Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g76 22/11 blz. 7-12
  • Wereldomvattend protest tegen de wreedheden

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Wereldomvattend protest tegen de wreedheden
  • Ontwaakt! 1976
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Resultaat van onderzoek
  • Meer protesten
  • Verzoeken
  • Mogelijke oplossingen
  • Brief van het bijkantoor
    Onze Koninkrijksdienst 1976
  • Maken zij zich schuldig aan ’het belemmeren van de ontwikkeling van Malawi’?
    Ontwaakt! 1973
  • Wat gebeurt er met christenen in Malawi?
    Ontwaakt! 1973
  • Malawi — Wat is er thans aan de hand?
    Ontwaakt! 1976
Meer weergeven
Ontwaakt! 1976
g76 22/11 blz. 7-12

Wereldomvattend protest tegen de wreedheden

LETTERLIJK duizenden brieven zijn de afgelopen maanden door Jehovah’s Getuigen naar de functionarissen in Malawi, onder wie president Banda zelf, geschreven, om te vragen of er iets gedaan kon worden aan het lijden van hun christelijke broeders en zusters. Maar naarmate de wreedheden meer bekend raakten en door meer onafhankelijke bronnen werden bevestigd, zijn er behalve van de zijde van Jehovah’s Getuigen van nog vele kanten meer protesten bij de functionarissen van Malawi binnengekomen.

De Amerikaanse senator Frank Church heeft zich zelfs in de Amerikaanse Senaat tegen de vervolging uitgesproken en verklaarde daarbij: „Ik vraag unaniem toestemming dat een artikel uit de Wall Street Journal en een in Zambia geschreven artikel van Dial Torgerson in de Los Angeles Times, waarin staat vermeld wat er met de Getuigen gebeurt, in het [Congres]-VERSLAG wordt opgenomen.” Daar was geen bezwaar tegen en zo kwamen deze artikelen op 21 januari 1976 op bladzijde S224 in het Congresverslag te staan.

Daarna hield G. E. Brown, Jr., van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden, in het Congres een rede, die op 28 januari 1976 op bladzijde E262 in het Congresverslag stond afgedrukt: „Malawi, een land met een één-partijregering, heeft een wet die verklaart dat elke burger een partijkaart dient te bezitten. De Getuigen weigeren zo’n kaart te dragen en zijn daardoor aan vervolging bloot komen te staan.”

Vervolgens sprak Brown: „Ik dring er bij mijn collega’s op aan de volgende artikelen hierover, die ik graag in het CONGRESVERSLAG opgenomen zou zien, te lezen en te overwegen zich actiever voor een wijziging van een dergelijke situatie in te zetten, door rechtstreekse communicatie met de functionarissen van Malawi en door de prioriteiten van onze buitenlandse politiek te wijzigen. Onze politiek dient een weerspiegeling te zijn van onze afschuw en niet van onze apathie.”

En het is ook inderdaad niet bij de opname van deze artikelen in het Congresverslag gebleven. Tal van Amerikaanse regeringsfunctionarissen hebben rechtstreeks naar president Banda geschreven. Een van die brieven vindt u hierbij afgedrukt. Harkin, een lid van het Congres, geeft daarin uiting aan zijn „verontwaardiging en woede” over de handelwijze van de Malawiaanse regering ten aanzien van Jehovah’s Getuigen, wat volgens hem grenst „aan genocide [’volkeren’- of ’rassenmoord’]”. Verder spreekt hij over zijn bekendheid met de organisatie van Jehovah’s Getuigen en dat zij „onder geen enkele omstandigheid als een bedreiging kunnen worden beschouwd voor welke bestaande politieke orde maar ook”, waarna hij op president Banda een beroep doet om aan deze „constante overtreding van de internationaal erkende rechten van de mens” een eind te maken.

Ook in andere parlementen is over de vervolging van Jehovah’s Getuigen gesproken. Op 17 februari 1976 ontving het bijkantoor van Jehovah’s Getuigen in Denemarken een telefonische boodschap van B. Honoré, met de mededeling dat hij graag zou zien dat de vervolgde Getuigen in Malawi ervan in kennis zouden worden gesteld dat het Deense parlement hun lot had besproken, „opdat zij zullen weten dat ze niet worden vergeten, en dit een aanmoediging voor hen mag zijn”.

In maart 1976 vormden de gruweldaden tegen de Getuigen in Malawi ook een punt van bespreking in de Duitse Bondsdag. In antwoord op een vraag verklaarde minister Wischnewski onder andere: „De Bondsregering heeft in de berichten over de vervolging van Jehovah’s Getuigen in Malawi aanleiding gezien onze ambassadeur opdracht te geven de Duitse opinie aan de regering van Malawi over te brengen.”

Resultaat van onderzoek

Zoals reeds in het voorgaande artikel werd opgemerkt, meldde het hoofd van de persdienst van de Wereldraad van Kerken (WCC) dat die organisatie een eigen onderzoek naar de gruweldaden tegen Jehovah’s Getuigen had ingesteld. Dit had tot resultaat dat Dr. Ph. A. Potter, het hoofd van de WCC, de hieronder afgedrukte brief aan president Banda schreef.

Daarna vaardigde de Wereldraad in juni 1976 een perscommuniqué uit, waarin werd vermeld dat Dr. Potter „op Dr. H. Kamuzu Banda, president van Malawi, een beroep had gedaan om leden van de sekte die nu in kampen gevangen zitten of zijn gearresteerd en in de gevangenis zijn opgesloten, vrij te laten. Dr. Potter drong er op aan dat zij naar hun dorpen zouden worden teruggezonden ten einde weer een normaal leven te kunnen leiden”.

In aanvulling op dit persverslag werd nog vermeld dat Dr. Potter „om een herziening van de houding en politiek van de regering en Congrespartij van Malawi ten aanzien van Jehovah’s Getuigen had verzocht en tot gesprekken met hun leiders had aangemoedigd ten einde te onderzoeken hoe er het beste tot een blijvende oplossing voor het probleem kan worden gekomen”.

Meer protesten

Ook in allerlei andere vormen zijn er protesten gerezen. In The Examiner van 6 april 1976 stond bijvoorbeeld een artikel naar aanleiding van het feit dat de stad van de krant (Independence, in de Amerikaanse staat Missouri) de zusterstad is van Blantyre in Malawi.

„Er is geld bijeenverzameld en naar Blantyre gezonden”, zo stond erin. „Dr. Banda heeft in 1968 zelfs een bezoek aan Independence gebracht en iedereen tijdens een lunch op Stephenson’s Apple Farm met de punt van een leeuwestaart gezegend. Ja, of we het nu leuk vinden of niet, we onderhouden innige betrekkingen met de beruchte dokter en zijn stad Blantyre.”

De schrijver Keith Wilson protesteerde vervolgens: „Mijn suggestie is dat het stadsbestuur met alle spoed de betrekkingen verbreekt of anders het filosofische spoor van Dr. Banda volgt en regelingen treft voor een passende ceremonie ter viering van de geboortedag van Adolf Hitler op 20 april.”

Ook veel mensen die president Banda persoonlijk hebben gekend, zijn door de gebeurtenissen in Malawi niet onberoerd gebleven. Enkelen van hen herinneren zich Dr. Banda nog uit zijn studententijd in de Verenigde Staten en Engeland, waar hij diverse universiteiten bezocht en een medische opleiding ontving.

Een van zijn docenten aan de Wilberforce Academy, Flora Isabel Askew, riep uit, toen zij over de behandeling van de Getuigen door Banda hoorde: „Hoe is het in vredesnaam mogelijk, hoe kan hij zich tot zo iets hebben verlaagd?” Zij herinnerde zich nog Banda in de jaren ’60 weer te hebben ontmoet en dat toen „zijn hele hoop erop was gericht zijn volk te mogen bevrijden”.

Verzoeken

Allerlei roerende brieven zijn er aan president Banda gericht met het verzoek verlichting te schenken aan de onrechtvaardig lijdende burgers in zijn land. In februari dit jaar ontving hij bijvoorbeeld een brief van een voormalige medestudent van hem in Engeland, Lord MacLeod van Fuinary. Deze vroeg om verschoning wanneer hij hem ten onrechte met doctor aansprak, maar dat dat de manier was „waarop wij gewend waren u jaren geleden in het Gemeenschapshuis aan de Clyde Street in Glasgow aan te spreken”.

Lord MacLeod is geen Getuige van Jehovah, toch vervolgde hij zijn schrijven met de opmerking dat „recente persberichten over Jehovah’s Getuigen in Malawi” hem tot schrijven hadden genoopt. Over de Getuigen merkte hij daarna op: „Zij staan over de hele wereld goed bekend als vredelievende en ijverige mensen. . . . Antwoord mij daarom persoonlijk. Wanneer ik slechts een officieel antwoord van een van uw ondergeschikten ontvang, kan ik slechts aannemen dat u met betrekking tot dit onderwerp niet te benaderen bent, en zal ik daaruit mijn eigen conclusies moeten trekken.”

Helemaal roerend was het beroep dat Dr. Walter King op 26 mei 1976 in een brief op president Banda deed:

„Vergun mij me eerst aan u bekend te maken voordat ik de vrijheid neem u over een aangelegenheid te schrijven die me na aan het hart ligt. In 1968 was ik als chirurg en hoofd van de medische raad verbonden aan het Piedmont-ziekenhuis in Noord-Carolina (V.S.), toen dat medische instituut zijn deuren sloot.

Door middel van bepaalde kerkorganisaties [met inbegrip van die van Jehovah’s Getuigen] vernamen wij dat onder andere uw voortreffelijke ontwikkelingsland in nog maar betrekkelijk beperkte mate over medische apparatuur beschikte, zodat ons materiaal . . . daar nuttig gebruikt zou kunnen worden ten dienste van de mensheid, zoals ze dat doel ook in ons kleine ziekenhuis had gediend. . . . Onmiddellijk besloten wij daarom onze kleine, maar welgemeende gift per boot te versturen, ten einde aan de medische behoeften van Malawi tegemoet te komen. . . .

U en ik zijn wetenschapsmensen van beroep en het is voor ons moeilijk te begrijpen hoe iemand zo’n diep geloof in wat voor religie maar ook kan hebben dat hij liever zou sterven dan een bloedtransfusie nemen, maar ik verzeker u op grond van de ervaringen in dit land dat deze mensen inderdaad zo toegewijd zijn aan hun geloof (en dit weigeren van bloed is net als hun afgescheiden houding ten aanzien van oorlog en politiek een van hun geloofspunten) dat zij liever hun leven zouden afleggen dan met hun principes te breken. Zij zullen geen bloed accepteren, zelfs niet bij de meest ernstige operatie. En misschien bent u nu net als ik van mening dat wanneer we deze soort van toewijding in de banen van nationale trots en burgerschap zouden leiden, de beloning ruimschoots zou op wegen tegen de vrijheid die we hun met betrekking tot hun sterk uitgesproken geloofsovertuiging (want dat is het zonder meer) zouden gunnen. Daarom leek het mij toe, toen ik mijzelf in uw plaats als president van Malawi stelde, dat het een blijk van politieke genialiteit zou zijn de verenigde steun van Jehovah’s Getuigen te winnen door hen te laten bewijzen dat ze inderdaad de goede burgers zijn waar elk land trots op zou zijn. En dat zal zeker lukken wanneer u bij hen de verwachting wekt dat zij in hun religieuze overtuiging met verdraagzaamheid zullen worden bejegend.

Misschien dat ik wel in het bijzonder de aangewezen persoon ben om u dit verzoek te doen, mijnheer de president, en wel vanwege het feit dat ik vanuit medisch oogpunt met deze mensen bekend ben. Hoewel ik katholiek ben, geloof ik in hun recht om bij chirurgische behandelingen bloed te weigeren, en terzelfder tijd belonen zij mij voor mijn verdraagzaamheid door zelfs aan mijn kleinste verzoeken ten behoeve van hun herstel te voldoen, door geloof in mijn medisch advies te stellen, ja, volledig geloof in mijn oprechtheid. In mijn zakelijke omgang met hen heb ik hen 100 procent betrouwbaar bevonden, moedig en loyaal tot het uiterste. Wanneer ik de leider zou zijn van een hele natie van deze mensen, geloof ik oprecht dat de vrijheid van denken die ik hun dan zou verlenen, zich op tientallen manieren zou terugbetalen, aangezien zij door hun ijver, christelijkheid en eerlijkheid en zelfs het betalen van belasting, voor anderen een voorbeeld zullen zijn en de nationale trots zullen bevorderen.”

Op 31 mei 1976 kondigde president Banda de vorming van een nieuw kabinet aan, bestaande uit twaalf leden, waarin hijzelf de post van minister van justitie zou bekleden. Is Dr. Banda misschien verkeerd ingelicht over de situatie van Jehovah’s Getuigen? Is hij misschien door vroegere of huidige raadgevers misleid tot de gedachte dat Jehovah’s Getuigen opstandige, wetteloze mensen zijn? Zij die persoonlijk bekend zijn met Jehovah’s Getuigen, weten dat zulke beschuldigingen vals zijn.

Maar toch zou het, zonder de zienswijze van Jehovah’s Getuigen in aanmerking te nemen, erop kunnen lijken dat hun weigering om een eenvoudige, goedkope politieke partijkaart te kopen, neerkomt op opstandig gedrag. Voor de Getuigen is hierbij echter hun aanbidding van God betrokken. Hun situatie doet denken aan wat er in het oude Medo-Perzië gebeurde toen bepaalde mannen die een haat tegen Daniël koesterden, een wet lieten aannemen die bepaalde dat dertig dagen achtereen iedere persoon die aan enige god of mens behalve de koning een verzoek zou richten, voor de leeuwen geworpen zou worden.

Daniël had er geen behoefte aan om met die leeuwen geconfronteerd te worden, net zo min als Jehovah’s Getuigen thans graag naar de gevangenis gaan, of worden geslagen en verkracht. Toch bad Daniël onmiddellijk daarna tot Jehovah God. Hij was geen wetteloos, opstandig man. Maar het ging om de aanbidding van God, en zo’n aanbidding gaat boven elke tijdelijke en plaatselijke autoriteit (Dan. 6:4-10). Zelfs Jezus’ apostelen zeiden in een soortgelijke situatie: „Wij moeten God als regeerder meer gehoorzamen dan mensen.” — Hand. 5:29.

Mogelijke oplossingen

In feite zou er een simpele oplossing voor het probleem bestaan. Wanneer er een kaart zou worden gemaakt in de vorm van een identificatiedocument, zouden de Malawiaanse Getuigen die met alle liefde kopen; in zoveel landen kopen en dragen Getuigen zulke kaarten in gehoorzaamheid aan de wet.

Maar misschien zou de beste oplossing nog zijn Jehovah’s Getuigen in het belang van vrijheid van aanbidding gewoon de vrijheid te laten geen politieke kaart te kopen. Veel landen stellen er een eer in dat hun burgers vrij zijn en er zonder beperkingen een grote verscheidenheid van meningen op na mogen houden. En deze landen worden vanwege hun tolerante houding door andere landen gerespecteerd.

Met het welzijn van allen op het oog, zullen christenen over de gehele wereld in verband met president Banda blijven bidden. Dit in overeenstemming met de bijbelse aanmoediging om te bidden „betreffende koningen en allen die een hoge positie bekleden, opdat wij een kalm en rustig leven mogen blijven leiden met volledige godvruchtige toewijding en ernst” (1 Tim. 2:2). De meer dan 20.000 Getuigen in Malawi kunnen in het land een grote en vredige kracht ten goede zijn, als hun maar zou worden toegestaan ongehinderd hun christelijke bediening uit te oefenen.

Jehovah’s Getuigen hebben zulke mogelijkheden officieel in geschrifte onder de aandacht van de president gebracht en hem gesuggereerd ze met hun vertegenwoordigers te bespreken. Voor allen die eveneens op president Banda een beroep willen doen, volgt hieronder zijn adres:

His Excellency the Life President of Malawi

Ngwazi Dr. H. Kamuzu Banda

Central Government Offices

Private Bag 301

Capital City

Lilongwe 3

Malawi, Central Africa

[Kader op blz. 7]

Congress of the United States

House of Representatives

Washington, D. C. 20515

February 4, 1976

His Excellency the Life President of Malawi

Ngwazi Dr. H. Kamuzu Banda

Central Government Offices

Private Bag 301

Capital City

LILONGWE 3

Malawi, Central Africa

Dear President Banda;

I am compelled to register with you, as a responsible leader of Malawi, my total indignation and outrage at your Government’s treatment of Jehovah’s Witnesses. The chronology of religious persecution -- petty harassments, brutal beating, sexual abuses, family separations, inhumane imprisonments, and murders -- as reported by credible American newspapers, is a heinous policy bordering on genocide.

I am familiar with the beliefs of Jehovah’s Witnesses, including their universal disavowal of temporal political organizations and political parties, and the sincerity which comes with holding those tenets. Anyone familiar with these people knows that they are conscientious neighbors and citizens, and under no circumstances could they be considered a threat to any existing political order.

The free exercise of religious belief is an essential component of liberty and freedom. It is recognized as one of the most basic human rights; and is, in fact, guaranteed to Malawians under your 1966 Constitution. I appeal to you to reconsider and reverse your policy, and to halt this persistent violation of internationally recognized human rights. Not to do so can only earn you the contempt of defenders of human dignity everywhere in the world.

Sincerely,

Tom Harkin

Member of Congress

[Kader op blz. 8, 9]

WORLD COUNCIL OF CHURCHES

His Excellency Ngwazi

Dr. H. Kamuzu Banda

President of Malawi

Private Box 301

Lilongwe-3

Malawi, Central Africa

Your Excellency,

During the last few months we have been receiving representations and reports about the plight of Jehovah’s Witnesses in Malawi and the information we have on this matter causes serious concern to us.

These reports particularly refer to the Jehovah’s Witnesses who have returned recently to Malawi from the neighbouring countries. There is substantial evidence to show that they have been subjected to considerable harassment and persecution by local officials and members of the Youth League. Reports have come to us that many were tortured. The information we have received about Jehovah’s Witnesses in detention camps near Dzaleka is most disturbing.

We are not unaware of the difficulties that have existed during the last several years between the Jehovah’s Witnesses in your country and the political authorities there. We also realize that their teachings on, and attitude to, the state have in part at least contributed to this tension. The world Council of Churches, as you are aware, has always encouraged participation by all christians in the welfare of the countries in which they live.

But the fundamental human right of such participation also involves the freedom to dissent as well as the freedom to refuse to join any particular political grouping or party. We, therefore, feel that your country’s apparent policy of compulsory membership in the Malawi Congress Party is a curtailment of human rights and that punitive measures against those who do not take membership are unjustifiable. The WCC has attempted to uphold human rights everywhere and for all and we express our deep concern about the Jehovah’s Witness in Malawi, especially those who are reported to be in detention or under arrest for refusing to buy membership cards of the Congress Party.

It is quite possible that some of the reports which have appeared may not be correct. But as we have indicated there is much evidence of continuing hardship caused to the Jehovah’s Witnesses by local officials and members of the Youth League, etc.

We therefore appeal to you to take appropriate measures by which those now detained in camps and those arrested are released and can go back to their villages to lead a normal life. We further request you to reconsider the attitude and policies of the government and the Congress Party to the Jehovah’s Witnesses and to engage in conversation with their leaders in the country with a view to exploring how best a lasting solution can be found to the problem. We assure you of our support and cooperation for such efforts.

With all good wishes to you and to the people of Malawi.

Yours sincerely,

Philip Potter

General Secretary

P.S. In view of the interest of the wider public in this matter we intend to release the contents of this letter after a fortnight.

[Illustratie op blz. 11]

Dayton Daily News Vrijdag, 9 april 1976

„Vrienden bedroefd over ommekeer van Banda”

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen