te maken te hebben. Tegen verscheidene vooraanstaande personen uit de amusementswereld werd een rechtsvervolging ingesteld omdat zij zogenaamde „blauwe doosjes” hadden gebruikt, elektronische apparaatjes om langdurige interlokale telefoongesprekken te kunnen voeren zonder te betalen. De directeur van een grote firma op het gebied van elektronica trad af na te hebben toegegeven dat hij vijf jaar lang terugbetaalde inkomstenbelasting niet in de boeken had opgenomen, en een rijke vrouw uit de hogere kringen gaf de beschuldigingen toe dat zij een factuurprijs drastisch had verlaagd om minder invoerrechten op haar kleding uit Parijs te hoeven betalen.
Het wordt velen steeds duidelijker dat bij nagenoeg iedereen opgaat dat ’de gelegenheid de dief maakt’. Toen bijvoorbeeld winkelbedienden van een Parijse supermarkt onlangs een wilde staking begonnen, verdwenen de meer dan duizend klanten met meer dan ƒ 75.000 aan koopwaar, voordat men hen kon tegenhouden. De Amerikaanse vereniging van bibliotheken schat dat jaarlijks door allerlei soorten van mensen voor ongeveer ƒ 625 miljoen aan boeken wordt gestolen, maar de ergste boosdoeners zijn wel, naar zij zeggen, „degenen die voor arts en voor rechtsgeleerde studeren” — juist degenen van wie verwacht mag worden dat zij voorbeelden van onkreukbaarheid zijn.
Bij veel arbeiders, zo schrijft de New York Times in een verslag, „schijnt het een levenswijze te zijn geworden om werkloosheidsbijstand in ontvangst te nemen en te vermijden ergens in dienst genomen te worden”. Zoals één veelgelezen commentator het stelde: „Iedereen, zo schijnt het, zorgt ervoor dat hij haalt wat er te halen valt.”
„Een verziekte instelling van de geest”
Maar hoe staat het met religie? Dragen de kerken ertoe bij dat oneerlijkheid onder hun lidmaten wordt beteugeld? Dat is nauwelijks zo, schrijft George Plagenz, godsdienstredacteur van de Cleveland Press. „Geknoei en ander twijfelachtig gedrag . . . wordt in de gemiddelde gemeenschap zelfs aangetroffen bij de kerkbezoekers die in aanzien zijn.” Plagenz maakt ook de verhelderende opmerking: „Het is niet zo dat zij bedrog niet als een zonde beschouwen. Maar zij beschouwen wat zij doen, niet als bedrog.”
Velen die een of andere vorm van oneerlijkheid beoefenen, vinden niet dat hetgeen zij doen, werkelijk verkeerd is. Een directeur van een vliegtuigfabriek die werd veroordeeld wegens het aannemen van steekpenningen, zei: „Het ligt in de aard van de functie besloten . . . het ging vanzelf.” Degenen die bij hun verzekering opgeschroefde schade-claims indienen, redeneren vaak: „Verzekeringsmaatschappijen verwachten dit soort dingen. Ze hebben het al doorberekend in de premies. Je bent een dwaas als je geen hoge claim indient.” Maar wie betaalt ten slotte?
Sommige studenten vinden dat eerlijk zijn hen op een onbillijke wijze in het nadeel plaatst bij alle anderen die wel spieken. Andere personen geloven dat het bedriegen van werkgever of regering gewoon neerkomt op het rechtzetten van wat niet deugt. De grote instellingen van de zakenwereld en de regering bedriegen de gewone man, zo redeneren zij; dus waarom dan niet met gelijke munt terugbetalen? „In elk geval”, zo denken velen, „zijn ze zo groot dat ze het verlies toch nooit voelen.” Maar alweer, wie betaalt er ten slotte? Is niet iedereen de dupe van de hogere prijzen die van een dergelijke oneerlijkheid het gevolg zijn?
Een verbolgen verklaring van een arts die werd veroordeeld omdat hij zich op frauduleuze wijze geweldige geldsommen uit het Amerikaanse bijstandsprogramma voor medische hulp had weten toe te eigenen, werpt licht op de manier waarop sommigen hun oneerlijke praktijken bezien. Hij vertelde een subcommissie van de Amerikaanse Senaat dat hij „voordeel had getrokken van een waardeloos stelsel, dat gewoon een oogje toedoet”. Zijn advocaat voegde eraan toe dat „hun zaak een aanklacht inhield tegen een stelsel dat zo slecht is dat het feitelijk vraagt om dergelijke handelingen”.
Maar waarom zou een stelsel iedereen in het oog moeten houden? Lijkt zo’n klacht, dat het stelsel „vraagt” om oneerlijkheid, niet een beetje op een jeugdige bandiet die klaagt dat de bejaarde mensen die hij berooft, erom vragen dat hij misdaden begaat omdat zij zulke gemakkelijke slachtoffers vormen? Nee, het probleem is niet gelegen in de slechte controle van het stelsel. „Ergens is een dieper liggende en verontrustender verklaring”, aldus een bekend nieuwscommentator. „Die is gelegen in een verziekte instelling van de geest, en alleen God weet hoe wij die moeten behandelen.” — Atlanta Constitution, 2 sept. 1976.
Het genezen van oneerlijkheid
En God weet inderdaad hoe deze algemeen heersende „verziekte instelling van de geest” behandeld moet worden. Hij is hier bij miljoenen mensen mee bezig. Neem bijvoorbeeld die bestuurder van de bestelwagen in Brooklyn, die de geldzak met ƒ 65.000 vond en naar de politie bracht. Wat zette hem ertoe aan om dit te doen? In het verslag in de Long Island Press stonden de volgende woorden van hem aangehaald: „Als een van Jehovah’s Getuigen tracht ik de bijbelse leer in mijn persoonlijke leven hoog te houden en daarvoor wijzen wij op Hebreeën 13:18.” De bijbel zegt daar ten aanzien van christenen: „Wij vertrouwen dat wij een eerlijk geweten hebben, daar wij ons in alle dingen eerlijk wensen te gedragen.”
Ja, de motiverende kracht van bijbelse beginselen kan de overwinning behalen op de „verziekte instelling van de geest”, die in de vorm van oneerlijkheid bij zo velen heerst. Mensen van alle natiën en achtergronden die deze beginselen werkelijk tot hun levenswijze maken, staan bekend om hun eerlijkheid. De grootste krant in Zambia, de Times, vermeldde bijvoorbeeld onder de kop „Wachttorenmensen zijn eerlijk” dat het „bestuur van de Zambiaanse Jaarbeurs leden van [Jehovah’s Getuigen] in dienst neemt om achter de loketten te staan — vanwege hun eerlijkheid”.
Een functionaris legde uit dat in het verleden tekorten van wel 500 „kwacha” (ruim ƒ 2000) waren opgetreden, terwijl met de Getuigen het tekort „het verbazingwekkende bedrag van slechts 40n [ongeveer ƒ 1,60]” bedroeg. „Het valt te begrijpen waarom het bestuur de voorkeur geeft aan Wachttorenmensen”, merkte de functionaris op. „Zij zijn zo eerlijk dat het bestuur de afgelopen drie jaar geen problemen heeft gehad met de recettes.” — 4 juli 1974.
Deze mensen zijn niet eenvoudig van nature eerlijk geboren. Velen waren vroeger juist het tegenovergestelde. Maar deze mensen veranderen hun leven om zich aan te passen aan de maatstaven van eerlijkheid die spoedig over de gehele aarde zullen heersen wanneer God zijn beloofde rechtvaardige samenstel van dingen heeft gebracht. De persoonlijkheid van de mensen die dan zullen leven, zal zo anders zijn dat de bijbel dat stelsel omschrijft als bestaande uit „nieuwe hemelen en een nieuwe aarde”, waarin ’rechtvaardigheid zal wonen’. Waarom zou u niet voor uzelf onderzoeken hoe deze groep mensen heeft geleerd eerlijkheid tot hun levenswijze te maken? — 2 Petr. 3:13.