Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g71 22/1 blz. 8-12
  • Een hypothetisch bouwwerk van de geologie

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Een hypothetisch bouwwerk van de geologie
  • Ontwaakt! 1971
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • De „geologische tijdschaal”
  • Uniformitarianisme: een van de grondslagen
  • Houdt verband met de evolutietheorie
  • De waarheid over de „geologische tijdschaal”
  • Gesteentelagen ondersteboven
  • Is het heden een sleutel tot het verleden?
  • Gesteentelagen snel afgezet
  • Harmonie van Genesis met de geologie
  • Bladzijden van de geologische geschiedenis
    Ontwaakt! 1983
  • Evolutie, schepping of creationisme — Waarin gelooft u?
    Ontwaakt! 1983
  • Is creationisme wetenschappelijk?
    Ontwaakt! 1983
  • Zijn de continenten onder uw voeten op drift?
    Ontwaakt! 1977
Meer weergeven
Ontwaakt! 1971
g71 22/1 blz. 8-12

Een hypothetisch bouwwerk van de geologie

DE WETENSCHAP der geologie heeft tot ’s mensen kennis van zijn tehuis, de aarde, bijgedragen. Door het werk van bekwame geologen is men veel over de samenstelling van onze planeet te weten gekomen.

Opgedragen christenen echter, die door een overvloed van bewijzen ervan overtuigd zijn dat de bijbel werkelijk het Woord van God is, hebben nota genomen van de punten waar de geologie en het scheppingsverslag van Genesis duidelijk met elkaar in strijd zijn. Zij hebben kennis genomen van beweringen van geologen, dat organisch leven hier op aarde al honderden miljoenen jaren bestaat. Er is inderdaad een enorm verschil tussen deze beweringen en het bewijsmateriaal vanuit de Heilige Schrift dat het leven hier niet al honderden miljoenen maar op zijn hoogst tienduizenden jaren bestaat (Gen. 1:20-28; 2:1-3; Hebr. 4:1-11). Hoe staat het dan met deze beweringen die door de meeste geologen van onze tijd worden gedaan? Is het scheppingsverslag uit Genesis onwaar gebleken? Laten wij eens zien.

Geologen hebben de gesteenten waaruit onze aardbol is samengesteld, in drie hoofdcategorieën ingedeeld: 1. stollingsgesteenten, 2. afzettingsgesteenten en 3. metamorfe gesteenten.

Stollingsgesteenten zijn door afkoeling uit een vloeibare toestand ontstaan en vormen het fundament, de onderbouw, van de aarde. Ze worden daarom „primair” genoemd. Graniet is een voorbeeld van dit gesteente.

De afzettingsgesteenten zijn van jongere oorsprong en zijn hetzij door ophoping van stukken oudere gesteenten, hetzij door de afslijting van oudere gesteenten ten gevolge van chemische neerslag gevormd. Men treft ze boven elkaar aan, in lagen, strata genaamd. Hoewel geologen zulke strata in grote dikte hebben aangetroffen, vormen ze met elkaar nog maar een ondiepe laag op de uit stollings- en metamorfe gesteenten bestaande onderlaag van de aardkorst.

Metamorfe gesteenten zijn door latere veranderingen uit stollings- of afzettingsgesteenten ontstaan door de inwerking van hitte, druk en stromend water. Een voorbeeld hiervan is marmer, dat oorspronkelijk kalksteen is geweest.

De „geologische tijdschaal”

Vooral de afzettingsgesteenten zijn rijk aan fossielen. Vanzelfsprekend rijst dus de vraag: Hoe en wanneer zijn al deze afzettingsgesteenten met hun overvloed van fossielen daar gekomen?

In een poging deze vraag te beantwoorden hebben geologen een hypothetisch bouwwerk geschapen dat als de „geologische tijdschaal” bekendstaat. Dit is een tabel die men in geologieleerboeken aantreft en waardoor de zogenaamde geschiedenis van het leven op aarde in vier hoofdtijdperken of era’s wordt ingedeeld: 1. Precambrium, 2. Paleozoïcum (tijdperk van de oudste levensvormen), 3. Mesozoïcum (tijdperk van minder oude levensvormen), 4. Kenozoïcum (tijdperk van de jongste levensvormen). Deze tijdperken worden onderverdeeld in twaalf periodes en ten slotte in tijdvakken. Op deze tijdschaal staat de ouderdom van de tijdperken, soms wel tot miljarden jaren, aangegeven.

Is het waar dat men bij het graven in de aarde de gesteentelagen in die volgorde zal aantreffen? Is de ouderdom die men aan de verschillende levensvormen toeschrijft betrouwbaar?

Uniformitarianisme: een van de grondslagen

Bij nauwkeuriger onderzoek wordt duidelijk dat de voornoemde „geologische tijdschaal” op twee andere theorieën die als steunpilaren dienen is opgebouwd — „uniformitarianisme” en organische evolutie.

Wat wordt er met uniformitarianisme bedoeld? In hoofdzaak leert deze theorie dat „het heden de sleutel is tot het verleden”, ofte wel dat geologische processen altijd uniform zijn geweest. Dus uit waarnemingen omtrent hetgeen zich tegenwoordig in de zee en op aarde afspeelt menen geologen te mogen afleiden wat er in het verleden heeft plaatsgevonden.

De theorie werd in de achttiende eeuw geopperd maar werd pas algemeen aanvaard sinds de publikatie van Principles of Geology van Sir Charles Lyell (1830-1833). In zijn uiteenzetting over deze theorie gaf Lyell de stoot tot de opvatting dat alle afzettingsgesteenten door uiterst langzame processen, zoals wanneer los zand door de regen langs een berghelling naar een rivier en vervolgens door de rivier naar zee wordt meegevoerd, zijn afgezet. Volgens deze theorie zal het zeebekken worden opgevuld en zal het water worden weggedrukt naar plaatsen waar tevoren land was. Vervolgens zal het hele proces opnieuw beginnen, en aldus zijn de continenten in de loop van ontelbare eeuwen afwisselend gekomen en gegaan.

Op deze wijze tracht het uniformitarianisme de duizenden meters dikke afzettingsgesteenten waarmee de „primaire” gesteenten van onze aarde omgeven zijn, te verklaren. Natuurlijk zou zo’n proces miljarden jaren vergen.

Houdt verband met de evolutietheorie

Het is interessant op te merken dat kort nadat Lyell het bovengenoemde boek had gepubliceerd, The Origin of Species („Het ontstaan der soorten”) van Charles Darwin verscheen. Hij greep de pasgeboren theorie over de geologie aan als het langgezochte antwoord ter verklaring van zijn denkbeeld van een organische evolutie door natuurlijke selectie en het overleven van de meest geschikten.

Waar het uniformitarianisme mee kwam opdagen — onbeperkte tijd — was precies wat Darwin nodig had. In zijn boek Geologic Time geeft D.L. Eicher het volgende commentaar hierover: „Lyells wijdverbreide invloed heeft de weg bereid voor opeenvolgende prestaties van de negentiende eeuw, met inbegrip van die van Charles Darwin, wiens denkbeelden over de geleidelijke ontwikkeling van al wat leeft niet hadden kunnen gedijen zonder het verstandelijke raamwerk van een onmetelijk lange tijd.”

Geologen gingen het vervolgens heel gewoon vinden hun ontdekkingen in termen van evolutie te verklaren. Gesteentelagen met fossielen van „eenvoudige” organismen werden ouder geacht dan die welke ingewikkelder fossielen bevatten. Zo werd, met behulp van uniformitarianisme en evolutie als de twee voornaamste steunpilaren, de „geologische tijdschaal” geconstrueerd.

De waarheid over de „geologische tijdschaal”

Wanneer studenten in de geologie de „geologische tijdschaal”-​tabel onder ogen krijgen, zullen zij wellicht zonder meer aannemen dat de gesteentelagen elkaar precies in diezelfde volgorde opvolgen. Is dat echter zo?

Merk op wat de Amerikaanse geoloog T.C. Chamberlain hierover te zeggen heeft: „Het is niet mogelijk alle gesteentelagen naar beneden toe in volgorde aan te treffen. . . . De volledige reeks gesteentelagen kan men slechts samenstellen door deze gegevens die uit alle landen afkomstig zijn bijeen te brengen; en zelfs wanneer dit gedaan wordt, kan er nog geen absoluut complete reeks uit worden afgeleid, althans tot nog toe niet.”

Ook in Introduction to Geology (1958), een werk van de hand van H. E. Brown, V. E. Monnett en J. W. Stovall, wordt opgemerkt (op blz. 11) dat er in de volgorde die algemeen wordt aangenomen geen sprake is van een werkelijk „verslag der gesteenten”. Er wordt namelijk in toegegeven:

„Welke methode van benadering de geoloog ook volgt, hij moet nu eenmaal nota nemen van de volgende feiten. . . . Er is geen enkele plaats op aarde waar een volledig verslag der gesteenten aanwezig is. In sommige gebieden is miljoenen jaren lang sediment afgezet, terwijl andere streken gedurende gelijke tijdsperioden onderhevig waren aan de slijtagewerking die het gevolg is van natuurlijke processen. Om de geschiedenis van de aarde te reconstrueren moeten de verspreide brokjes inlichtingen uit duizenden plaatsen overal ter wereld aaneengevoegd worden. Het resultaat zal op zijn hoogst slechts een zeer onvolledig verslag zijn. Als men de volledige geschiedenis van de aarde vergelijkt met een 30-delige encyclopedie, dan kunnen wij in een bepaalde streek van de aarde zelden hopen zelfs maar één compleet boekdeel aan te treffen. De totale bijdrage van een bepaald gebied zal soms niet meer zijn dan een paar hoofdstukken, misschien slechts een alinea of twee; zelfs moeten wij vaak genoegen nemen met het bestuderen van verspreide brokjes inlichtingen die beter vergeleken kunnen worden met enkele woorden of letters.”

Met andere woorden, heel de geologische tijdschaal, met haar weidse namen van era’s, periodes en tijdvakken, is louter een zaak van gissing en onderstelling, een hypothetisch bouwwerk. Er is geen enkele plaats op aarde waar zulk een opeenvolging van gesteentelagen bestaat.

Nog niet zo lang geleden gaf de hoogleraar in de geologie R.M. Pearl op bladzij 14 van het boek 1001 Questions Answered About Earth Science (1969) hierover het volgende commentaar: „Het geologische verslag in enige streek der aarde is dus blijkbaar verre van volledig. Dit feit werd voor het eerst waargenomen door Charles Darwin in zijn klassieke boek ’Ontstaan der soorten’ (1859), waarin hij zijn geloof tot uitdrukking bracht dat er meer geologische tijd in beslag wordt genomen door breuken dan door gesteentelagen.”

Gesteentelagen ondersteboven

Dat is echter niet het enige. Vaak hebben geologen gesteentelagen aangetroffen die in omgekeerde volgorde liggen; dat wil zeggen, dat een laag met fossielen van eenvoudige organismen boven op een andere met fossielen van ingewikkelder vormen kan liggen.

B.C. Nelson verwijst in zijn boek The Deluge Story in Stone naar een gebied dat gedeelten van de Amerikaanse staat Montana en de Canadese provincies Alberta en Brits-Columbia — ruim 18.000 km2 — omvat, waar Precambrisch gesteente (naar men beweert meer dan een miljard jaar geleden gevormd) boven „Krijt”-gesteenten ligt, welke laatste naar men veronderstelt minder dan 250.000 jaar oud zijn.

Is het heden een sleutel tot het verleden?

Wanneer wij een van de steunpilaren van het hypothetische bouwwerk der geologie, namelijk het uniformitarianisme met zijn leer dat ’het heden de sleutel is tot het verleden’, nader onderzoeken, dan stuiten wij ook hier op ernstige problemen.

Men zou kunnen aannemen dat het een eenvoudige zaak zou zijn het jaartempo te meten waarmee in deze tijd afzettingsgesteenten worden gevormd en vervolgens te berekenen hoe lang het zou duren tot de sedimentgesteenten welke op aarde worden aangetroffen, in hun diverse dikten zijn afgezet. Deze methode levert echter veel moeilijkheden op.

Ter illustratie van het probleem kunnen de opmerkingen dienen welke wij vinden op bladzij 111 van het in Engels-sprekende landen gangbare leerboek Principles of Geology van Gilluly, Waters en Woodford. De auteurs verwijzen daar naar een 150 meter dikke krijtlaag in het Bekken van Parijs en zeggen vervolgens: „De krijtlagen bestaan uit skeletten van zeer kleine dieren en planten. Soortgelijke lagen worden in de tegenwoordige tijd in zo’n langzaam tempo afgezet dat het zich niet nauwkeurig laat meten — zeker niet meer dan enkele millimeters per eeuw en vermoedelijk nog veel minder.”

Om het geheel nog ingewikkelder te maken, loopt de snelheid van sedimentatie op verschillende plaatsen zeer uiteen, en in slechts enkele gevallen is deze nauwkeurig gemeten. Wat de gedachte betreft dat men een jaarlijks gemiddelde zou kunnen vaststellen, wijst dezelfde publikatie op het feit dat men „er slechts naar kan gissen”.

Er is ook nog een ander probleem. De aard van het sediment dat thans wordt afgezet, is heel anders dan van welke afzettingsgesteenten maar ook die men heeft aangetroffen. De bekende geoloog A. Geikie merkte hierover op in zijn Textbook of Geology: „Wij weten wat de voornaamste kenmerken zijn van de huidige sedimentformaties in de diepere gedeelten van de oceaanbodem. Zover wij weten hebben ze niets analoogs met een der formaties van de aardkorst.”

Hoe staat het met de indrukwekkende tijdruimten die de geologen in hun tijdschaal opnemen en die op de afbraak van radioactieve elementen welke in bepaalde gesteenten worden gevonden, gebaseerd zijn? De uitgevers van dit tijdschrift hebben er vaak op gewezen dat ouderdomsbepalingen volgens de radioactieve-afbraakmethode tal van onzekerheden in zich bergen. Een van de moeilijkheden om volgens deze methode gesteentelagen een zekere ouderdom te geven, noemt H. Faul in zijn boek Ages of Rocks, Planets, and Stars: „Gesteenten die voor ouderdomsbepaling in aanmerking komen en terzelfder tijd op betrouwbare wijze met de stratigrafische volgorde in correlatie kunnen worden gebracht, zijn zeer zeldzaam.”

Stellig is gebleken dat geologen te kort schieten in hun tijdmetingen die op uniformitarianisme en evolutie zijn gebaseerd. In plaats dat de huidige geologische processen een sleutel zijn tot het verleden, „hebben ze niets analoogs” met een der gelaagde gesteenteformaties van de aarde. Ze kunnen zelfs niet eens nauwkeurig gemeten worden. Bovendien worden gesteentelagen heel vaak „ondersteboven” aangetroffen en wordt er „meer geologische tijd in beslag . . . genomen door breuken dan door gesteentelagen”.

Maar hoe laat de aanwezigheid van die enorme massa’s afzettingsgesteenten met hun talloze fossielen zich dan verklaren?

Gesteentelagen snel afgezet

Ten einde achter het antwoord te komen, is het interessant op te merken dat de gesteentelagen letterlijk wemelen van fossielen die duidelijk bewijzen dat de afzetting ervan snel heeft plaatsgevonden.

De Schotse geoloog H. Miller heeft een bepaald soort gesteente, het „oude rode zandsteen” (uit de „Devoon”-periode van de geologische tijdschaal) heel nauwkeurig onderzocht. Miller nam vooral nota van de menigte fossiele vissen en de eigenaardige houding waarin ze in hun gesteentegraf werden aangetroffen. Wat was zijn conclusie met betrekking tot de vraag hoe ze daar terecht zijn gekomen?

Op de bladzijden 221 en 222 van The Old Red Sandstone antwoordt de heer Miller: „In deze periode van onze geschiedenis heeft een of andere verschrikkelijke catastrofe de vissen in een gebied met een middellijn van minimaal honderd zestig kilometer, in een plotselinge vernietiging meegesleept. . . . De talloze levensvormen werden alle tegelijk vernietigd.”

Kundige geologen zijn tot dezelfde conclusie gekomen met betrekking tot alle gelaagde gesteenten. De Engelse geoloog Sir Henry Howorth heeft in The Glacial Nightmare and the Flood uiteengezet dat de „Natuur somtijds met enorme energie en snelheid te werk is gegaan. . . . de gesteentelagen verschaffen overvloedig veel bewijzen van geweldige en plotselinge verplaatsingen op grote schaal”.

Bewijzen van een catastrofe zijn niet alleen in gelaagde gesteenten opgemerkt, maar ook in de afzettingen die aan de oppervlakte van onze aardbol liggen. Herhaaldelijk zijn waarnemers onder de indruk gekomen bij het vinden van grote keien boven op het aardoppervlak en ver van hun plaats van herkomst. Sommige van deze keien, „zwerfstenen” genoemd, wegen duizenden tonnen en hebben een afstand van honderden kilometers afgelegd naar de plaats waar ze zich nu bevinden.

Hedendaagse geologen die volgens het beginsel van het uniformitarianisme te werk gaan, zeggen gewoonlijk dat ze in de loop van lange ijstijden in het tijdvak dat het Pleistoceen wordt genoemd bovenop enorme gletschers daarheen werden meegevoerd. Zij betogen dat de gletschers, toen ze smolten, de grote keien daar waar wij ze nu aantreffen achterlieten.

Er bestaan echter veel overwegingen op grond waarvan de onaanvaardbaarheid van deze theorie bewezen kan worden. Eén probleem is dat gletschers zich slechts door de zwaartekracht voortbewegen, dus van een hogere plaats naar een lagere. De „zwerfstenen” zijn echter herhaaldelijk op plaatsen aangetroffen die duizenden meters hoger liggen dan hun plaats van herkomst. Om slechts één geval aan te halen: op de top van de Mount Washington vinden wij keien van grijze gneis (een metamorf gesteente) die daar kennelijk werden heengevoerd vanaf een plaats die „900 tot 1200 meter lager was gelegen dan waar ze zich nu bevinden”.

Harmonie van Genesis met de geologie

Bijbelonderzoekers hebben echter dikwijls bemerkt dat de Heilige Schrift voor problemen die door wetenschappelijke theorieën niet werden opgelost, een bevredigende oplossing verschaft. In Genesis, de hoofdstukken zes tot acht, lezen wij over een wereldomvattende vloed die een eind maakte aan een tijdperk van goddeloosheid. Zou een dergelijke vloed in staat zijn geweest de reusachtige zwerfstenen die over de hele oppervlakte van de aarde verspreid liggen los te wrikken en mee te sleuren? En zou hierin ook de verklaring gezocht moeten worden voor de alomverbreide verdelging en plotselinge begrafenis van de talloze duizenden organismen, groot en klein, die als fossielen in diverse gesteenten zijn aangetroffen?

De eerder aangehaalde Sir Henry Howorth merkte op dat over de gehele lengte van Siberië alle vormen van aards leven door de een of andere oorzaak op hetzelfde moment werden weggevaagd. Wat beschouwde hij als de oorzaak?

Op zoek naar het antwoord schreef hij in The Mammoth and the Flood: „De oorzaak moet er een zijn die de dieren zou doden zonder hun lichaam te verbrijzelen of ze zelfs ook maar te verminken, . . . die de dieren niet alleen zou doden maar ook hun lijken zou begraven, . . . die allerlei species van dieren van elke grootte bijeen zou kunnen vegen en ze met bomen en andere plantaardige overblijfselen zou kunnen vermengen. Welke andere oorzaak dan geweldige, onstuimige watermassa’s kennen wij die dit zou kunnen bewerken? . . . Water . . . is voor zover mij bekend de enige oorzaak die deze taak zou kunnen verrichten op een schaal die in een redelijke verhouding staat tot de uitwerking die wij in Siberië waarnemen.”

Hoe goed stemt dit met het geïnspireerde Woord van God overeen! Ja, hoe nauwkeurig is de bijbel wanneer daarin wordt gezegd: „En de wateren stegen bovenmate en bleven zeer toenemen op de aarde . . . En de wateren stegen zozeer boven de aarde dat alle hoge bergen die er onder de ganse hemel waren, bedekt werden.” — Gen. 7:18, 19.

Geologie die op feiten gebaseerd is in plaats van op gissingen, ondersteunt het bijbelse verslag. Duidelijk legt ze ons er getuigenis van af dat er vóór de Vloed een weelderige plantengroei op aarde bestond en het dierenleven hier welig tierde totdat beide plotseling door water werden bedolven en vernietigd.

Wanneer geologieleerboeken ons echter een theoretische tijdschaal voorhouden welke op uniformitarianisme en evolutie is gebaseerd, wensen wij in gedachten te houden dat de feiten deze gissing niet ondersteunen. Wij hebben daarentegen kennis genomen van enorme hiaten in het „verslag der gesteenten”, „ondersteboven” liggende aardlagen, „bewijzen van geweldige en plotselinge verplaatsingen op grote schaal” en reusachtige zwerfstenen die, ver van hun plaats van herkomst, overal op aarde verspreid liggen. Al deze dingen te zamen brengen duidelijk aan het licht dat de „geologische tijdschaal”, met de daarop aangegeven ouderdom van diverse aardlagen of gesteenten en van de verschillende levensvormen, niets anders is dan . . . een hypothetisch bouwwerk dat niet de waarheid weergeeft.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen