Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g74 8/5 blz. 23-27
  • Bent u een goede onderwijzer?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Bent u een goede onderwijzer?
  • Ontwaakt! 1974
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • De onderwijzer-leerling-verhouding
  • Eenvoud — de sleutel
  • Gebruik van illustraties
  • Het gebruik van vragen
  • De kunst van onderwijzen ontwikkelen
    Handleiding voor de Theocratische Bedieningsschool
  • Volg de Grote Onderwijzer na
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2002
  • ’Gij moet eigenlijk leraren zijn’
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1985
  • Ouderlingen, hoe kunnen jullie anderen opleiden?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2015
Meer weergeven
Ontwaakt! 1974
g74 8/5 blz. 23-27

Bent u een goede onderwijzer?

„MAMMIE, doe het eens voor! Ik wil het zelf doen!” smeekt een klein vijfjarig meisje. Wat vraagt ze haar moeder in feite? Wees mijn onderwijzer.

Ongeacht de levensomstandigheden waarin u verkeert, vaak wordt er van u vereist een onderwijzer te zijn. Telkens wanneer u iemand aan de hand van een kaart de weg wijst, een nieuwe collega toont hoe een machine werkt, een kind uitlegt hoe hij zijn schoenveters moet vastknopen — geeft u onderwijs.

Ja, welbeschouwd is iedereen een onderwijzer, en wij dienen er belangstelling voor te hebben onze bekwaamheid als onderwijzer te vergroten.

Vanzelfsprekend bestaan er verschillende soorten en niveaus van onderwijs. Maar hoe komt het dat wij bepaalde mensen prettiger vinden uitleggen dan anderen? Wat maakt iemand tot een goede onderwijzer?

Een Deense leerling aan wie deze vragen werden gesteld, antwoordde: „Een goede leraar is werkelijk vertrouwd met het onderwerp of het vak dat hij onderwijst. Hij is ook praktisch in zijn benadering en vertelt me waarom het belangrijk is een bepaald iets te leren. Daardoor begrijp ik wanneer en hoe ik de inlichting of vaardigheid in mijn leven kan toepassen.” Een Canadese student belichtte een ander aspect: „Een goede onderwijzer toont persoonlijke belangstelling. Hij behandelt je niet als een nummer.”

De onderwijzer-leerling-verhouding

Leerlingen zijn mensen; zij moeten het gevoel hebben dat zij persoonlijke belangstelling genieten. H. C. Rose maakte in de publikatie The Instructor and His Job de opmerking: „Leerlingen reageren heel gevoelig op oprechte belangstelling.”

Ja, goed onderwijs begint met onze houding in het algemeen ten aanzien van mensen. Hebben wij werkelijk genoeg belangstelling voor anderen om hun de zaken geduldig uit te leggen? Zo ja, dan zullen wij bereid zijn voor ons onderwijs tijd uit te trekken, niet alleen tijdens het moment van lesgeven zelf, maar ook daarvoor, om onze gedachten te ordenen ten einde de best mogelijke hulp en leiding te kunnen geven. Wij zullen vriendelijk zijn en de leerling laten weten dat wij zijn vragen en commentaren op prijs stellen.

Een praktisch voorbeeld: veronderstel er wordt ons gevraagd een nieuwe collega in te werken in het gebruik van een machine. Wat kunnen we doen om een goede verstandhouding te scheppen? Als we hem kwaad aankijken omdat we in ons werk gestoord worden en hem onmiddellijk met een stortvloed van woorden overstelpen, hoe zal er dan ooit een goede „leersfeer” kunnen ontstaan? Hoeveel beter is het niet, blijk te geven van persoonlijke belangstelling en de persoon de verzekering te geven dat we hem graag alles zullen uitleggen.

Vooral ouders moeten in gedachten houden dat een kind er wanhopig behoefte aan heeft gewaardeerd te worden, iets goed te doen en anderen te behagen. Als hem het idee wordt gegeven dat hij dom is of hem alleen maar afkeurende opmerkingen in de oren klinken omdat zijn leersnelheid naar de mening van zijn ouders niet hoog genoeg ligt, is de kans groot dat zijn verlangen om te leren voor de toekomst wordt geschaad.

Is het zo moeilijk in te zien waarom sommigen die niet zo’n grote technische onderwijsbekwaamheid bezitten, toch betere onderwijzers zijn dan anderen? Zij tonen werkelijke belangstelling in hun leerling en voor hun onderwerp. De leerlingen reageren daarop met een grote leergierigheid.

Erg belangrijk voor de instandhouding van een goede leraar-leerling-verhouding is levendigheid. Spreek met animo. Enthousiasme werkt aanstekelijk, maar, helaas, ongeëmotioneerdheid ook. Sommige onderwijzers krijgen hun leerlingen werkelijk enthousiast over wat ze leren, eenvoudig doordat ze zelf met gevoel voor hun onderwerp les geven. ’Maar ik ben nu eenmaal niet zo’, is misschien de reactie van iemand. En dat is natuurlijk mogelijk. Wij reageren tenslotte allemaal anders, maar dat neemt niet weg dat we allen gevoelens bezitten en manieren kunnen vinden om daaraan uiting te geven.

Vaak zal een hernieuwde studie van het onderwerp ons enthousiasme nieuw leven inblazen, zodat ze overslaat op onze leerling. We zullen hier nog sneller toe komen als we vooruit nog eens voor onszelf nagaan waarom enthousiasme van onze zijde zo belangrijk is voor de leerling. Ook noodzakelijk is dat we onszelf volkomen vergeten en ons volledig in het onderwerp storten ten einde een goede verstandhouding op te bouwen met degene die we trachten te helpen.

Maar er zijn momenten waarop ondanks de aanwezigheid van deze verstandhouding en de leergierigheid van de student, zowel leraar als leerling teleurgesteld kunnen zijn over het resultaat. Wat heeft er dan ontbroken? Misschien bepaalde onderwijsbekwaamheden. Beschouw eens enkele van de belangrijkste.

Eenvoud — de sleutel

Een ervaren onderwijzer zei eens: „De leraar moet het materiaal dat hij wenst te behandelen, niet alleen kennen, maar het ook kennen in zijn meest eenvoudige doch niettemin nauwkeurige vorm. Als de stof ingewikkeld is voor de leraar, kan hij haar niet onderwijzen.” Wat nodig is, is eenvoud.

Soms kan het ook gebeuren dat de leraar zijn onderwerp zo goed kent dat hij vergeet hoe ingewikkeld het kan lijken voor iemand die er nog nooit of maar oppervlakkig mee te maken heeft gehad. Wat kunt u dan doen, ingeval dat bij u zo is? Let ten eerste op uw woordenschat. Want o zo gemakkelijk slippen er bij onze uitleg (vooral als die technisch van aard is) termen uit onze mond die voor ons heel gewoon zijn, maar onze toehoorder in de grootste verwarring kunnen brengen. Zelfs wanneer u niet met iets technisch bezig bent, is het toch oppassen geblazen. Veronderstel: u leert uw dochter koekjes bakken. Vergewis u er dan van dat uw kleine het verschil weet tussen „kloppen”, „roeren” en „vouwen”. Behalve dat u dus zoveel mogelijk korte woorden en korte zinnen gebruikt, is het tevens nodig elk woord uit te leggen dat voor uw pupil abracadabra kan zijn.

Ten tweede: vermijd een omhaal van woorden. Overstroom de leerling niet met woorden. Praten is niet hetzelfde als onderwijzen. De eenvoud vereist vaak een langzaam uitspreken en nauwkeurig uitkiezen van woorden.

Ten derde: benader het onderwerp logisch, ofwel stap-voor-stap. Bouw voort op hetgeen uw leerling reeds weet. Het blijkt vaak nuttig een lust te maken van wat u wilt onderwijzen. „Hak” wat u opgeschreven hebt, in stukjes, ga na om welke handeling of welk punt het gaat, en puzzel vervolgens uit wat de leerling het eerst moet weten. Bepaal dan wat u hem met redelijke hoop op succes daarnavolgend kunt leren, enzovoort. Houd in gedachten dat de leerling per keer doorgaans slechts een paar stappen kan verwerken.

Een andere factor die eenvoud bevordert, is herhaling. Als u enkele hoofdpunten uitkiest om te behandelen en herhaling gebruikt, zijn de resultaten vaak hartverwarmend.

Wat bedoelen we met herhaling? Komt het neer op het herhalen van een bepaalde frase? Die methode zou hoogstens tot resultaat hebben dat de leerling de frase onthoudt als een slagzin, maar onkundig blijft van het idee dat er achter schuilt. Veel beter is het verschillende woorden te kiezen — dan blijven de gedachten hangen. Een onderwijzer met lange ervaring, gaf de aanmoediging: „Leer hetzelfde op twee of drie verschillende manieren te zeggen. De student onthoudt dan niet slechts woorden, maar begrijpt de hoofdzaak waar het om gaat.”

U kunt de eenvoud van uw benadering verbeteren door uzelf constant af te vragen: ’Was er een betere manier geweest om dat uit te leggen? Hoe had ik het nog helderder en duidelijker kunnen vertellen?’

Twee andere onderwijstechnieken in verband waarmee kritisch onderzoek geboden blijft, zijn het gebruik van illustraties en het gebruik van vragen.

Gebruik van illustraties

Een illustratie is een verhaal met een „clou” of, wat ook kan, een aanschouwelijke voorstelling van hoe iets stapsgewijs gedaan moet worden. Visuele hulpmiddelen als een schoolbord, blijken hierbij vaak zeer nuttig. Het gebruik van ’woordschilderingen’ is een andere mogelijkheid.

Maar iemand werpt misschien tegen: ’Ik ben geen verhaaltjesverteller en zal het wel nooit worden ook.’ Toch gebruiken we allemaal illustraties bij de vleet. Als we het hebben over iemand die „zo langzaam is als een slak” of zeggen dat we ons „zo vrij voelen als een vogeltje in de lucht”, zijn we bezig dingen te verklaren aan de hand van voorbeelden — aan de hand van: illustraties.

Lange illustraties liggen ons misschien niet, maar korte zijn vaak heel doeltreffend te gebruiken. De grootste onderwijzer die ooit op aarde heeft geleefd, Jezus Christus, deed het. Toen hij sprak over het oordelen van anderen, zei hij: „Waarom kijkt u naar de splinter in het oog van een ander, en merkt u de balk niet op in uw eigen oog?” (Matth. 7:3-5, Het Nieuwe Testament in de omgangstaal) Wat een krachtige illustratie! Nochtans was ze kort.

Er zijn aan de korte illustratie vele voordelen verbonden. Ze is eenvoudig en daardoor gewoonlijk erg begrijpelijk. De lange illustratie moet wel buitengewoon goed worden gebracht, wil ze niet gauw onbegrijpelijk worden. De leraar loopt dan het gevaar zo verwikkeld te raken in de uitleg van zijn eigen illustratie dat hij de les vergeet.

Aan de andere kant blijkt een eenvoudige illustratie haar gebruik vaak dubbel en dwars waard. Opvoedkundige N. L. Bossing legt uit waarom: „Het vermogen om abstract te denken [abstract in de zin van: zonder gebruik van voorbeelden] is een van de moeilijkste menselijke verrichtingen.” Uw leerling, wie het ook is, heeft voorbeelden nodig om uw uitleg volledig te vatten.

Illustraties hebben bovendien de prettige bijwerking dat ze het besprokene meer in de werkelijkheid van het dagelijks leven trekken. Na uw zoon bepaalde beginselen inzake autorijden te hebben geleerd, is het goed hem een voorbeeld te geven van de problemen die zich in het verkeer kunnen voordoen. Dat zal hem extra doordringen van het feit dat de zojuist gehoorde beginselen in reële situaties hun nut duidelijk bewijzen. Een goedgekozen illustratie leidt u niet af van het onderwerp. Ze verleent er daarentegen een extra dimensie van belangrijkheid en realiteit aan. Dat is onderwijs van de bovenste plank!

Maar wat zijn goede illustraties? U hoeft geen „verhaaltjes” te verzinnen; denk eenvoudig aan „voorbeelden” die op uw onderwerp betrekking hebben. Wees niet bang uw verbeelding te gebruiken. Veronderstel bijvoorbeeld dat u uw kinderen tracht te leren hoe de planeten ten opzichte van elkaar bewegen. Hoe kan uw onderwijs voor hen „werkelijkheid” worden? Dat is niet zo moeilijk: de zon? daarvoor nemen we de suikerpot; een kopje is de aarde en het zoutvaatje wordt gepromoveerd tot maan! Beweeg ze om elkaar heen, en: wat u hebt gezegd, zal voor uw kinderen aan betekenis winnen.

Als u het u tot een gewoonte maakt naar voorbeelden te zoeken, zult u spoedig ontdekken dat uw woorden een blijvende indruk achterlaten.

Het gebruik van vragen

Mits juist gebruikt, kunnen vragen een uitstekend onderwijshulpmiddel vormen. In principe kan men zeggen dat vragen in twee groepen zijn te verdelen: de vragen die naar feiten informeren (Wie? Wat? Wanneer? Waar?) en de vragen die om een conclusie of mening verzoeken (Hoe? en: Wanneer?).

Korte, beknopte vragen zijn het best. Doorgaans slaan ze slechts op één hoofdgedachte.

Als u werkelijk te weten wilt komen wat uw leerling denkt, verdient het misschien aanbeveling ook op de toon van uw stem te letten. Neem als voorbeeld een vader die zijn tienerzoon vraagt wat hij vindt van het roken van marihuana. Uit de manier waarop de vader het woord „marihuana” uitspreekt, kan de zoon vaak al opmaken hoe zijn vader er zelf tegenover staat. Wat gebeurt er dan? De kans is groot dat hij zijn vader het antwoord geeft dat deze graag wil horen. Wordt de vraag daarentegen neutraal gesteld, zonder emotionele ondertoon, dan is de jongen waarschijnlijk sneller geneigd zijn eigen gedachten erover naar voren te brengen. Scherpe, bevelende vragen behoren maar zelden tot het arsenaal van een goede onderwijzer. Vergeet de leraar-leerling-verhouding niet.

Wanneer u anderen vraagt te denken, is het bovendien goed in gedachten te houden dat geduld erg belangrijk is. Als u na een vraag gesteld te hebben, onmiddellijk zelf het antwoord geeft, zult u nooit weten of die andere persoon het antwoord had kunnen geven. Pauzeer na het stellen van een vraag; kijk naar zijn gelaatsuitdrukking; ziet u dat hij het niet snapt, stel dan de vraag met andere woorden.

Vragen kunnen worden gebruikt om de belangstelling te stimuleren of het begrip te testen. Vaak zijn vragen ter stimulering van de belangstelling retorisch van aard, dat wil zeggen, het antwoord is zo duidelijk dat ieder verder commentaar overbodig is. Bijvoorbeeld: ’We willen allen gelukkig zijn, is ’t niet?’

Vragen die dienen ter toetsing van het begrip, zijn het moeilijkst. Ze worden vaak gebruikt om hoofdpunten te herhalen of om na te gaan wat de student heeft opgenomen. De bewoording van die vragen moet zorgvuldig worden gekozen om ontmoediging van de leerling te voorkomen. Als u hem vraagt over iets te redeneren en hij komt tot de verkeerde conclusie, bestaat de kans dat hij zichzelf traag vindt, teleurgesteld is in zichzelf of met zijn figuur verlegen is. Als u al van zijn gezicht kunt raden dat hij u niet volgt, is het meesten tijds beter gewoon opnieuw te gaan uitleggen of tactvol te vragen of hij nog meer uitleg zou willen hebben. Uw leerling zal u er dankbaar voor zijn.

Werkelijk, het nastreven van begrip, belangstelling en geduld in ons dagelijks leven, zal op onze gehele persoonlijkheid een goede uitwerking hebben, en niet alleen wanneer wij onderwijs geven, maar te allen tijde. Wij worden mensen die doeltreffender met anderen van gedachten kunnen wisselen. We worden makkelijker begrepen doordat we makkelijker te begrijpen zijn.

De vraag waar het om gaat, is niet: Zal ik nu wel of geen onderwijzer worden? U bent er een. De vraag is wel: Zal ik proberen een goede te zijn?

De beloningen van een goede onderwijzer zijn groot. Iemand die onderwijs geeft, deelt met anderen. Hij geeft een deel van zichzelf om anderen te helpen. Onderwijs geven is een verrijkende ervaring die het leven interessanter en voldoeninggevender maakt.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen