Uw dienaar — het potlood
Door Ontwaakt!-correspondent in Australië
AL JAREN hebt u me gebruikt bij het opstellen van uw zakenplannen, het op papier zetten van uw gevoelens en emoties en voor de planning van toekomstige activiteiten. Maar hoe goed kent u me eigenlijk? Misschien alleen van uiterlijk.
En dat is ook niet zo verwonderlijk want mijn oorsprong verliest zich enigszins in het duister van de geschiedenis. Wanneer en waar ik mijn diensten begonnen ben, is onbekend, en allerlei datums en plaatsen zijn wat dat betreft reeds door deskundigen genoemd. Maar zonder dogmatisch te worden zal ik u toch een kort overzicht geven van mijn achtergrond.
Mijn naam „potlood” is gevormd uit de woorden „pot” en „lood”. In de oudheid werden loodstaafjes voor tekenen en schrijven gebruikt en hoewel ik momenteel helemaal geen lood meer bevat, is de naam gebleven. Wat ik nu bevat, is „grafiet” (afgeleid van het Griekse woord graphein wat „schrijven” betekent), een stof ontdekt in Bavaria. Grafiet droeg aanvankelijk de naam „plumbago” (werkend als lood”) en, zoals gezegd, tot op de dag van vandaag is die herinnering aan lood in mijn naam blijven voortleven.
Hoewel grafiet al enige tijd bekendheid genoot, werd zuiver grafiet pas in 1564 in vaste vorm in Borrowdale (Engeland) ontdekt. Het verhaal gaat dat tijdens een erg harde storm een grote boom ontworteld raakte en een landbouwer tussen de wortels een vastgekoekte zwarte stof ontdekte waarmee hij zijn schapen kon merken, en die de prettige eigenschap had dat ze bij regen niet wegspoelde.
Later werd de Borrowdale-mijn opgericht. De grafiet werd in pijpen gesneden en als schrijfgereedschap verkocht. Mijn grootste nadeel toentertijd was de smeerboel die ik overal aanrichtte, in de handen van de schrijver en op alles waarmee ik in contact kwam. Verschillende verbeteringen deden daarna hun intrede. Men ging mij onder andere omwinden met touw of touwachtig materiaal dat afgesneden of weggescheurd kon worden naarmate mijn punt verder opsleet, precies zoals nu bepaalde waskrijt-vrienden van mij een papieren omhulsel hebben dat bij gebruik kan worden weggescheurd. Een andere ontwikkeling was dat ik werd opgeborgen in een metalen buis of houder, zodat alleen mijn uiteinde naar buiten stak, dus net als bij mijn huidige neef, het vulpotlood.
Het meer gewone potlood, zoals ik, een in hout gevatte grafietstaaf, werd voor het eerst vervaardigd in Nürnberg (Bavaria), het huidige Neurenberg in Duitsland. Dat was omstreeks 1660. Tegen de jaren 1790 tot 1795 hadden op zijn minst twee personen, Josef Hardtmuth uit Wenen en Nicolas Jacques Conté uit Frankrijk, maalmethoden ontwikkeld voor de vermenging van grafiet met klei, waardoor een potlood ontstond met een gladder en gelijkmatiger schrift, dat in principe nog steeds op dezelfde wijze wordt vervaardigd.
Mijn moderne verwanten heb ik al even genoemd — de vulpotloden. Ze zijn er in allerlei gedaanten en grootten, gemaakt van plastic of metaal met midden in een mechanisme om de grafietstift vast te houden en naar beneden te brengen. Ze laten zich onderscheiden in twee belangrijke soorten: die met een schroefmechanisme en met een klemmechanisme. Bij het klemtype moet men achter op de knop van de houder drukken, waarna de kleine klemmetjes vooraan het potlood hun prooi loslaten en de stift verschoven kan worden.
Het „lood” dat wordt vervaardigd voor schroef-vulpotloden heeft een veel geringere dikte dan de grafietstaaf voor een houten potlood, slechts 0,91 tot 1,17 millimeter, en een lengte die ligt tussen de 6 en 10 centimeter; er is wel hetzelfde onderscheid in de graden van hardheid, hoewel niet zo uitgebreid.
De vervaardiging van mijn hart
Bij de moderne vervaardigingsmethoden worden grafiet en klei met water tot een stijve, deegachtige substantie vermalen, welke substantie daarna door een smal gat van een wolfraamcarbide blok wordt geperst. De grafiet wordt dan op een lengte van ongeveer 18 centimeter afgesneden, gedroogd en in een oven verhit tot een temperatuur van 1038 tot 1093° Celsius, en vervolgens geïmpregneerd met een wasachtige of vettig zure vloeistof om mijn schrijfkwaliteiten nog verder te verbeteren. Het werkelijke voordeel van de bovenbeschreven fabricage boven het gebruik van pure grafiet, is dat men met de hardheid kan manipuleren en die verschillende graden kan geven, van de zachte 6B, via HB en F, tot de zeer harde 9H-graad, door meer of minder klei toe te voegen. Hoe meer klei, hoe harder het grafiet. De zachte „B”-graden vinden hoofdzakelijk toepassing bij tekenwerk, voor het maken van schetsen en dergelijke.
Vanwege hun zachtheid verliezen „B”-potloden gauw hun scherpe punt en zijn ze uitstekend geschikt om in een tekening schaduw en dieptewerking weer te geven. De hardere „H”-potloden vinden toepassing in de architectuur en de techniek, waar scherpe en nauwkeurige lijnen nodig zijn. Het harde „lood” behoudt langer een scherpe punt.
De middensoort, de HB- en F-potloden zijn voor algemeen gebruik, en verenigen in zich zowel de zachte als de harde kwaliteiten. Daarnaast zijn er nog tal van potloden voor speciaal gebruik ontstaan, de hele dunne bijvoorbeeld die passen in de rug van een agenda of dagboek, en het dikke timmermanspotlood met zijn harde, rechthoekige stift voor het tekenen op ruw hout.
Het omhulsel van mijn hart
Dat was dus mijn hart, erg belangrijk, maar het hout waarin het is vervat is even belangrijk. Het hout moet zacht genoeg zijn om het te kunnen slijpen, sterk genoeg om de brosse punt stevigheid te geven en stabiel genoeg om niet te gaan buigen of krom te trekken. Het hout van de Virginische ceder voldoet aan al deze eisen en heeft tevens een rijke, natuurlijke kleur en een aangenaam aroma wanneer het wordt geslepen. Tot op dit moment is het het beste hout voor de potloodfabricage gebleken. De schaarsheid ervan heeft echter de noodzaak geschapen naar andere houtsoorten om te zien: populiere-, elze- en berkehout.
Het hout wordt eerst tot dunne planken gezaagd van ongeveer 18 centimeter lang en vijf centimeter breed, of, wat men ook zou kunnen zeggen, van zes potloden breed en een half potlood dik. Vervolgens worden er in de lengterichting zes halfronde groeven gegutst, waarin de grafietpijpjes komen. Daarna lijmt men twee van deze plankjes op elkaar, met de grafietstaafjes ertussen, in de groeven. Nadat de lijm hard is geworden, wordt op een machine eerst aan één kant de vorm van zes halve potloden gefreesd, waarna aan de andere kant hetzelfde gebeurt en er zes afzonderlijke potloden vrijkomen, die nog op precieze lengte moeten worden afgezaagd. Het verven volgt daarna, hetgeen bij wat duurdere kameraden van mij wel kan neerkomen op de aanbrenging van tien laklagen.
Nu ben ik bijna klaar om de fabriek te verlaten. Eerst wordt nog mijn naam, identificatie en hardheidsgraad op de zijkant gedrukt, vervolgens ga ik naar de automatische slijpmachine, passeer de controleur die zijn laatste fiat geeft, en duik dan naar de verpakkingsafdeling om verzonden te worden. Honderdvijfentwintig afzonderlijke operaties zijn nodig geweest om me te maken tot wat ik nu ben, uw potlood.
Ja, ik sta u al lange tijd ten dienste. En bedenk, wanneer u me de volgende maal weer opneemt: „Beter een goede dienaar van hout dan een slecht geheugen van vlees en bloed.”
[Diagram op blz. 26]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
LIJNTEKENEN
SCHETSEN
6B 5B 4B 3B 2B B HB F H 2H 3H 4H — 9H
1 2 2 1/2 3 4
SCHRIJVEN