De Fidzji’s — Palet van de Zuidzee
Door Ontwaakt!-correspondent op de Fidzji-eilanden
HIER op de Fidzji-eilanden ontrolt zich een veelkleurig doek voor onze ogen: moslims met vrolijk gekleurde tulbanden, gebaarde Sikhs en drukke Chinezen, enkelen met kegelvormige hoeden en traditionele mandarijnbroeken. U zult er vrouwen zien uit Madras in levendig rose en paars gekleurde sari’s, die suikergoed kopen van een handelaar langs de weg. Een vrouw met een Maleis uiterlijk, in een bijzondere klederdracht, is met een toerist aan het loven en bieden over de prijs van een mand.
Maar te midden van deze gemengde bevolking springt één nationaliteit eruit: de oorspronkelijke bewoners van de Fidzji’s, met een iets grotere lichaamslengte en een omvangrijke haardos. Deze prachtig gebouwde, oorspronkelijke bewoners van de Fidzji-eilanden, gekleed in hun unieke soeloes — door een opperhoofd beschreven als de „kilt van de Hooglanders van de Zuidzee” — hebben hun geheel eigen aard volkomen bewaard.
„Maar”, zo vraagt u wellicht, „waar komen al die nationaliteiten op deze afgelegen eilanden in de uitgestrekte Stille Oceaan vandaan?” Voor een antwoord hierop moeten we de geschiedenis naslaan.
De Fidzjianen
Veel van het verleden is uiterst vaag. Op een of ander onbekend tijdstip in de geschiedenis voeren zeevarende landverhuizers vanuit het westen in grote dubbele kano’s over de nog niet in kaart gebrachte wateren van de Stille Oceaan of Zuidzee. Zij hadden geen sextant, kompas of kaarten. Meestal voeren zij in de richting van de zon, optornend tegen de overheersende winden en stromingen. Hun enige hulpmiddelen bij het navigeren waren hun ogen en hun kennis van de zee. Volgens de legenden en een nu algemeen aanvaarde theorie lag de bakermat van deze reizigers in Indonesië, wel de springplank naar de Stille Oceaan genoemd. Later werden de Fidzji-eilanden een smeltkroes van Melanesische en Polynesische bevolkingsgroepen.
Deze Melanesische migranten ontwikkelden zich tot de beste Zuidzee-scheepsbouwers onder de evenaar. Hun bekende dubbele kano’s vervaardigden zij van zware planken, die zij met bijlachtige stenen hakgereedschappen uit gespleten boomstammen hieuwen en met plattingen (platte strengen samengevlochten garens) aan elkaar sjorden. De naden werden met zulk een nauwkeurigheid pasklaar gemaakt dat ze maar zelden gebreeuwd (met pek en touwwerk waterdicht gemaakt) hoefden te worden. Zeven jaar deed men soms wel over de bouw van één exemplaar. De grootste Fidzjiaanse kano die naar men weet ooit heeft bestaan, is de Rusa-i-Vanua, met een totale lengte van bijna 36 meter, een dek van ruim 15 bij ruim 7 meter en een mast van meer dan 20 meter, en met ra’s van elk 27 meter. Zulke kano’s konden honderd mensen vervoeren, met voorraden voor een lange reis, en een snelheid van vijftien knopen (bijna 28 kilometer per uur) bereiken. Eeuwen gingen voorbij zonder dat het levensbeeld op de Fidzji’s veel veranderingen onderging. Tot de komst van de Europeanen!
De Europeanen en de moderne geschiedenis
Hoewel de Fidzji-eilanden al eens door een Hollander waren bezocht, deed de Europese invloed zich pas in de achttiende eeuw goed voelen, toen ontdekkingsreizigers deze kant op kwamen. Onder hen waren de mannen die naar sandelhout zochten. Het zoet geurende sandelhout bevat een olie die in Polynesië lange tijd zeer hoog op prijs is gesteld. Een winstgevend afzetgebied voor dit welriekende hout kon men vinden in China en India, waar het van grote waarde was voor de vervaardiging van wierook, religieuze voorwerpen, verfijnd schrijnwerk en parfum. Een lading van tweehonderd twintig ton, aangekocht met ruilgoederen ter waarde van hoogstens honderd dollar, werd in China verkocht voor veertigduizend dollar. Zulks dreef tal van avonturiers tot vermetele pogingen, die soms strandden op de verraderlijke riffen voor de kusten van Vanua Levu of de wreedheid van de meest gevreesde kannibalen van de zuidelijke Zuidzee.
Gedurende deze periode kwamen de Fidzji-eilanden bekend te staan als de Kannibaaleilanden. Deze angstaanjagende betiteling was hoe dan ook geen verkeerde benaming, want de waardering van de Fidzjiaanse inboorling voor mensenvlees was zo groot, dat de dichter Robert Brooke ertoe kwam te schrijven:
„De leden welker aanblik u eertijds bekoorde
Zijn nu een lekkernij in wilde oorden;
Het oor dat uw gefluisterde eed vernam
Is thans een onbeduidende tussengang.”
Enkele opperhoofden waren grote kannibalistische lekkerbekken. Van opperhoofd Ra Udreudre wordt gezegd dat hij in zijn leven negenhonderd mensen heeft geconsumeerd. Tevens beschikken we over het authentieke verslag van de ongelukkige methodistische predikant Thomas Baker, die gedood en opgegeten werd, met laarzen en al. Gedeelten van zijn verkoolde laarzen zijn thans te bezichtigen in het Suva-museum, te zamen met de vorken waarmee het vlees gegeten is. Wat ook de motieven waren, het kannibalisme wierp een zware smet op de reputatie van de Fidzjiaanse inboorling en stelde zijn goede hoedanigheden volledig in de schaduw.
In 1835 arriveerden de methodistische zendelingen Cross en Cargill. Enkele inboorlingen aanvaardden de leerstellingen van de in zwarte mantels gehulde vreemdelingen, maar om verkeerde redenen. Het godsbegrip van de eilandbewoners beperkte zich tot het idee dat goden òf zegenden òf straften, en aanbeden moesten worden wegens hun macht. Toen zij zagen dat de Europeanen metalen gereedschappen, drukpersen, vuurwapens en oorlogsschepen konden vervaardigen, redeneerden zij dat de nieuwe god machtiger moest zijn dan die van hen en dat zij er maar het beste aan deden hem te aanbidden.
Vanaf 1840 werden de eilanden golfsgewijs overspoeld door Europese kolonisten, die hoopten in den vreemde fortuin te maken. Dezen dreven handel, kochten landgoederen voor iets meer dan 12 cent per hectare en vestigden plantages die een groot aantal arbeidskrachten vereisten. De Fidzjiaanse inlanders waren hiervoor ongeschikt; zij werkten enkel wanneer het hun uitkwam en waren niet bereid slavenarbeid op zich te nemen. Enkele planters gingen daarom slaven op de vrije markt kopen. Door deze vraag naar arbeiders verscheen er nog een bevolkingsgroep op het Fidzjiaanse toneel.
Eilanden met een bonte bevolking
Met de Amerikaanse Burgeroorlog werd de katoenteelt op de Fidzji’s een winstgevende bezigheid. Later kwam de suikerindustrie tot ontwikkeling. Er ontstond een grote vraag naar werkkrachten en de planters richtten hun blik op India. Van Indische arbeiders werd al in Afrika gebruik gemaakt volgens een contractsysteem, een voorbeeld dat in 1879 op de Fidzji’s werd nagevolgd. Deze ’contractkoelies’ hebben hier tot 1916 gewerkt. Van de 64.000 Indiërs die indertijd op de Fidzji-eilanden vertoefden, gingen er 24.000 terug naar India, terwijl de anderen als kolonisten achterbleven.
Op het moment zijn de Indiërs een even integrerend deel van de bevolking geworden als de oorspronkelijke bewoners, terwijl zij een geheel eigen kleur toevoegen aan het schitterende mozaïek van het dagelijks leven hier. Indische taxichauffeurs, in witte overhemden en donkere pantalons, kan men in groten getale tegenkomen in de beroemde Cumming Street, waar zij toeristen die op zoek zijn naar koopjes in de belastingvrije winkels aldaar, hun diensten aanbieden.
In de koepelvormige islamitische moskeeën, die men hier ook zal aantreffen, compleet bekroond met de ster en halve maan van de Islam, buigen aanbidders van Allah zich zesmaal op een dag neer. Ook Hindoe-huizen zijn hier, waar zich ingelijste afbeeldingen van de Hindoe-goden bevinden, van Brahma en Siva en vele andere.
En laten we ook niet voorbijgaan aan de Chinese gemeenschap, waar sober levende, hardwerkende mensen wonen, die als slagers, bakkers, kooplieden, groentekwekers en restaurateurs thans niet meer weg te denken zijn uit de bevolking. Andere volken die kleur geven aan dit palet van de Stille Oceaan zijn de Rotumanen, Tongalezen, Samoanen en eilanders van de Gilbert-, Ellice- en Salomons-archipel. Sommigen zijn nakomelingen van de naar Fidzji gevoerde arbeiders of echtgenotes van de vroegere kolonisten. Anderen zijn eenvoudig verhuisd en op Fidzji komen wonen.
Er bestaat verschil van mening over het eigenlijke aantal eilanden in de groep. Velen zeggen dat er driehonderd eenenzestig zijn. Ongeveer honderd daarvan worden bewoond. Indien de vele stukken samengevoegd werden tot een reuzenlegkaart, zou de totale oppervlakte van meer dan 18.000 vierkante kilometer, op ruim 2000 vierkante kilometer na, ongeveer gelijk zijn aan die van de helft van Nederland.
„Poort naar de dag”
Omdat de groep eilanden aan weerskanten van de Internationale Datumgrens ligt, zouden de Fidzji’s terecht de „wekker van de wereld” kunnen worden genoemd. Hier vindt iedere nieuwe dag zijn begin, hetgeen grappige problemen schept voor hen die op de datumgrens wonen, want aan de ene kant is het vandaag en aan de andere kant is het morgen of gisteren. Zo beweerde een koopman op het eiland Taveuni dat de datumgrens dwars door zijn winkel liep, en dus dreef hij tot zaterdag door de voordeur handel, en de volgende dag, waarvan hij beweerde dat het maandag was, door de achterdeur, op deze wijze trachtend te ontkomen aan het bezwaar van de zendelingen tegen het handel drijven op zondag.
Enkele van deze eilanden zijn slechts zandtapijten, andere majestueuze, vulkanische bergtoppen, bekleed met tropische plantengroei, omringd door riffen en schuimende golven. Zelfs in de hoofdstad Suva is een overvloed aan tropische begroeiing.
Het water rond de eilanden is kristalhelder. Als u een tocht maakt in een boot met een glazen bodem, hebt u een onbelemmerd uitzicht op een van ’s werelds prachtigste onderwatertonelen. Maar het mooist van alles zijn wel de bewoners van de Fidzji’s zelf.
Kleurrijke gebruiken en ceremoniën
De hedendaagse Melanesiërs zijn in tegenstelling tot hun bloeddorstige voorouders, zeer gastvrij. De Fidzjiaan geeft royaal van zijn taro en bananen aan een behoeftige naaste. Moedwillige negering van arme bloedverwanten door rijkere familieleden wordt een misdaad geacht. Dit gemeenschapsgebruik, bekend staand als kere kere („verzoeken” of „vragen om”) zou de sociale verzekering van de Zuidzee genoemd kunnen worden. Als een man zijn huis of zijn oogst verliest in een orkaan, kan hij naar een rijker familielid toe gaan en om voedsel of andere hulp vragen. Als zijn bloedverwant het heeft zal het hem niet geweigerd worden. Natuurlijk verhindert zo’n gewoonte dat afzonderlijke personen rijkdommen, van welke soort maar ook, bijeengaren. Kere kere onderscheidt de met gemeenschapsgevoel bedeelde Fidzjiaan van de Indiër, die zijn geld op de bank zet om een huis te bouwen of een winkel te kopen.
Ook de ceremoniële gebruiken geven een warme kleur aan het leven. Het drinken van yacona („kava”) is een algemeen ceremonieel en een maatschappelijk gebruik onder de eilanders. Het is een drank die wordt bereid uit de wortel van een peperplant (Piper Methysticum) welke tot poeder wordt vermalen in een grote tanoa (yacona-kom) versierd met een koord van gevlochten kokosvezels en witte schelpen van de porseleinslak. Het poeder wordt in water gedaan en gefilterd door de vezels van hibiscusbast.
Wanneer tijdens de plechtigheid degene die bij de tanoa zit, de drank van de juiste samenstelling acht, gooit hij de vezels over zijn schouder. De schenker, gekleed in een rok van vuurrode bladeren, beweegt zich sluipend naar voren om de eerste dronk te ontvangen in de gepolijste halve schaal van een kokosnoot. Met uitgestrekte armen draagt hij de kom naar de eregast. Een gedruis van bijval klinkt op uit de rood- en zwartbeschilderde deelnemers. Dan wordt de kom teruggebracht voor de volgende dronk.
Natuurlijk is het drinken van yacona niet beperkt tot plechtigheden, want ze wordt dagelijks gedronken en met voorliefde betiteld als „grog”. Wanneer zo de ondergaande zon de mannen naar huis roept, van de suikkerrietvelden of een gemeenschappelijke vistocht, is een „grog”-dronk (zonder alcohol) vrij op te vatten als een onverholen uitnodiging voor een lange, gezellige avond, met de begeleiding van gitaar en zang.
Zij lopen op vuur
De spectaculairste ceremonie, waar vele nieuwaangekomenen naar gaan kijken, is het mysterieuze lopen op vuur, dat door zowel de Fidzjianen als de Indiërs wordt beoefend. Beide rassen volgen een twee weken durende periode van taboe (verbod) op bepaalde soorten van voedsel en seksuele omgang. De voorbereiding van de Indiërs op deze fundamenteel religieuze plechtigheid omvat meditatie en gebed. Dan worden er verscheidene lange zilveren vleespennen door de tong, wangen en oorlelletjes van deze Hindoeaanbidders gestoken. Hierna worden zij naar een kuil geleid, gevuld met een ongeveer 15 centimeter dikke laag gloeiende sintels. Met het gezicht naar enkele religieuze beelden gekeerd, beginnen zij, terwijl zij ongedeerd blijven, door de sintels te lopen.
De plechtigheid van de Fidzjiaanse inlanders is niet minder spectaculair. Zij verhitten een enorme kuil met grote keien (afkomstig van Beqa — het eiland waar zij vandaan komen) tot deze witheet zijn. Dit neemt ongeveer acht uur in beslag. Dan leidt de bete (priester) de keurig uitgedoste vuurlopers over de stenen zonder dat zij ook maar één enkele brandwond oplopen, hetgeen toegeschreven moet worden aan de macht van boze geesten.
Een internationale vergadering
In december vorig jaar hebben de Fidzji-eilanden in het brandpunt van de belangstelling gestaan van de getuigen van Jehovah in het zuidelijke deel van de Grote Oceaan, die daar hun internationale congres hebben gehouden. In Nadi, te midden van een lappendeken van suikerrietvelden en een oase van palmbomen hadden de Fidzjiaanse Getuigen voor het congres grote zalen opgezet volgens de stijl van de eilanden, van bamboe, riet en palmen. Sommige dingen mochten dan niet zo prachtig en efficiënt lijken, alles bleek niettemin voortreffelijk aan zijn doel te beantwoorden en bij te dragen tot die warme gastvrije sfeer die alleen op een eiland in de Zuidzee gevonden kan worden.
Zo u ooit nog eens hier zult komen, zullen u vele herinneringen voor altijd bijblijven, niet in het laatst die aan het onvergetelijke afscheidslied van de Fidzji’s: Isa Lei, dat u nog eens extra zal herinneren aan het kleurrijke palet van de Stille Oceaan — de Fidzji-eilanden.