Hoe lang zou u graag willen leven?
WANNEER alles goed gaat, is het leven erg aangenaam. De gedachte aan een lang leven, en misschien zelfs eeuwig leven, zal u dan wellicht erg aanlokkelijk toelijken. Maar ook wanneer er moeilijkheden verschijnen op uw levenspad, en er zich wellicht tragische gebeurtenissen voordoen, dan nog bent u er niet verlangend naar om te sterven.
Het is een bekend feit dat de meeste mensen bereid zijn alles te geven voor het behoud van hun leven. In 1974 betaalden kankerpatiënten in de Verenigde Staten gezamenlijk een bedrag van 17,5 miljard gulden om te pogen hun dodelijke ziekte een halt toe te roepen en in leven te blijven.
De New York Times van 22 juli 1974 berichtte over een dokter, zelf een kankerpatiënt, die elk mogelijke middel te baat had genomen om zijn ziekte te bestrijden maar toch op de leeftijd van negenendertig jaar was gestorven, het volgende:
„Er zijn tal van andere stervende patiënten die net als Dr. Leinbach tot het laatste toe blijven strijden. . . . Hun wil om te leven is een fundamenteel menselijk instinct . . . zijn weduwe vertelde hoe hij elke extra dag die hij aan zijn leven wist toe te voegen van grote waarde achtte. ’Wat Gary het liefste wilde’, zo zei ze, ’was leven.’ . . . Vlak vóór zijn dood had ze hem gevraagd of hij al zijn inspanningen om in leven te blijven uiteindelijk wel de moeite waard had gevonden. Ze vertelde dat hij duidelijk had geantwoord: ’Ja.’”
Een docent in de filosofie vertolkte eens de gevoelens van velen toen hij zei: „Het is schandelijk dat zulk een prachtig verschijnsel als intelligent en bewust leven wordt gedragen in zulke vergankelijke, kwetsbare lichamen.”
Het vermogen om hoe lang te leven?
Men zal er wellicht mee instemmen dat de mens eigenlijk veel langer zou moeten leven, ja, zelfs voor eeuwig, maar is dat wetenschappelijk mogelijk? De Encyclopædia Britannica (uitgave 1959, Deel 7, blz. 112A) schreef daarover onder het kopje „In aanleg onsterfelijk”, het volgende:
„Er kan vrijuit worden verklaard dat de potentiële onsterfelijkheid van alle belangrijke cellulaire onderdelen van het menselijk lichaam volledig is aangetoond of dat er in elk geval voldoende aanwijzingen zijn om met grote waarschijnlijkheid te stellen dat bij juist uitgevoerde experimenten deze cellen een onbepaalde levensduur zullen blijken te bezitten.”
Natuurlijk is dit het resultaat van experimenten met cellen in het laboratorium. Over de dood van het menselijk lichaam (dat wil zeggen, geen gewelddadige dood, maar de dood door ouderdom of degeneratie) is volgens deze encyclopedie niets met zekerheid te zeggen. Het kan zijn dat de cellen in het lichaam vervallen. Het is ook mogelijk dat de georganiseerde functies van de cellen en hun vermogen om binnen het totale organisme met elkaar „samen te werken”, achteruit gaat, dat er dus geen sprake is van een sterven van afzonderlijke cellen. Cellen die sterven, worden trouwens volgens het natuurlijke proces door nieuwe cellen vervangen. De enige uitzondering hierop vormen de zenuwcellen die, wanneer ze vernietigd zijn, niet vervangen kunnen worden. Bij beschadiging kunnen ze zich echter wel herstellen, zelfs een doorgesneden zenuw kan zich, mits op de juiste wijze gehecht, herstellen, hoewel hier tamelijk veel tijd overheen gaat.
G. K. Frykman, assistent-hoogleraar in de orthopedische chirurgie aan de Medische Hogeschool te Loma Linda in Californië, waar elke maand gemiddeld één à twee hechtingen van afgesneden vingers worden uitgevoerd, vertelde: „Wanneer een patiënt meer dan één vinger of een duim heeft verloren, wil hij die graag weer gehecht zien, vanwege zijn werk of enkel misschien uit schoonheidsoverwegingen.”
„Onder die omstandigheden”, zo vertelde Frykman, „vertellen we de patiënt dat er een kans van 50 percent bestaat dat we met succes de verloren vingers of de duim aan de hand kunnen terugplaatsen, maar we waarschuwen hem dan wel dat het verscheidene maanden kan duren voor hij ze weer enigszins doeltreffend zal kunnen gebruiken. Zenuwweefsel bezit dus wel degelijk een zelfherstellend of zelfgenezend vermogen.
Welke hoop biedt de wetenschap?
Medische onderzoekers hebben reeds lang en intensief gezocht naar methoden om het verouderingsproces te vertragen en de levensduur van de mens te verlengen. Hebben zij ons enige hoop te bieden? Dat ze nuttige dingen hebben ontdekt, is zeker, maar niets wat enige basis biedt om te veronderstellen dat de menselijke levensduur in de toekomst opzienbarend zal toenemen. De toename van de gemiddelde levensverwachting in de afgelopen vijftig jaar is voornamelijk toe te schrijven aan een daling in de zuigelingen- en kindersterfte. Farmaceut L. Stambovsky betreurde in een tijdschriftenartikel in Bestways dat de mens op eenentwintigjarige leeftijd volwassen wordt en dan nog maar veertig of vijftig jaar als volwassene te leven heeft. Hij vestigde de aandacht op het volgende interessante feit:
„Het schijnt dat elk zoogdier dat leeft volgens de wijze zoals het voor zijn soort bedoeld is, zes- à zevenmaal langer leeft als de periode van zijn volwassenwording in beslag heeft genomen. Het paard is in drie jaar volgroeid en sterft tussen de 18 en 21 jaar, de hond is in ongeveer drie jaar volgroeid en bereikt dezelfde levensduur als het paard. Deze formule is tevens van toepassing op de aap, de kat, de beer, enz. De leeftijd waarop de mens volgroeid is, is 21 jaar. Volgens een overeenkomstige redenering zou hij tussen de 120 en 140 jaar oud moeten worden.”
Welke vooruitzichten bieden de natuurwetenschappen en de medische wetenschap? Het wetenschappelijke tijdschrift Scientific American vatte de kwestie als volgt samen:
„Zelfs wanneer de hoofdoorzaken van de dood op oudere leeftijd — hartziekten, beroerten en kanker — uitgebannen zouden kunnen worden, zou de gemiddelde levensduur van de mens met niet veel meer dan 10 jaar worden verlengd. De levensverwachting zou dan 80 jaar bedragen in plaats van de 70 jaar die nu in de ontwikkelde landen geldt.”
Deze verklaringen zijn in overeenstemming met de woorden van de bijbelschrijver Mozes, die de ervaring van de meeste mensen op leeftijd als volgt beschreef: „De dagen van onze jaren zijn op zichzelf genomen zeventig jaren, en indien wegens bijzondere kracht, tachtig jaren; toch is dat waarop ze aandringen moeite en schadelijke dingen, want het moet snel voorbijgaan, en wij vliegen heen.” — Ps. 90:10.
Geen reden om onverschillig te zijn
Betekenen deze nuchter-stemmende feiten dat een jong persoon niet voor zijn leven zorg hoeft te dragen, ten einde zo lang mogelijk te leven, of dat een bejaarde het idee maar uit zijn hoofd moet zetten dat hij nog enig nuttig werk zou kunnen verrichten of iets tot het welzijn van zijn medemensen zou kunnen bijdragen? In het geheel niet. Wij kunnen moed putten uit een verklaring van dezelfde farmaceut Stambovsky, die opmerkte:
„Een lange levensduur . . . kan voor de gemeenschap, voor het land en voor de wereld van onschatbare waarde zijn, aangezien mensen met een lange levensduur rijk zijn aan waardevolle ervaring, die zij in de loop der jaren met vallen en opstaan, met successen en mislukkingen, hebben verworven. Neem Edison, wiens vruchtbare brein nog tot ver in de tachtig actief was; Gladstone werd op zestigjarige leeftijd tot eerste minister van Engeland gekozen — vele jaren geleden, toen zestig nog werkelijk oud was — en die positie behield hij tot z’n 82e jaar. W. Damrosch begon op 78-jarige leeftijd aan een carrière als concertpianist.”
Er zijn derhalve redenen te over om te trachten ons leven zo goed mogelijk te besteden. Hoe kunnen we het plezieriger en nuttiger maken? En bestaat er bovendien een nog betere hoop — een hoop op eeuwig leven? Laten we deze vragen eens aan een nader onderzoek onderwerpen.
[Illustraties op blz. 4]
EEN PAARD IS IN 3 JAAR VOLGROEID. ZIJN TOTALE LEVENSDUUR IS ZESMAAL ZO LANG.
EEN HOND IS IN 3 JAAR VOLGROEID. ZIJN TOTALE LEVENSDUUR IS ZESMAAL ZO LANG.
EEN MENS IS IN 21 JAAR VOLGROEID, MAAR ZIJN TOTALE LEVENSDUUR IS SLECHTS 3 1/2 MAAL ZO LANG.