„Uw woord is waarheid”
Wanneer werd Jeruzalem door Babylon verwoest?
WERELDLIJKE geschiedschrijvers geven gewoonlijk het jaar 586 v.G.T. aan als de juiste datum voor de verwoesting van Jeruzalem. Waarom zeggen Jehovah’s christelijke getuigen dan dat deze gebeurtenis in 607 v.G.T. heeft plaatsgevonden? Omdat zij vertrouwen stellen in wat de bijbel zegt over de tijdsduur dat Jeruzalem woest lag.
Volgens de Schrift duurde de periode van de verwoesting van Juda en Jeruzalem zeventig jaar. Na de Babylonische verovering van Jeruzalem beschreven te hebben, bericht 2 Kronieken 36:21: „Al de dagen dat het woest lag, hield het sabbat, om zeventig jaar vol te maken.” Bij monde van zijn profeet Jeremia had Jehovah bekendgemaakt: „Geheel dit land moet tot een verwoeste plaats worden, tot een voorwerp van ontzetting, en deze natiën zullen de koning van Babylon zeventig jaar moeten dienen.” — Jer. 25:11.
Was dit werkelijk een periode van zeventig letterlijke jaren? Ja, zo begreep de profeet Daniël het, die tegen het einde van de periode van Jeruzalems verwoesting leefde. Hij zei: „Ik, Daniël, [onderscheidde] zelf aan de hand van de boeken het getal der jaren waarover het woord van Jehovah tot de profeet Jeremia was gekomen, om de verwoestingen van Jeruzalem te vervullen, namelijk zeventig jaren” (Dan. 9:2). Merk op dat Daniël hier spreekt over het „getal der jaren” van de verwoesting en dan zegt dat het zeventig jaren waren. Dit had hij beslist niet kunnen doen als de zeventig jaren symbolisch waren of slechts een opgeblazen rond getal vormden.
In het boek Zacharia wordt nog meer bewijsmateriaal verschaft. Wij lezen: „Hebt gij, toen gij gevast hebt en er geweeklaag was in de vijfde maand en in de zevende maand, en dit zeventig jaar lang, werkelijk voor mij gevast, ja voor mij?” (Zach. 7:5; 1:12) De wijze waarop deze vraag is geformuleerd, met vermelding van specifieke maanden, duidt er stellig op dat het hier om een periode van zeventig letterlijke jaren ging.
Dat de joden uit de oudheid de zeventig jaren letterlijk namen en geloofden dat er een totale verwoesting van het land bij betrokken was, blijkt uit de werken van Josephus, een joodse geschiedschrijver. In zijn Joodsche Oudheden, Boek X, hoofdstuk 9, par. 7, vertelt hij: „Zoo bleef geheel Judéa met Jeruzalem en den tempel zeventig jaren woest en verlaten.”
Toen de Israëlieten naar Juda en Jeruzalem konden terugkeren, eindigde die verwoesting. Er bestaat algemene overeenstemming over dat Babylon op 5/6 oktober van het jaar 539 v.G.T. in handen van Cyrus viel. Uit het schriftuurlijke verslag in 2 Kronieken 36:21-23 en Ezra 3:1-3, waarin wordt verteld over het door Cyrus uitgevaardigde decreet inzake de vrijlating van de joden en hun terugkeer naar hun geboorteland, blijkt dat de joden omstreeks het begin van oktober 537 v.G.T. in hun geboorteland aankwamen, waarmee er een eind kwam aan de zeventigjarige verwoesting. Jeruzalem moet daarom zeventig jaar voordien, in 607 v.G.T., zijn verwoest.
De diverse pogingen die er zijn gedaan om de datum 586 v.G.T. te harmoniëren met wat de bijbel zegt, zijn daarom niet bevredigend. Geen van die pogingen strookt met het bijbelse getuigenis dat Jeruzalem en Juda zeventig jaar lang woest hebben gelegen.
De datum 586 v.G.T. is hoofdzakelijk gebaseerd op wat bekend staat als de „Canon van Ptolemaeus”, waarin een totaal van 87 jaar wordt toegekend aan de Babylonische dynastie, die begint bij Nabopolassar en eindigt bij Nabonédos, ten tijde van de val van Babylon in 539 v.G.T. Volgens deze Canon waren de vijf koningen die gedurende deze periode hebben geregeerd, Nabopolassar (21 jaar), Nebukadnezar (43 jaar), Evil-Merodach (2 jaar), Neriglissar (4 jaar) en Nabonédos (17 jaar). In overeenstemming met het aldus aan elke regeerder toegekende aantal jaren zou de verwoesting van Jeruzalem in Nebukadnezars achttiende jaar (negentiende jaar indien men vanaf zijn „troonsbestijgingsjaar” rekent) in 586 v.G.T vallen. — 2 Kon. 25:8; Jer. 52:29.
Maar hoe betrouwbaar is de Canon van Ptolemaeus? Professor E.R. Thiele schrijft in zijn boek The Mysterious Numbers of the Hebrew Kings:
„De Canon van Ptolemaeus werd in de eerste plaats voor astronomische en niet voor historische doeleinden opgesteld en maakt er geen aanspraak op een complete opsomming te geven van alle regeerders van zowel Babylon als Perzië, en evenmin van de juiste beginmaand of -dag van hun regeringen, maar het was een ontwerp waardoor het mogelijk werd gemaakt bepaalde astronomische gegevens welke toen voorhanden waren, in een breed chronologisch schema onder te brengen. Koningen die korter dan een jaar regeerden en binnen wier ambtstermijn geen nieuwjaarsdag viel, werden niet genoemd.” (Wij cursiveren.)
Alleen al het doel waarvoor de Canon werd opgesteld, maakt het dus onmogelijk om aan de hand ervan nauwkeurige datums vast te stellen. Er kan niet met zekerheid worden nagegaan of Ptolemaeus juist is geweest bij het toekennen van bepaalde aantallen jaren aan diverse koningen. Volgens Ptolemaeus bijvoorbeeld heeft Evil-Merodach slechts twee jaar geregeerd, terwijl Polyhistor twaalf jaar aan zijn regering toekent. Voorts kan men er ook niet zeker van zijn dat er slechts vijf koningen gedurende deze periode hebben geregeerd. Te Borsippa werden bijvoorbeeld namen van een aantal Babylonische koningen gevonden die nergens anders voorkomen.
Niettemin zou iemand kunnen vragen: Is er niet een oud astronomisch tablet, „VAT 4956”, dat voor het zevenendertigste jaar van Nebukadnezars regering precies hetzelfde jaar aangeeft als de Canon van Ptolemaeus?
Er dient niet over het hoofd te worden gezien dat de bron van bevestigend bewijsmateriaal het kenmerk van betrouwbaarheid dient te dragen. Kan dit omtrent „VAT 4956” worden gezegd? Feitelijk niet. Het is geen originele tekst en hij bevat talloze leemten. Er komen bepaalde termen in voor die zelfs nu nog niet begrepen kunnen worden. Tweemaal komt in de tekst de notitie hi-bi (hetgeen „afgebroken, uitgewist” betekent) voor. Daarmee gaf de afschrijver toe dat hij van een onvolledig exemplaar overschreef.
Bij deze problemen komt nog dat zelfs al vormen de astronomische inlichtingen een zuivere weergave van de originele tekst, dit nog niet zou bewijzen dat de historische data juist zijn. Evenals Ptolemaeus de regeringen van in de oudheid levende koningen (zoals hij daar begrip van had) eenvoudig gebruikte als een omlijsting waarin hij zijn astronomische data plaatste, kan ook de afschrijver van „VAT 4956”, in overeenstemming met de chronologie die in zijn tijd werd aanvaard, het ’zevenendertigste jaar van Nebukadnezar’ hebben ingelast. Zoals door de Duitse geleerden Neugebauer en Weidner (de vertalers van deze tekst) wordt toegegeven, veranderde de afschrijver klaarblijkelijk woorden om ze in overeenstemming te brengen met de verkorte terminologie die in zijn tijd gangbaar was. Maar hij was zowel inconsequent als onnauwkeurig. Hij kon dus net zo gemakkelijk andere inlichtingen hebben ingelast als het in zijn kraam te pas kwam. Zo zouden zowel de Canon van Ptolemaeus als „VAT 4956” zelfs aan dezelfde basisbron ontleend kunnen zijn. Ze zouden dezelfde fouten kunnen bevatten.
Tegengesteld aan de Canon van Ptolemaeus en „VAT 4956” hebben wij het unanieme getuigenis van Jeremia, Zacharia, Daniël en de schrijver van 2 Kronieken dat Juda en Jeruzalem zeventig jaar lang woest hebben gelegen. Duizenden oude handschriften van deze geschriften bevatten hetzelfde getuigenis. Wegens de problemen die aan de Canon van Ptolemaeus en „VAT 4956” kleven, is er dus meer geloof voor nodig om die te aanvaarden dan het geloof vereist om het bijbelse getuigenis te aanvaarden, waardoor de verwoesting van Jeruzalem door de Babyloniërs op 607 v.G.T. wordt gesteld.a
[Voetnoten]
a Zie voor nog meer details het boek Aid to Bible Understanding, blz. 327, 331, 339, 348.