Dilemma voor artsen
ZIEKENHUIZEN en artsen in de Amerikaanse staat Illinois stonden verstomd over een gerechtelijke beslissing van het hooggerechtshof die tegen het einde van 1970 werd bekendgemaakt. Hun verslagenheid vond in heel de Verenigde Staten alom weerklank bij leden van de medische stand.
Door welke beslissing was een dergelijke schok teweeggebracht? Het hooggerechtshof van Illinois besliste dat ziekenhuizen tot schadevergoeding kunnen worden verplicht wanneer een patiënt door een bloedtransfusie hepatitis oploopt.
De gerechtelijke beslissing kwam voor veel artsen als een schok. Ze had echter niet zo onverwachts hoeven aan te komen. Waarom niet? Omdat er zich al jarenlang een berg van bewijsmateriaal heeft opgestapeld waaruit blijkt dat bloedtransfusies schadelijk en zelfs dodelijk kunnen zijn.
Artsen die de laatste ontwikkelingen op medisch gebied hebben bijgehouden, weten dat dit zo is. W. Miller, een van de redacteuren van Medical Economics, zei in dit verband: „Bij geen biologisch produkt is de mogelijkheid van fatale fouten in de medische praktijk zo groot als bij bloed. Meer dan één arts heeft tot zijn leedwezen moeten constateren dat elke fles bloed van de bloedbanken een potentiële fles nitroglycerine is.”
Medische autoriteiten geven toe dat er elk jaar alleen al in de Verenigde Staten ongeveer 3000 sterfgevallen voorkomen ten gevolge van hepatitis die wordt opgelopen door bloedtransfusie. Nog een gevolg van bloedtransfusie vormen de naar schatting 30.000 ernstige gevallen van hepatitis, terwijl een aantal minder ernstige gevallen nog weer een veelvoud van dit getal bedraagt. Daar komen dan nog de sterfgevallen en ziekten bij die het gevolg zijn van andere complicaties van bloedtransfusies.
Wegens dergelijke sterfgevallen en ziekten zijn er in de afgelopen jaren veel rechtszaken tegen artsen en ziekenhuizen aangespannen. Dr. L. Unger, een in Amerika zeer bekend hematoloog, zei: „Processen als nasleep van bloedtransfusies komen thans meer voor dan er zich, voor zover ik mij kan herinneren, ooit hebben voorgedaan.”
Een zeer belangrijk proces werd door het hooggerechtshof van Illinois behandeld. De zaak had te maken met mevrouw F. Cunningham. Zij was indertijd in 1960 in het MacNeal-Memorialziekenhuis in Berwyn, in de Amerikaanse staat Illinois, opgenomen om voor bloedarmoede behandeld te worden. Als een onderdeel van de behandeling werden haar verscheidene flessen bloed gegeven. Het bloed was echter geïnfecteerd, en zij liep een ernstige serumhepatitis op. Zij stelde het ziekenhuis aansprakelijk voor ƒ 180.000 schadevergoeding.
Een lager gerechtshof wees haar zaak af. Mevrouw Cunningham ging echter in hoger beroep. Haar advocaten haalden gerechtelijke uitspraken aan die in verband met andere rechtszaken waren gedaan en volgens welke de verkopers aansprakelijk werden gesteld voor de veiligheid van hun produkten. Zij beweerden dat bloed een produkt is en dat ziekenhuizen aansprakelijk dienen te worden gesteld wanneer er iets aan mankeert.
Het hooggerechtshof van Illinois stemde hiermee in. Het besliste dat de verkoper van een produkt „wettelijk de consequenties dient te dragen van de schade die erdoor wordt veroorzaakt, in plaats dat een dergelijke schade ten laste zou komen van de individuele verbruiker, die er in het geheel niet schuldig aan is”. De Amerikaanse Vereniging van Advocaten was het met het hof eens. Door deze advocaten werd opgemerkt dat kerken, scholen, jongelingsverenigingen en weeshuizen geen vrijstelling van vervolging wordt verschaft en dat ook ziekenhuizen geen vrijstelling dienden te ontvangen.
Rechter J. Culbertson van het betreffende gerechtshof wees de beweringen van de verdediging, dat bloed een ’dienst’ en geen ’produkt’ was en dat aan ziekenhuizen vrijstelling van rechtsvervolging diende te worden verleend, van de hand. Hij besliste dat bloed een produkt is net als andere artikelen die, „onveranderd en in hun natuurlijke staat, voor menselijke consumptie verkrijgbaar worden gesteld”. Hij merkte op dat de verkoper van vergiftige paddestoelen aansprakelijk kan worden gesteld, hoewel de paddestoelen „noch gekookt, ingeblikt of verpakt, noch op andere wijze behandeld” zijn.
Als gevolg van deze beslissing zijn artsen van mening dat zij overstroomd zullen worden met processen. Zij behoeven daarvoor echter niemand anders dan zichzelf de schuld te geven. Jarenlang hebben zij immers druk uitgeoefend op het toedienen van bloedtransfusies en zij bleven volhouden dat ze absoluut noodzakelijk waren, ofschoon de bewijzen duidelijk aantoonden dat dit niet zo was. Vele andere stoffen dan bloed hebben uitstekende diensten bewezen.
Het hartspecialistenteam van het Texas Heart Institute in Houston, waartoe ook Dr. D. Cooley behoort, schreef in de Journal of the American Medical Association van 10 augustus 1970: „Het is onze gedragslijn om, indien enigszins mogelijk, bij alle operaties het gebruik van bloedtransfusie te vermijden . . . Wij hebben geconstateerd dat bij vaatoperaties niet noodzakelijkerwijs bloedtransfusie behoeft plaats te vinden, doch dat bloedtransfusie inderdaad bepaalde nadelen heeft zoals het risico van hepatitis. . . . patiënten die weigeren bloed te nemen, kunnen gewoonlijk zonder buitensporig hoog risico zware operaties ondergaan met gunstige postoperatieve resultaten.”
Met het oog op dergelijke bevindingen dienen artsen te bedenken dat, al bevelen zij het gebruik van bloed aan, het recht van de patiënt om dit te weigeren gerespecteerd dient te worden. En over het algemeen hebben de Amerikaanse gerechtshoven hiermee ingestemd door te beslissen dat een patiënt het recht heeft elke behandeling die hij niet wenst, te weigeren.
Artsen vervullen inderdaad een zeer waardevolle dienst. Hun moeitevolle arbeid en de hulp die zij zieke mensen bieden, zijn prijzenswaardig. Wanneer een arts echter de wensen van zijn patiënt negeert, is hij niet langer iemand die hulp biedt. Zo’n arts zou er goed aan doen zich af te vragen waar hij zich in werkelijkheid om bekommert — om zijn patiënt, of om zijn zakelijk voordeel en zijn reputatie?
Aan patiënten die ter wille van hun geweten een potentieel gevaarlijke bloedtransfusie van de hand hebben gewezen, werd door enkele artsen zelfs elke geneeskundige behandeling geweigerd. Aangezien hun geen enkele hulp werd geboden, moesten de patiënten in sommige gevallen kostbare tijd verloren laten gaan door zich naar een ander ziekenhuis te laten overbrengen waar de doktoren hen overeenkomstig hun wensen wilden behandelen. Ook hebben andere artsen getracht een gerechtelijk bevel te verkrijgen, of hebben zij dat ook inderdaad verkregen, ten einde zowel volwassenen als baby’s gedwongen bloedtransfusies te geven om ’levens te redden’. Vervolgens hebben deze zelfde artsen precies het tegenovergestelde gedaan doordat zij abortussen, waardoor levens worden vernietigd, hebben uitgevoerd of er hun goedkeuring aan hebben gehecht. Een dergelijk optreden kan op zijn zachtst uitgedrukt inconsequent worden genoemd.
Wat is er met dergelijke artsen aan de hand? Dr. E. Nichols van Palo Alto erkende: „Het schijnt mij toe dat onze reactie voor een groot deel te maken heeft met ons eigen ego, namelijk ingeval . . . de patiënt niet aan onze voorschriften gehoor geeft.” En Dr. J. Morton van Los Angeles gaf toe: „Ons ego doet ons misschien al te vaak denken dat, als onze adviezen niet worden geaccepteerd, de patiënt maar ergens anders heen moet gaan.”
Artsen die de gevaren van bloedtransfusie niet onder de ogen zien, brengen zichzelf echter in een ernstig dilemma. Wellicht zullen zij een dure rechtszaak onder de ogen moeten zien.
Oprechte artsen die werkelijk het welzijn van hun patiënten op het oog hebben, beseffen dat zij niet de baas zijn over hun patiënten, maar in feite hun werknemers zijn. Zij begrijpen dat zij de vrijheid hebben adviezen te geven, maar dat de patiënt ook de vrijheid heeft ze te aanvaarden of in de wind te slaan. En wanneer een advies in de wind wordt geslagen, bieden deze artsen de beste alternatieven die zij kennen. Zij helpen de patiënt zo goed als in hun vermogen ligt. Voor de dienst van zulke zorgzame en attente mannen kunnen zieke mensen dankbaar zijn.